Categorieën
Fictie

Het Niets

Ik weet niet hoe het is, ouder worden. Ik kan het me niet voorstellen ooit mijn nieuwsgierigheid te verliezen, ooit comfort te kiezen boven avontuur. Is het dan op, mijn levenslust? Is er dan niet meer die drang om een uitzonderlijk feestje te geven? Zal ik dan besluiten dat ik toe ben aan rust? Dat het beter voor me is om iets comfortabels te zoeken. Om iemand te vinden waar ik van hou. Iemand die me kriebels geeft in mijn buik, wanneer ik oogcontact maak. Iemand die in stilte op mijn borst kan liggen, zonder paniekerig te zoeken naar opmerkingen om de stilte mee op te vullen. Iemand die altijd bij me is. Waarmee ik hand in hand door de stad kan lopen. Altijd aan mijn zij loopt, waardoor ik constant het gevoel heb dat ik iets ben vergeten, wanneer mijn hand leeg is. Iemand die mijn favoriete gerecht kookt, zonder dat ik daar om heb gevraagd. Iemand die mijn blouse opnieuw dicht knoopt, als ik een knoopje heb overgeslagen. Waar ik de kachel voor kan opstoken en warme thee voor kan zetten, wanneer het buiten regent. Waarmee ik liedjes van de Beatles kan zingen, terwijl we de keuken schoonmaken. Waarmee ik kan praten over het boek dat ik laatst heb gelezen. Iemand die mij vertelt dat ik te gesloten ben, dat ik meer zou moeten vertellen. Iemand die het oké vindt om soms de grote en soms de kleine lepel te zijn, ongeacht wie de langste is. Waarmee ik kan discussiëren over de kleur van de gordijnen. Iemand die me in mijn zij port, als ik op het punt sta om iets te zeggen dat het gezelschap niet hoort te weten. Iemand die mijn eerste grijze haar op mijn hoofd vindt. Iemand die elke moedervlek op mijn lichaam kent. Iemand die zodanig extravert is dat het gezellig is, maar zodanig introvert is dat er na een dozijn jaren nog nieuwe dingen te ontdekken zijn.

Dan zullen we het hebben over kinderen: de kwestie of we kinderen in ons leven willen brengen of niet. Als ik met een vrouw ben dan zullen we onze eigen kinderen kunnen maken, van ons tweeën. We zouden een nieuw wezentje op deze aarde kunnen zetten. Een kindje dat bestaat omdat wij dat hebben besloten. Een kindje dat ertoe dient onze wensen te vervullen. Een kindje dat in dezelfde achtbaan zal belanden als wij. Het zal krijsend ter wereld komen. Brullend van ongemak. Want dat kindje was eerst slechts een versmelting van een zaadcel en een eicel. Zonder gedachten, zonder gevoelens. Het zal negen maanden lang leven in een bubbel. Een bubbel zonder geluk of ongeluk. Zonder pijn of plezier. Zonder warm of koud. Zonder zwart of wit. Alleen een continuïteit van bestaan. Waarin leven niks kost behalve tijd.

Tot de geboorte. De bubbel knapt en donker en licht verspreiden zich in de oneindigheid. Goed en slecht, rust en onrust, comfort en ongemak, verstoppen zich in alle hoeken van het leven, in een vlekkerig, ongestructureerd geheel van meerdere lagen. Het kind krijst omdat het ineens heel ingewikkeld is. Dingen gaan niet meer vanzelf. Vanaf nu moet het kind moeite doen. Eerst om te slapen, omdat het niet meer leeft in een constante sluimertoestand. Dan om te eten, omdat het niet langer gevoed wordt via de navelstreng verbonden met de moeder. Dan om te lopen, omdat het niet meer gevangen zit in een bubbel waar beweging amper werd toegelaten. Dan om alle andere menselijke vaardigheden te leren die nodig zijn voor het overleven op deze mensen-planeet. Praten, lezen, schrijven, relaties opbouwen, werken, gelukkig worden. Voor het kind zal geen van die dingen een verrijking zijn, slechts een eindeloosheid aan complicaties. Want alles ging prima in die bubbel.

‘Waarom besta ik?’ zal het kind zich op een dag afvragen. ‘Omdat het leven mooi is’ zal moeder zeggen. ‘Omdat alles beter is dan het niets’ zal moeder zeggen. Zoals de cadeau’s die zich rond de kerstboom verzamelen. Gespannen kijk je op welke van de pakjes je naam staat geschreven. Als de avond eindelijk is aangebroken zal je oom je een pakje geven. Je zal het opgewekt van zijn papier verlossen. Er zal een kersttrui verschijnen. Een lelijke kersttrui, in een groen met blauw gebreid patroon. Je zal de trui voor je gezicht omhoog houden en oog in oog staan met een verminkt rendier. Het rendier heeft hangende ogen en als neus een pluizig rood balletje dat karig op de trui is bevestigd. In je ooghoeken zie je je oom verheugd naar je kijken. “Trek aan dan!” roept je zus, die haar best doet om haar lachen in te houden. “Ja, laat is zien hoe het staat!” zal je moeder zeggen met een gemaakte interesse. Je loopt naar de gang om daar je comfortabele trui in te wisselen voor het foeilelijke kerstbreisel. Je trekt het vod over je hoofd. De mouwen zijn kort en de stof kriebelt op je huid. Je kijkt naar jezelf in de spiegel. Je fronst naar het rendier, dat kijkt alsof het al jaren levensmoe is door de stomme rode bal op zijn neus. “Ik begrijp het”, zeg je tegen het rendier omdat jullie in hetzelfde schuitje zitten. Je loopt terug de woonkamer in waar je je oom een liefdevol knikje zal tonen. “Bedankt, ik ben er blij mee”, zul je liegen, terwijl je wenst dat je niks had gekregen. Omdat niet alles beter is dan niets.

Kun je het je ouders kwalijk nemen? Want ze zijn de reden dat je bestaat. Ze zijn verantwoordelijk voor al jouw leed en al jouw geluk. Omdat er anders niks was geweest. Omdat je anders nooit was begonnen met bestaan. Net zoals alle mensen die nooit geboren zijn. Alle mogelijke combinaties van ei en zaadcellen. Elke keer dat een vrouw ongesteld wordt, had ze de helft van de benodigdheden om een kind te creëren in haar buik zitten. Elke keer dat een man klaarkomt komt er zaad vrij, een verzameling van handenvol aan potentiële kinderen. Mensen die nooit zullen bestaan. Mensen die het niets kregen. Zouden ze tevreden zijn? Zouden ze er vrede mee hebben dat ze niks hebben gekregen? Of zouden ze balen dat ze niet kunnen zeggen dat ze er geweest zijn? Zouden ze bang zijn dat ze iets mislopen? Alle eicellen, die met de afbraak van de baarmoederwand als een rode vloeistof hun kans op leven mislopen. Alle zaadcellen, die in een stukje rubber in de prullenbak verdwijnen alsof ze niet iemand’s zoon of dochter hadden kunnen worden.

De kans dat jij en ik bestaan, de kans dat juist de combinatie van ei en zaadcel waar wij uit bestaan, zich tot een kind zou vormen, is enorm klein. Naarmate de generaties op aarde toenemen wordt de kans steeds kleiner. Steeds kleiner. Steeds onwaarschijnlijker. Want om het mogelijk te maken dat jij bestaat moeten je ouders elkaar ontmoeten. Eerst moeten je ouders bestaan. Dus de ouders van jouw ouders moeten elkaar ook ontmoeten. Eerst moeten de ouders van jouw ouders bestaan. En zo ga je door en door tot de eerste mens. Tot de eerste vorm van leven op deze aarde. Tot het bestaan van de aarde. Tot het bestaan van ruimte. Tot het bestaan van tijd. Het is bijna onwerkelijk dat jij hier bent. Dat jij hier bent. Hier op aarde. Levend. Omringd door mensen, dieren en bomen. Een kracht vanuit het binnenste van de aarde die alles op zijn plek houdt. Een grote ronde steen, zwevend in het oneindig. Onderdeel van een sterrenstelsel, bestaand uit verschillende dynamische banen waarin de steen zich beweegt met een snelheid die wij niet kunnen bevatten. Afstanden die wij niet kunnen bevatten. Alles is bizar groot. Vermoeiend groot. Bizar klein bestaat net zo goed. Kleiner dan waterdruppels, kleiner dan moleculen, kleiner dan atomen, kleiner dan elektronen. Naderend naar nul. Een concept waar we niks van begrijpen omdat het niks is. Er is niks over te begrijpen. Het is niks. Maar wij kennen het niks niet omdat wij iets hebben gekregen. Wij hebben het leven gekregen. Wij zijn de minderheid die iets heeft gekregen in plaats van het niets. Wat een geluk. Wat een onwaarschijnlijk geluk. Want wat moet het niets saai zijn. Wat moet de tijd langzaam gaan als er niks is om de tijd mee te doden. Misschien heeft moeder wel gelijk. Misschien is alles beter dan het niets.