Categorieën
Fictie

Het ongelukkige sprookje van Eduard die geen prins is, laat staan een prins op een wit paard

Er was eens een rozengordijn, dat de logeerkamer bij tante Lena in een warme gloed zette als de zonnestralen er doorheen schenen. Dat is lang, lang geleden.
Tante Lena’s lichaam is tot stof wedergekeerd en het gordijn hangt in mijn boshuisje onder het zolderdak, ter afscherming van de gelegenheidsgarderobe die ik daar heb weggeborgen. Ik heb er nooit meer naar omgekeken. Maar vanmiddag is er een gelegenheid: Eduard komt. Eduard van Dongen! Eerste cellist van het befaamde studentenorkest… Enfin, met Eduard heb ik tijdens het introductiekamp een nacht mijn slaapzak gedeeld. Een nacht, en sindsdien is hij dagelijks in mijn gedachten. En ik vermoed dat ik bij hem etcetera, maar Eduard verliet het orkest al na het eerste concert en de jaren daarna bleef het stil. Tot zijn telefoontje van eergisteren.
Het was of een engel aan mij verscheen, zo vervuld was ik van blijdschap en angst tegelijk. Het gesprek duurde kort; we maakten alleen deze afspraak. Alsof het vanzelf sprak. Na al die jaren!
Ik maak me op voor zijn komst, roeiend met de paar riemen die ik bewaard heb. Ik streef ernaar me niet anders voor te doen dan wie ik ben, of ben geworden, maar Eduards bezoek valt uiteraard niet te vergelijken met een buurvrouw die even komt aanwippen voor een kopje suiker. Iets feestelijkers dan mijn dagelijkse kloffie is gepast.
De gladde stof van het gordijn voelt koud aan. Ik trek hem open. Hier wordt een griezelstuk opgevoerd. Het decor: mijn nette kleren als afgeschoten wild aan de houten roede. De bloes met kant, de galajurk, de pantalon van nepfluweel, het jasje met de pofmouwtjes, ze zijn allemaal bedekt met een laag stof, waar gewichtloze muggenlijkjes en ingekapselde bromvliegen in liggen te verteren. Een paar hooiwagenspinnen rennen de donkerte in, achter de coulissen.
Ik moet denken aan het spookhuis op de kermis. Janus Wolters. Bij hem hoefde ik me niet druk te maken om een tenue voor de date. Janus liep er sowieso als een kermisklant bij. Om hem heen hing een geur van metaal en zweet, of hij de attracties net zelf had opgebouwd. In tegenstelling tot Eduard van Dongen. Die rook je niet. Eduard deed me oprecht denken aan de koningszoon in Doornroosje, met zijn verzorgde, koolzwarte haar en de licht gebogen neus. Zijn hele voorkomen was hoffelijk. Zal ik op bed gaan liggen? Dat hij me wakker kust? Het zou wat zijn zeg, als hij op een wit paard… Ik heb hem voorbereid: hier kom je niet met schone voeten over de drempel. Vandaag al helemaal niet, met die miezer. Het bospad is een modderbende. Maar dat ik nu zo afgelegen leef, betekent nog niet dat ik me daarom ook als een kluizenaar aan Eduard hoef te vertonen. Ik pak de bloes van de roede, schud hem uit.
Of zal ik wachten tot hij hier is? Dat ik me dan verontschuldig? Hij zal me volgen, het gammele houten trapje op. Hij kijkt over mijn schouder mee in zijn prinsenpak. Ik sta rillend van kou en zenuwen in mijn ondergoed voor het gordijn, dat ik nu door zijn ogen zie. De dieprode rozen zijn verschenen tot vaalroze, de ooit glanzende goudgele stof oogt dof en vertoont hier en daar gaatjes en rafels – geeft niks, het is een prachtig kleed, hij rukt het los, de runners vliegen tegen de balken, hij wikkelt de muffe lap om ons heen. Hij moet zijn pak onmerkbaar hebben uitgetrokken. We rollebollen in het gordijn over de vloerbedekking, net als toen, in de slaapzak over het gras. We gaan ons verstoppen. Met z’n tweetjes in de cocon. We gaan ons verpoppen! Het was pikdonker. De anderen dropen af toen het begon te regenen. Wij niet. Weet je nog hoef ik niet te vragen. Hij weet alles nog, net als ik. De doorweekte slaapzak, besmeurd met schapenstrontsmurrie en plakkerige zeeklei. Wat voor vlinder zou hij geworden zijn? Jasje-dasje. En ik…
Rosita Wachtmeester, wees jezelf! Yin in haar kloffie. Yang in zijn pak. Ik hang de bloes terug en trek het gordijn er weer voor. Dan pas zie ik de harige joekel van een huisspin onderaan de zoom. De toneelmeester.

‘Heb je gepóept, Bolle?’
Zich ogenschijnlijk niet bewust van de ongelukkige timing van zijn toiletgang, likt hij uitgebreid zijn pootjes. Als onze kat zich wast, dan komt er wis een gast. Inderdaad. Eduard van Dongen. Om precies die reden heb ik daarnet zelf uitgebreid op de wc gezeten en me daarna al even uitgebreid gedoucht. Daar had ik beter eventjes mee kunnen wachten. Ik vis een plastic zakje uit de keukenla, til het deksel van de bak, schep de drolletjes er uit en kieper ze in het zakje. Nu Bolle alleen nog maar brokjes krijgt die zijn afgestemd op binnenzittende senioren, zijn zijn uitwerpselen keurige ovaaltjes, sommige aaneengeregen als een streng worstjes. Maar de stank is er niet minder om. Ik mik het zakje buiten in de vuilnisemmer, was mijn handen grondig en zet het keukenraam op een kier. Prompt tuimelen een paar pissebedden op de vensterbank. Ik duw het raam verder open. Een hele familie zit samengeklonterd op het klamme kozijn. Ik schiet ze met duim en middelvinger als projectielen de dampkring in en sluit het raam. Bolle’s drollenlucht zal zo wel wegtrekken.

Een vakantiehuisje bij aankomst, zo proper staat de boel er bij. Maar de plankenvloer, hier en daar nog vochtig van het dweilen, geeft een bedompte geur af. En de gebreken vallen extra op: de bladderende verf op deuren en kozijnen, de scheuren in muren en plafond. Het kan meelijwekkend overkomen. Zal ik me voor de gelegenheid niet toch omkleden? De galajurk? Met de pumps?
Ik hoor wat. Vanuit de bijkeuken. Het is het gevreesde geklepper van de muizenval. Ik kijk op de klok. Als ik snel ben… Ik open het luik in het lage plafond, trek de vlizotrap uit en klim naar boven.
‘Kom maar, je bent zo vrij.’
Met het kunststof bakje, waarin de huismuis met zijn roze, naakte pootjes allerhande pogingen in het werk stelt om een uitweg te vinden, daal ik achterstevoren de trap weer af.

Het waait. En het is harder gaan regenen. Maar regen deert ons niet. Minstens vierhonderd meter van huis, anders heeft het geen zin. Mijn prins is zo te zien nog niet in aantocht, gelukkig; ik loop hem op deze wijze liever niet tegemoet. Van het pad af wurm ik me tussen braamstruiken en boomstammen door en tel mijn passen. Ze zullen geen meter zijn, maar bij vierhonderd open ik de trip-trap. Als een kikker springt de muis tussen de varens. Ik staar naar het lege bakje. Tussen de opgedroogde restjes pindakaas troont een hoopje muizenkeutels. Het beestje heeft het benauwd gehad. Ja: ben je bang, dan krijg je drang.

In het raam van de deur zie ik mezelf weerspiegeld gelijk Jezus met de doornenkroon. Blaadjes en sprieten sieren mijn sliertige haar en bloederige schrammen mijn voorhoofd.
Hij moet niet denken dat ik het erom doe. Vluchtig fatsoeneer ik mijn kapsel bij de wastafel en dep de wonden met warm water en een washandje, trek mijn natte plunje uit en hijs me in maillots. Ik beklim opnieuw de zoldertrap. Assepoester die het zonder fee moet stellen.
Buiten klinkt iets… Vlug! Het gordijn scheurt. Ik haal de jurk van de hanger, steek mijn armen van onder in de mouwen en trek het benauwde gewaad over mijn hoofd. Hij past nog. Gehurkt reik ik naar de pumps en tover ze uit het donker tevoorschijn. Er zit een blauwig laagje op. Ik grijp een punt van het gordijn en wrijf daar met gehaaste bewegingen het blauwige laagje mee af. Op de hakken strompel ik naar het dakraampje.
Een auto. Een glimmende rode. Mijn hart. Mijn hart. Mijn hart. Ik houd mijn hand erop. Ademen gaat bijna niet. Een boeket. Een enorm boeket in plastic folie, dat als een paraplu terugslaat door de wind. Wapperende linten. Zijn hoofd: een kalende kruin. Ik duik ineen en bedenk dat ik geen geschikte vaas heb voor zo’n boeket. De bel. Hij trekt aan de bel. Ik werk me onhoorbaar uit de pumps, sluip richting het trapgat en ga op mijn buik liggen. Zijn silhouet achter het matglas van de voordeur. Happend naar adem schuif ik in de galajurk over de zolder en grijp het gordijn. Opnieuw de bel. Ik scheur het gordijn los van de rail. Nu gaat de telefoon. Hij belt me. Eduard belt me. Eduard van Dongen! Ik wroet met mijn hoofd in het gordijn. Het rozengordijn van tante Lena is de reuzenzakdoek waarin ik mijn snikken smoor.