Categorieën
Fictie

Het mes

1.
Ik heb al jaren last van een terugkerende droom. In die droom vermoord ik iemand met een mes. Wanneer ik dan wakker word weet ik niet of het werkelijk een droom was of een herinnering.
— Ik loop achter iemand aan door het bos. Het begint al te schemeren en ik hoor mijn slachtoffer hijgen; een man en ik zit al een tijdje achter hem aan, maar ik voel me niet moe. Ik heb superkrachten en ik zie hem oplichten tussen de struiken. Ik ruik zijn angst, ik voel zijn paniek. Het is net alsof ik door een nachtkijker kijk en hij infrarood licht uitstraalt. Hij is mijn prooi. Ik ben de jager en ik ga hem doden. Ik moet hem doden.
Hij struikelt en valt. In 2 tellen ben ik bij hem. Ik sta over hem heen gebogen, met 2 handen hou ik het mes vast en steek neerwaarts, recht in zijn hart. Zijn ogen worden groot en er komt bloed uit zijn mond. En dan word ik wakker. —
Ik lig dan zelf ook na te hijgen en ik tril over mijn hele lichaam. Mijn benen doen zeer, het is alsof ik echt door het bos heb gerend. Ik ben ook misselijk. Er is geen gevoel van opluchting of tevredenheid, omdat het me gelukt is hem te doden. Ik voel me gedesoriënteerd en angstig. Ik ben een moordenaar en straks wordt er aan de deur gebeld en staat de politie buiten om me te arresteren. Ik heb bloed aan mijn handen. Ik ben meedogenloos.
De rest van de dag loop ik met een soort kater rond. De droom is zo tastbaar, dat ik ervan overtuigd ben, dat het echt gebeurd is. Misschien ben ik een slaapwandelaar en… maar het was schemerig. Je leest ook weleens, dat mensen herinneringen in hun geest hebben bewaard van vorige levens. Misschien heb ik in een vorig leven iemand op die manier gedood. Wat een nog verontrustender gedachte is, dat het wellicht een toekomstbeeld is, dat mij ’s nachts in mijn dromen komt kwellen of voorprogrammeren.
En wanneer komen die dromen voor? Heb ik het dan te druk gehad, heb ik teveel gegeten, heb ik naar een spannende film gekeken? Volgens mij is dat niet het geval. Ik probeer de droom van me af te schudden, want mijn werk lijdt eronder, maar het lukt maar moeizaam. Ik hoop dat ik er weer voor een tijdje van af ben, want het begint zoetjes aan een verschrikking te worden.

2.
Helaas heb ik diezelfde nacht wéér dezelfde droom. — Ik ren achter hem aan met het mes in mijn rechterhand. Hij struikelt, ik haal hem in, kniel naast zijn lichaam en rol hem op zijn rug. Hij kijkt me met grote, angstige ogen aan en smeekt me hem niet te doden. “Waarom zou ik je doden?” vraag ik aan hem. “Omdat ik je ooit verkracht hebt, weet je dat niet meer?”
Ik word, naar adem snakkend, wakker. WTF!
Ja, what the fuck! Ik ben nooit verkracht; gelukkig niet. Dan begin ik te twijfelen, misschien is het iets wat ik weg heb gedrukt en komt het me op deze manier in mijn dromen achtervolgen. Ik ben niet bang aangelegd en ik weet mijn mannetje slash vrouwtje wel te staan. Ik heb weleens een knul een knietje gegeven toen hij iets te aanhalig werd. Ik hoef iemand alleen maar aan te kijken om hem te ontmoedigen. Dus het lijkt me niet waarschijnlijk dat ik ooit aangerand, laat staan verkracht ben. Het is wel een nieuw element in de droom, dat is wel vreemd en verontrustend.

3.
Het is bijna bedtijd en ik zie er tegenop om te gaan slapen. Ik heb geen zin in weer een nachtmerrie, want een droom is het niet meer, het is een fucking nightmare.
— Ik loop in het bos. Het is nacht. Ik hoor verderop een takje breken. Hij is daar en ik volg zijn spoor. Hij gaat er aan. Ik ga hem aan mijn mes rijgen. Langzaam wil ik hem dood zien bloeden. Hij verdient een gruwelijk einde. Zo meteen valt hij over een tak en dan is hij van mij.
Hij blijft echter doorlopen. Ik hoor hem wel, maar hij is niet te zien. Waar is mijn nachtvisie gebleven? Deze droom hoort niet zo te gaan. Ik blijf stil staan en kijk om me heen, maar het is pikkedonker en ik zie niets. Ik hoor ook niets, dat betekent dat hij ook stil staat. Zit hij nu achter mij aan soms?
Ik wil nu graag wakker worden, want dit vind ik niet leuk meer.
Ineens hoor ik achter mij geritsel van bladeren. Ik draai me in die richting en zie een zwart silhouet mijn kant op komen. Ik zie ook dat de persoon een knuppel in de hand heeft, omdat de maan achter de wolken vandaan is gekomen en hij of zij door het maanlicht beschenen word.
Ik probeer weg te rennen, maar ik val over een dikke wortel van een boom, die ver boven de grond uitsteekt. Ik duikel voorover en word —
gillend en zwetend wakker.

4.
Langzamerhand raak ik uitgeput, want ik slaap slecht en de dromen spelen overdag ook nog door mijn hoofd. Ik denk erover om ermee naar de huisarts te gaan. Misschien kan hij me iets geven om te kunnen slapen. Ik krijg ook steeds meer de indruk, dat het angstdromen zijn, want de intensiteit en de frequentie nemen met de dag toe.
Gelukkig kan ik dezelfde dag nog bij hem terecht en hij geeft me iets om beter te kunnen slapen. Die nacht slaap ik goed; geen dromen; geen gezweet of in paniek wakker schrikken. De volgende morgen word ik eindelijk weer eens uitgerust wakker. Ik ben wel een beetje suf van de pillen, maar dat zal na een kop koffie wel weer verdwijnen.
Op het werk ga ik als vanouds als een speer en ik maak goede vorderingen. Het werk is blijven liggen en ik werk alle achterstand in een dag weg. Opgetogen ga ik naar huis en voel me sinds tijden goed.

5.
Dit gaat een tijdje goed en ik krijg mijn zelfvertrouwen en energie terug. Ik ben er zeker van dat de nachtmerries tot het verleden behoren.
— Ik ren door het bos. Rechts van mij zie ik een donker gedeelte. Ik duik daarin. Mijn voetstappen worden gedempt door een tapijt van dennennaalden. De zon reikt niet verder dan de toppen van de bomen. Ik ben buiten adem. Hij zit al 10 minuten achter me aan. Het zonlicht weerkaatst in het mes, dat hij in zijn rechterhand houdt. Paniek neemt het over. Ik begin te hyperventileren en word duizelig, maar ik mag niet stoppen.
Verderop is het lichter en daar wordt het ook heuvelachtiger. Misschien kan ik me daar ergens verstoppen. In de 2de wereldoorlog hebben soldaten zich hier ook schuilgehouden. Ik bestijg de eerste heuvel. Mijn voeten glijden weg. Ik hou me vast aan de dunne takken van de zaailingen. Ik haal mijn handen daarbij open. Ik voel geen pijn. Ik moet door.
Achter mij hoor ik hem schreeuwen. Dat beangstigt mij nog meer. Hij roept mijn naam. Hij schreeuwt dat hij me gaat vermoorden. Oh god, oh god, oh god, ik wil niet dood. Ik wil hier weg. Als dit een droom is, laat me dan alsjeblieft NU wakker worden. Alsjeblieft.
Maar er is geen genade voor mij. Hij loopt op me in als ik struikel over een boomwortel. Dan heeft hij de capuchon van mijn sweater te pakken en trekt eraan. Ik word met grote kracht naar achteren gesmeten en kom hard op mijn rug terecht. Alle lucht wordt uit mijn longen geperst en ik word bijna gewurgd. Hij knielt bij me neer en grijnst naar me. Ik probeer op te staan, maar hij gaat schrijlings op mij zitten. Ik kijk in zijn krankzinnige ogen.
Dan brengt hij het mes naar mijn keel en lacht als een waanzinnige. “Nou heb ik je wijffie.” Zijn speeksel komt op mijn gezicht als hij praat. “Vuile teef, de rollen zijn omgedraaid. Hoe zal ik het doen? Langzaam? Vingertje voor vingertje? Oor voor oor? Zal ik je tong eraf snijden? Zal ik je ogen uitsteken?” En wederom lacht hij als een bezetene met zijn hoofd in de nek. Hij lijkt wel een wolf, die naar de maan huilt.
Ik doe een poging om onder hem uit te komen, maar hij is sterk en het mes prikt daarbij in de huid van mijn hals. Ik voel het warme bloed langs mijn hals lopen. Ik zeg niets. Ik ga niet smeken. Ik ga niet huilen. Ik kijk hem alleen maar aan. Ik kijk in het gezicht van de dood, want ik weet dat ik ga sterven. —

6.
Ik lig op mijn rug en kijk naar de hemel. De zon begint onder te gaan. Om mij heen staan bomen. Ze torenen boven mij uit. Tussen hun kruinen door kan ik de lucht zien. Ik herinner me hoe vaak ik in het gras heb gelegen en graag naar de wolken in de lucht keek. Dan droomde ik vaak weg. Alle gedachten losten op in de lucht en werden in de wolken en door de wind weggeblazen.
Ik kijk naar mijn borst. Er zit een mes in. Ik voel het bloed wegstromen. Ik voel het leven uit mij wegvloeien. Mijn laatste gedachte is:
“Is dit een droom?”