Categorieën
Fictie

Het Hele Erge

In de auto, onderweg naar mijn vader, hoor ik Martin Ros met hoorbaar genoegen vertellen over zijn grote liefde voor het wielrennen als ik plotseling overvallen word door de gedachte dat mijn vader vannacht is overleden. Mijn vader is dood, denk ik opeens. Ik wuif de gedachte snel weg, maar even later is die er weer; hij is dood.
‘Fietsen stond naast zwemmen bij de paters hoog aangeschreven omdat het je van het onaneren afhield’, verteld Ros. ‘Na een paar uur, in een te strak broekje, op je racezadeltje rondgereden te hebben, was de lust om de hand aan jezelf te slaan je wel vergaan. Bovendien was mijn geheime wapen geheel verschrompelt.’ Heel even hapt Ros naar adem en in die plotselinge stilte overvalt de gedachte me opnieuw; hij is dood. Mijn vader is gewoon dood. Ik kan hem bellen, ik aarzel, ik bel, hij neemt niet op. Zou hij echt dood zijn? Nee, hij is een boodschapje doen. Even iets lekkers halen bij de koffie, stel ik mijzelf gerust. Onzin mijn vader haalt nooit iets lekkers bij de koffie. Martin Ros is ondertussen al aangekomen bij zijn favoriete onderwerp; het Hele Erge. Het maakte niet uit waarmee hij zijn verhalen begon, ze eindigden steevast met het Hele Erge; erotische leuterpraat over ‘de Daad’. Niemand kon daar zo mooi omfloerst over spreken als hij, iets tussen verrukking en afgrijzen. En dan is opnieuw die gedachte daar; mijn vader is dood. Het is alsof hij, naarmate de reis vordert, steeds ‘doder’ wordt.

Als ik mijn auto voor zijn flat parkeer, weet ik het zeker. Op het ergste voorbereid, stap ik de auto uit. Er komt geen reactie als ik aanbel. Ik probeer toch zijn telefoon nog maar eens; geen gehoor. Om de galerij te bereiken, bel aan ik bij de buren. Niemand geeft thuis. Dit is het moment waarop ik nog kan omkeren; ik ben bij je geweest, je deed niet open, ik ben toen maar weer naar huis gegaan, kan ik dan zeggen. Maar nee, ik mag hem niet aan zijn lot overlaten, ik moet naar boven.
Mogelijk is hij in de keuken gestruikeld en ligt hij met een gapende hoofdwond op de tegelvloer. Ik loop de hal uit en kijk omhoog. Kan ik via de regenpijp zijn flat bereiken? Avontuurlijk ben ik niet maar ik waag het erop en klauter via de beugels, waar de regenpijp in vast geschroefd zit, naar de eerste galerij. Als ik met een behoorlijk verhoogde hartslag, niet alleen vanwege het klimmen, voor zijn voordeur sta, druk ik tegen beter weten in op zijn deurbel. Geen reactie. Ik wacht even en til dan de klep van de brievenbus omhoog en roep zijn naam. Of hij alsjeblieft de deur nog één keer open wil doen. Het blijft stil. Kunnen de doden je nog horen?

Ik wikkel mijn vuist in mijn jas en geef een flinke beuk op de ruit in de voordeur. Er gebeurt niets. Ik herinner me dat mijn vader onlangs veiligheidsglas in de voordeur heeft laten plaatsen. Het vorige was gesprongen toen hij de deur achter zich dicht had gegooid. Zal wel dichtgesmeten zijn, dacht ik toen ik het verhaal hoorde.

Ik heb een hamer nodig. Na een paar keer aanbellen is het raak en heb ik een moker te pakken, een mooi vuistje van anderhalve kilo. Ik trek mijn jas uit en houd die voor de ruit om me tegen rondspringend glas te beschermen. Ik sla met het vuistje, de ruit trilt, maar verder gebeurt er niets. Ik moet harder slaan. Ik draai me om, leg mijn handen op de balustrade en kijk naar beneden. Ik ben moed aan het verzamelen, haal adem en draai me weer terug. Ik monster de deur zoals je dat met een tegenstander zou doen. Ik haal nog eens diep adem, houd mijn jas omhoog en sla dan met al mijn kracht; de ruit versplintert en daalt in een ruisende zucht op de kokosmat neer. Ik duw tegen de deur, de laatste scherven vallen uit de sponning. Ik huiver, ik roep zijn naam. Het blijft stil. Ik loop naar binnen, het glas knarst onder mijn schoenen. Zijn slaapkamerdeur staat op een kier, met de steel van de moker duw ik de deur zachtjes een stukje verder open. Mijn vader ligt in bed, zijn gezicht naar de muur gedraaid, zijn dekbed hoog opgetrokken, de rechterarm uitgestrekt onder z’n hoofd. Ik blijf in de deuropening op de drempel staan. Daar ligt hij dan. Dood. Ik had het de hele morgen al geweten. Ik wend mijn blik af.
Wat doe je als je vader overleden is? De dood moet officieel geconstateerd worden, wist ik. Dus bel ik z’n huisarts die er met een uurtje kan zijn. Ik heb mijn hand niet op zijn al koude voorhoofd gelegd of zijn dekbed recht getrokken. Ik heb hem niet meer aangeraakt. Ik gruwelde van dat idee. Voel ik verdriet? Is er opluchting? Voel ik me verraden omdat hij er zomaar tussenuit geknepen is? Heeft hij zelf ‘de Grote Schakelaar’ omgedraaid? Wist hij waar die zat, heeft hij hem, toen hij lekker lag, rustig omgedraaid? Klaar? Einde? Afgelopen?

De bel gaat. De huisarts staat voor de deur. Ik wenk hem, hij stapt naar binnen, de glasscherven knisperen onder z’n schoenen. Leren zolen, denk ik.
Ik ga hem voor en wijs naar het bed.
‘Hoe heeft u uw vader gevonden?’
‘Zoals hij daar ligt, ik heb hem niet aangeraakt.’
De dokter loopt verder en buigt zich over mijn vader en draait hem op zijn rug.
Zijn arm steekt nu onnatuurlijk omhoog.
‘Alles wijst op een natuurlijke dood, een hartstilstand.’
Dat is toch uiteindelijk waar iedereen aan dood gaat, aan een hartstilstand, denk ik.
‘Ik vermoed dat hij rustig is ingeslapen. Mijn condoleances.’
‘Ik moet de papieren invullen.’
Ik wijs naar de tafel in de woonkamer. De dokter gaat zitten en vult de overlijdensakte in.
‘Heeft u al contact met een begrafenisondernemer opgenomen?’
’Nee, nog niet.’
‘Dat moet u wel doen, u kunt uw vader hier niet het hele weekend laten liggen.’
Ik knik. Hij betuigt mij zijn deelneming nogmaals en vertrekt dan even snel als hij gekomen is.
Bij doodsoorzaak heeft hij “Harstilstand” ingevuld. Dat is snel verdiend, denk ik.

Ik ga bij mijn vader kijken; hij is nog steeds dood. Ik doe een stapje dichterbij en zie zijn vaalgrijze gezicht. Zo ziet de dood er dus uit.
Dit is de man die mij, toen ik zes jaar oud was, vertelde dat ik met alle liefde verwekt was. Dat er niets mooier is dan een kindje maken. Dat ik moest weten dat ik gewenst was. Dat het een glorieus moment was geweest, mijn conceptie. Het is dezelfde man, die jaren later, de hoorn op de haak smeet nadat hij mij had verteld dat ik hem niet zijn hele leven lang lastig hoefde te vallen omdat ik een toevallig verdwaalde zaadcel van hem ben. Tuut, tuut, tuut.
Daarna zag ik hem eigenlijk niet meer maar de laatste maanden hadden we weer wat vaker contact, uit mededogen, uit liefde, omdat het nu eenmaal zo hoort? Hij was 72 en een zware hartaanval en een hersenbloeding rijker. Tot veel meer dan een zak soep opwarmen en een ei bakken was hij niet in staat. Zijn vriendin had hem het huis uitgezet nadat hij tegen haar tekeer was gegaan omdat ze hem seks had geweigerd. Het was de bekende druppel. Er was bij haar iets geknapt. Mijn vader had dat niet begrepen. Ze kon toch zin maken, je moest toch wat voor elkaar over hebben, dat is toch hoe een relatie bedoeld is?

Opnieuw gaat de deurbel, de uitvaartmannen. Een jonge en een oude man staan met een brancard voor de deur. Ik wijs hen de slaapkamer. Mijn vader wordt op de draagbaar getild, z’n uitgestoken arm wordt met twee stevige rukken weer naast z’n zij gedraaid. ‘Anders past meneer niet in de kist’, zegt de oudste enigszins verontschuldigend. Ik teken een papier en krijg een afschrift, alsof het reçu betreft. Er gaat een grijze deken over zijn lichaam en zo rijdt mijn vader over krakende glasscherven zijn flat uit, op weg naar een koelcel.

Twee uur later zijn alle scherven van de vloer, zit er weer glas in de deur en zijn de officiële documenten verzameld. Het is half drie als ik met zijn doodsakte en wat papieren in de hand de deur achter me dichttrek.

Dat was het dan denk ik, als ik in de auto stap. Je bent er, zonder iets te zeggen gewoon stiekem tussen uitgeknepen. Ik start de motor en de radio begint te spelen. Nina Simone; “… no one alive can always be an angel. When things go wrong I feel real bad. I’m just a soul whose intentions are good …”
Dan wellen er bijtende tranen op. Is dat het verdriet over het verlies of is het de melancholie van de muziek? Ik weet het niet, maar de tranen blijven komen.
Over de doden niets dan goeds.