Categorieën
Fictie

Het gezicht van een poema

Het is de eerste echt warme lentedag. De welpen zijn onrustig, ze willen naar buiten. Ik kruip als eerste uit ons nest, even kijken of de omgeving veilig is. De meeste sneeuw is al gesmolten, maar tussen de rotsblokken liggen nog enkele bruine papperige hoopjes. Mijn neus gaat omhoog in het zachte briesje, de gewoonlijke geuren van de dennen en sparren, maar niets bijzonders. De zon is heerlijk en de grote platte rots voor de kloof met het nest is al opgewarmd. Ik leg me neer en kijk hoe de welpen nieuwsgierig in de zon komen.
De eerste springt me meteen voorbij en vindt een losse steen om achter te hollen, de tweede verstopt zich achter me om dan bovenop zijn broer te springen. Het derde welpje nestelt zich tussen mijn voorpoten, we houden samen de twee rollebollende pluizenballen in de gaten. Haar wollige donkerbruin-zwart gevlekte vacht steekt nog sterk af tegen de egale karamel-kleurige stugge pels van mijn poten. Maar haar gezicht en die van haar broers lijken al sterk op het mijne. Een witte, zwart-omlijnde muil in een lichtbruin gezicht met karakteristieke donkerbruine lijnen op het voorhoofd. Het gezicht van een poema.
Ik spits mijn oren, er komt een helikopter aan, hij vliegt daar in de verte. Ik heb ze nogal gezien, maar ik dacht dat ik ver genoeg de bergen was ingetrokken. Ik dacht dat ze hier niet kwamen. Mensen. Het kleine stipje wordt groter, het brommen luider. Ik sta op en duw de kleinste met mijn neus al terug naar het nest. De twee springerige jongens zijn minder snel overtuigd, ze maken er een spelletje van. De helikopter nadert nu snel, ik grijp één van hen bij zijn nekvel en neem hem mee naar de kloof, waarop de derde welp achter me aan trippelt.
We liggen binnen luisterend te wachten. De helikopter komt heel dichtbij en vliegt weer verder, maar komt algauw terug. Het sterke geraas van de machine stopt. Even later hoor ik ze praten. Mensen. Ik sluip naar het uiteinde van de kloof en tuur langs de ingang de stenige vallei in. Ze staan bij de blinkende zuil. Twee mensen, ze zien er klein uit naast de grote zuil. Heb ik de verkeerde plek uitgekozen deze winter? Ik had de zuil en de hele vallei meerdere weken in de gaten gehouden deze winter, er was niets gebeurd. Wat moeten die mensen er nu dan plots mee? Ze lopen een hele tijd om de zuil heen, duwen ertegen. Ze maken lawaai. Na een tijdje stappen ze weer in de helikopter en zijn ze weg. Alsof ze er nooit geweest waren. Ik hou de welpen nog een hele tijd binnen.
Later op de dag besluit ik terug te keren naar het hert dat ik een aantal dagen geleden te pakken kreeg. De geur van bloed hangt in de lucht. De sneeuw die erover lag, is gesmolten. Ik doe me tegoed aan de resten. Eén van de achterpoten scheur ik los voor de welpen. Ze hebben nog niet veel nodig, maar knauwen er al graag op. Met het vlees in mijn muil, loop ik tussen de rotsen op stevig tempo terug. Als ik een eerste kam over ben, hoor ik opnieuw een helikopter. En nog iets. Iets dichterbij. Op de bergflank tegenover me, rijdt een range rover, hij gaat de kam over de volgende vallei in. De vallei met mijn welpen.
Ik laat de achterpoot van het hert vallen en raas de helling af. Dan begin ik zo snel mogelijk te klimmen, mijn achterpoten katapulteren me omhoog van de éne rots naar de volgende. Dit is waarvoor ik gemaakt ben. Als ik de kam bereikt heb, zie ik de range rover in de richting van het nest rijden, maar hij is er nog een heel eind vandaan en enkele op elkaar gestapelde rotsblokken versperren hem de weg. Als de bliksem vlieg ik tussen de enkele sparren door en spring de puinhoop rotsblokken op, waar de rover nu rondrijdt. Ik ben sneller, met twee soepele sprongen sta ik weer op de grond. De range rover komt bruusk tot stilstand. Ik blaas dreigend naar de mensen achter de voorruit, mijn oren plat naar achteren op mijn hoofd.
Op dat moment landt de helikopter, zowat rechts voor me. Het hevige lawaai en de wind van de wieken, doen me enkele passen terug wijken tot mijn rechter achterpoot de metalen zuil raakt. Niet ver daarachter ligt de ingang van de kloof en mijn nest. Twee mensen verschijnen uit de helikopter. De range rover rijdt wat achteruit, waarna er ook daar op verdere afstand twee mensen uit het voertuig stappen. Ik draai me om en spring de zuil op. Vanuit de hoogte ben ik in het voordeel. Mijn lange staart zwiept geagiteerd heen en weer, terwijl ik de mensen in het oog houdt.
Eén van de mensen uit de range rover komt steeds dichterbij, kleine stapjes, maar ik heb het gezien. Opnieuw blaas en grauwl ik naar hem, laat mijn tanden zien.
‘Denken jullie dat die kat de aliens kent?’
‘Hé Dean, hou op man. Ga terug, die poema is echt levensgevaarlijk!’ roept één van de mensen bij de helikopter.
‘Dit wordt de beste foto van mijn carrière!’
Nog twee stappen en hij waagt zich in mijn range. Dan zit ik met één sprong boven op hem. Ik stretch mijn klauwen.
‘Ze gaat je aanvallen, Dean! David, ga terug naar de wagen! Rustig, achteruit, niet lopen! Ze is veel sneller dan ons!’ klinkt een hogere stem van bij de helikopter. Daar zijn de twee mensen al terug in de helikopter aan het kruipen. Terwijl de éne bij de range rover zich langzaam achteruit beweegt, komt de andere nog een stap dichterbij. Eén stap te dicht.
Een halve seconde zweef ik door de lucht.
‘Dean!’
Dan zitten mijn klauwen in zijn borst, mijn tanden in zijn nek. Hij verweert zich niet eens.
Als ik me opricht, kleurt mijn witte muil roodbruin. De andere mens spurt het laatste stuk naar de range rover. De helikopter vertrekt. Ik blijf de mens in de range rover aankijken tot hij het voertuig draait en daarna volgt mijn blik de wagen tot hij over de kam is. Dan pas stap ik weg van de dode mens en rep me naar de kloof.
De welpen miauwen als ze me zien, ze ruiken het bloed. Maar ze zullen het niet proeven. Ik neem de kleinste bij haar nekvel en draai me weer om. Met de twee andere welpen op mijn hielen, verlaat ik de kloof, de zuil en de vallei. Ze zullen terugkomen. Ze komen altijd terug. Mensen.