Categorieën
Fictie

Het Giftige Web

PROLOOG

Colorado, mei 2017

Om het te stoppen, om het te begrijpen, om het achter me te laten, om het los te laten, om ermee om te gaan, om het te vergeten en het denken eraan te blokkeren, om het leven weer bij de kladden te grijpen en op te staan als een Fenix uit zijn as, om het daarna af te sluiten en ergens diep weg te moffelen op een plek waar niemand bij kan, daarom, daarom schrijf ik het op!

Gebogen over mijn laptop, het offline geval, typ ik gestaag door. Ik heb er nog een, maar die gebruik ik voor mijn zoektochten op het internet. Deze, waar ik nu achter zit, is privacy bestendig. En als ik hem niet ergens aan een wifi-verbinding koppel blijft dat ook zo.
Al een paar dagen heb ik niet kunnen schrijven. Ik was zogezegd on the road. Maar omdat ik mezelf heb opgelegd nu even niet naar buiten te gaan is dit een uitstekend moment om de draad weer op te pakken. Want erover schrijven helpt volgens mijn psycholoog, bij het ‘genezingsproces’. Vooralsnog heeft het niet het gewenste effect. Ik had liever een tip van hem gekregen om de constante stress onder controle te krijgen. Hoewel dat onder de huidige omstandigheden waarschijnlijk ook weinig kans van slagen heeft.
Dan maar alles opschrijven wat er in mijn hoofd ontstaat. Misschien komt er wel een idee bovendrijven? Iets wat ik nu kan doen bijvoorbeeld, om de situatie naar mijn hand te zetten. Maar voor iemand die bekend staat als creatief gebeurt er momenteel vrij weinig op dat gebied.
Ik schuif de laptop weer opzij en laat mijn blik door de kamer dwalen. Dit motel heeft niets wat inspireert. Het is een plek waar al jaren niemand de moeite heeft genomen om er eens iets fris en moderns van te maken. Er zit geen liefde in, niets warms of persoonlijks. Maar waar maak ik me eigenlijk druk om? Morgen ben ik hier niet meer, dan ben ik alweer onderweg naar het volgende shabby motel. Bovendien is deze ruimte een prima reflectie van mijn huidige bestaan, kleurloos, mottig en zonder vooruitzicht op beter. Maar wel goedkoop. Ik kan me zo langzamerhand niets meer veroorloven.
Buiten begint het al aardig donker te worden en ik druk op het lichtknopje naast mijn bed. Het bed is mijn werkplek. De enige stoel die hier staat heb ik maar onder de deurknop geschoven, die is van hardboard. Zelfs met mijn lengte van een meter vijfenzestig kan ik hem met één krachtige trap openbreken.
Naast me op het nachtkastje ligt mijn laatste geld, zevenhonderdtien dollar en twintig dollarcent om precies te zijn. Dat heb ik nodig voor een slaapplaats, benzine en om te eten. Natuurlijk kan ik het bedrag dat ik van Greg mag lenen van het speciale account halen, maar waarom zou ik me in de schulden steken als ik niet weet of ik het ooit terug kan betalen?
Het ruikt hier trouwens muffig en naar ontsmettingsmiddel. Maar gek genoeg zijn de lakens schoon. Er zijn dus lichtpuntjes. Ze zijn wel versleten met onderin een gat waar mijn teen steeds in verdwijnt. Jammer dat ik er niet helemaal doorheen pas en net als Alice in Wonderland in een nieuwe veel interessantere wereld beland. Een wereld waarin konijnen, muizen, schildpadden en spelkaarten de hoofdrollen spelen en niet de onzichtbare kwaadaardige achtervolgers die het op mijn leven hebben voorzien.
Ik probeer me op het schrijfwerk te concentreren en trek de laptop weer naar me toe.

Een jaar geleden is Nederland een no go area geworden. Een plek waar ik niet meer veilig ben, een plek waar ik dood ben verklaard. Een plek ook waar ik vol goede bedoelingen aan een project begon om mezelf nuttig te maken voor de samenleving. Maar had ik rekening gehouden met social media? Met trollen, jaloersheid, kwaadwillenden en fake nieuws? Nee, natuurlijk niet. Als ik dat van tevoren had geweten had ik het heel anders aangepakt. Of helemaal niet. Dat probeer ik voor mezelf nu uit te vinden. Wat als ik niet de dochter van de beroemde kunstenares Johanna Bosch was en niet zonodig wilde bewijzen dat ik zelf ook iemand was? En wat als mijn moeder me gewoon had geaccepteerd zonder me maar steeds op mijn tekortkomingen te wijzen? Wat als…?
Beter opletten, dat zou in ieder geval wel handiger geweest zijn. Van alle mensen moet ik toch weten dat online gaan zijn keerzijde heeft. Alle voetafdrukken die je daar nalaat worden opgeslagen en blijven ergens diep in de krochten van het internet voor altijd bestaan. Daarom was het zo stom om die usb stick te gebruiken. En daarom zit ik nu hier in die mottige hotelkamer met die kleurloze beige gordijnen en die aftandse vloerbedekking na te denken over mijn volgende stap.

Er wordt op de deur geklopt en in een reflex schiet mijn hand uit naar het lichtknopje. Voorzichtig sluit ik de klep van de laptop en houd mijn adem in terwijl ik mezelf probeer gerust te stellen met de gedachte dat niemand weet waar ik ben. Ga weg, ga weg, verdwijn! De woorden dreunen als een mantra door mijn hoofd, maar het helpt niet. Het kloppen verandert in bonzen.