Categorieën
Fictie

Het gelijk van nu

I

Het vierkante, betonnen hoofd van Frederick hangt zwaar in zijn handen die als pylonen van een kabelbrug fundament zoeken op het gladde werkblad. Hier en daar liggen verspreid over het bureau recensies met aantekeningen welke hij nooit meer zal verwerken.
Het spijt hem niet dat zijn carrière tot een einde is gekomen. Het is de oorzaak die als een olievlek niet alleen hem, maar ook zijn omgeving aantast. Fredrick van IJsselwoerd als epitome, de verwezenlijking van het vieze mannetje. De krant staat vol met artikelen over losbandige avonturen die hij en zijn vrienden jaren geleden hadden beleefd. Schrijvers die allang zijn overleden worden meegezogen in de beerput. Omwille van kwajongensstreken waarover men destijds de schouders ophaalde.
– ‘Moraalridders, als duiveltjes uit een doosje.’

Frederick kijkt naar de oude, zwartwit foto van hem en enkele van zijn vrienden dat in de boekenkast staat. Het is vooral zijn eigen grote hoofd op het iele lichaam wat hem opvalt. Een onvolwassen verschijning van ergens in twintig, in alles nog een belofte, tussen zijn vrienden. De grote regenjas om zijn schouders geven onwillekeurig de indruk van een peuter die zijn vaders kleren draagt.

Hij grinnikt bij het idee dat het niet een jongere, scherpere recensent is die hem van de troon stoot. Of dat hij zolang heeft doorgewerkt dat, hij verdronken in zijn eigen seniliteit, alleen nog maar gezever op papier krijgt. Iets waarvoor hij de laatste jaren meer en meer vreesde. Nee, het was zijn omgang met Anna. Een stagiair, een blonde verleidelijke stagiair die hem in de ogen van het publiek ontegenzeggelijk tot vuig mannetje had omgedoopt. Hoe makkelijk was het geweest om jaren en jaren van werk binnen een enkele minuut ten gronde te richten. Frederick dacht terug aan de laatste avond dat hij uiteten was met Anna.

– ‘Dat lijkt me heerlijk, Fred’, had ze geantwoord op zijn voorstel.
‘Fred’, zo noemde niemand hem, niet eens z’n moeder. Het kwam tartend en liefkozend op hem over.

Ze heeft een klassieke schoonheid over zich, draagt om momenten die er om vragen hakken en heeft zich een houding aangemeten die te beheerst is voor haar leeftijd. Fredrick zou niet ontkennen dat hij met enige trots met Anna aan zijn zij door het restaurant was gelopen. Hij genoot van de afgunst in de ogen van de vrouwen van zijn leeftijd en de onmiskenbare jaloezie van de mannen tegenover hen.
Nog niet beseffend dat het indrukkende van grote ideeën meer dan eens niet veel verder rijkt dan het effect wat er in schuil gaat en de kunst er juist in is gelegen het grootste te erkennen in het alledaagse en het kleine, trachtte Anna te imponeren met diepe gedachten zoals jonge mensen tegenwoordig proberen te doen. Wat hij aandoenlijk vond.

– ‘Een groot deel van het onbehagen van mensen is er misschien wel in gelegen dat ze de wereld als te rigide ervaren.’
Daar gaan we, dacht Frederick terwijl ze plaats hadden genomen en hij een rode wijn bestelde, zonder te informeren waar Anna trek in had. Neem het woord ‘rigide’ weg en je hebt de gedachten van een alledaagse troela van de straat.
– ‘Of dat de zaken juist te fluïde zijn. Te veranderlijk’, vervolgde Anna.
-‘En waar komt dat onbehagen dan wel niet vandaan?’, vroeg Frederick.
Anna liet bewust of niet een stilte vallen. Ze prikte met haar vork in de salade.
-‘Ik denk dat ik niets nieuws zeg als iedereen de tijd anders ervaart. Dat tijd gelijkmatig verstrijkt is maar een menselijk idee wat niet eens strookt met onze ervaringen. Alleen lijken er maar weinig mensen te zijn die zich er zorgen over maken. Of ze parallel lopen met de tijd en wat de gevolgen zijn wanneer ze dat niet doen. Dat moet toch frustreren.’
Frederick humde wat terwijl hij zich verlekkerde aan het zwartje jurkje waar Anna zich nog snel in had gestoken tijdens een korte stop op weg naar het restaurant.
-‘Kijk, nou naar jou, Fred. Jij loopt volledig uit de pas. Je vertegenwoordigt de jaren’80, maar daar zijn we al lang niet meer.’
-‘Wat bedoel je, jongedame! Mag ik je eraan herinneren dat je het wel tegen een van de meest gerenommeerde recensenten van het land hebt. Beetje respect graag,’ reageerde Frederick die zich plots in een bokswedstrijd waande.
Het gebruik van de verkleinende Fred ergerde hem nu opeens.
Anna glimlachte en legde haar hand in het midden van de tafel net niet op die van hem, sussend, om verdere ontsporing te voorkomen.
– ‘Jij doet er nog toe omdat je nog met Hermans hebt geluncht, Kellendonk hebt geïnterviewd. En dat heeft een bepaalde waarde, begrijp mij niet verkeerd. Maar je loopt uit de pas met de tijd. Je ideeën zijn verouderd. Recenseren is wat anders dan verhalen uit grootmoeders tijd of anekdotes over auteurs die inmiddels als een molensteen om onze nek hangen. Dat hoef je niet beledigend op te vatten,’ reageerde Anna beheerst, ‘Dat is gewoon hoe het is.’
– ‘Laten we ons etentje voortzetten’, trachtte Frederick verder zijn autoriteit te laten gelden.
– ‘Weet je, ik denk dat de situatie zorgwekkend wordt als we gelijktijdig gefrustreerd zijn over zaken die ons te fluïde aandoen en tegelijkertijd andere zaken zijn die juist te rigide aandoen. Als twee treinen die op parallel lopende sporen in tegengestelde richting rijden en steeds verder van elkaar verwijderd raken. De spagaat wordt op den duur onhoudbaar.’

De avond ontspon in een eindeloze discussie waardoor uiteindelijk het dessert maar achterwege werd gelaten. Achteraf gezien doet het Frederick allemaal onschuldig aan. Ze had hem wat willen plagen, maar van doorbijten was geen sprake.

II

Uiteindelijk was het niet Anna geweest die hem had verlinkt. Ze was het leidend voorwerp. Er waren anderen geweest die de ophef hadden gecreëerd. Foto’s die op het internet verschenen en al snel de roep om ontslag of erger.
– ‘Weet je Snoes, ‘richtte Frederick zich tot de kat die in de vensterbank van de kamer lag, ‘Benedetto Croce hield ons ooit voor dat alle geschiedenis altijd hedendaags is. Daar twijfel ik allang niet meer aan. Maar ik vraag mij af of we te allen tijde ons mogen laven aan ons eigen hedendaagse gelijk. Het verleden kan niet terugpraten, maar terugslaan doet het wel.’
Snoes was de aandacht voor de mijmerende Frederick alweer kwijt toen hij plots uit zijn stoel sprong.
– ‘Misschien had ze wel gelijk. Anna bedoel ik. Dat ik een reliek uit het verleden ben en het een kwestie van tijd is voor dat zich opbreekt. Ze waarschuwde me voor het onvermijdelijke! Maar ik geef niet op zonder strijd. Er is nog tijd!’

Frederick sprintte van de trap af en griste zijn vertrouwde regenjas in het voorbijgaan van de kapstok. Men kan je toch niet bestraffen voor waarvoor je al veroordeeld bent, Non bis in idem, schoot Frederick te binnen toen hij op zijn fiets stapte.
Wat hij daadwerkelijk zou doen of wat hem te wachten te stond wist hij zelf ook niet, maar hij moest Anna zien. Afwisselend ontstak er in Frederick een brandend verlangen Anna de huid vol schelden, een klap in het gezicht geven of haar eindeloos de liefde verklaren.
Hij fietste harder dan hij de afgelopen jaren had gedaan. Voorovergebogen op de fiets zoefde hij met zijn handen stevig aan het klassieke rechthoekige stuur soepel om alles en iedereen heen. Frederick arriveerde met zweetdruppels op zijn voorhoofd in het straatje waar Anna woonde. De laatste keer was Anna in een kantoorkloffie ergens naar binnen gedoken om weer te verschijnen in de zwarte jurk. De zwarte jurk die hem zo goed had gesmaakt.

Hij schreeuwde haar naam richting een paar huizen.
– ‘Anna! Anna!’
Op straat keken mensen verstomt op en liepen met een kleine boog om hem heen. Een vrouw van zijn leeftijd begonnen te grinniken op het moment dat ze Frederick voorbijliep. Maar het kon hem niet deren. Niets kon hem deren.
– ‘Anna!’, riep hij opnieuw.
Nu kwam er beweging in een van huizen. Er zwaaide een raam open en Anna keek op hem neer vanaf de tweede verdieping.

– ‘Anna! Ik wil je beminnen. Laat me je honingzoete, albasten huid kussen. Je bent een engel!’, kraaide Frederick uit.
– ‘Zet je zelf niet zo voor paal, man. Wat een bullshit’, riep Anna naar beneden.
– ‘Maar Anna’, de kracht kwijnde weg uit Frederick’s stem. Zijn blik was op de straatstenen gericht. Even was hij weer de jongen in de te grote regenjas.
– ‘Ik houd van je!’, riep hij zijn vastberadenheid nog eenmaal hervonden.
– ‘Je bent een gek. Houden van? Mannen zoals jij denken maar dat de wereld in je handen tot zachte klei wordt’, Haar stem werd luider en luider, ‘Wat buiten je bereik ligt van die grijpgrage fikken van je wordt een obsessie. Dat wat je niet kan krijgen keur je af. Ga maar na, Fred! Wat voel je nu ik je afwijs. Nou… Voel je verdriet of voel je woede?!’

Haar stem was kil, anders dan die avond in het restaurant. Frederick keek nog een keer omhoog, maar het oordeel was geveld. Het verleden zo platgeslagen als een dubbeltje. Anna hing uit het raam in een licht roze ochtendjas. Haar blonde haar wapperde los in de koele ochtendwind.
Naast haar dook een jongen op. Zijn ontblootte bovenlijf was imposant en vol van jeugd. Frederick dacht direct aan zijn eigen kippenborstje. De jeugd heeft vaak gelijk, maar is overmoedig. Ik ben te laat, minstens veertig jaar, dacht Frederick. Hij keerde zijn blik af en trok zijn regenjas om zich heen.
– ‘Verdriet, niets dan verdriet,’ fluisterde hij onhoorbaar voor Anna.