Categorieën
Fictie

Het gekkenexperiment

Het gekkenexperiment

15 november 1952, notitie van Eduard Hoogstraten
Patiënte A, vrouw, 30 jaar. Druk en agressief, wordt ook wel de schrik van de afdeling genoemd. Maximale dosering kalmeringsmiddelen. Werkzaam in de gestichtsweverij. Tien jaar woonachtig in M. Vandaag begonnen met tweemaal daags een ampul chloorpromazine (Lactargil).

Herinneringen van zuster Louise
Anna was een geval apart. Wij waren wel wat gewend in het gesticht, maar zij stal de show. Zij was de zon onder de zotten, de koningin van het krankzinnigenbal. Ze was knokig en mager en maar vijf jaar ouder dan ik. Haar hele lichaam was beweging. Haar hoofd schudde, haar schouders schokten, haar grijsblauwe ogen flitsten heen en weer en haar voeten tikten op de linoleumvloer. Met haar dikke blonde haar en hartvormige gezicht had ze best mooi kunnen zijn, maar schoonheid vervaagt als je in een onverwoestbare jurk met opengekrabde benen de hele afdeling tot huilen gilt. De artsen spoten haar regelmatig vol kalmeringsmiddelen waarna ze uitgeteld onder de zware wollen dekens lag.

Gek genoeg leerde ik haar niet zo kennen. Toen ik er net werkte, kwam er een jongeman op me af.
‘Louise, toch?’, vroeg hij.
Het was zo’n ongemakkelijk moment waarop je ontzettend graag zou willen dat je met een blik vol herkenning en enthousiasme de naam van de ander kon zeggen, maar je in werkelijkheid geen idee hebt wie er voor je staat.
‘Ik ben Johan, we zaten in dezelfde klas, op de basisschool.’
‘Sorry, nu zie ik het pas,’ antwoordde ik. ‘Wat brengt jou hier?’
‘Mijn zus Anna woont hier, elke maand ga ik even bij haar langs.’
Ik kwam vroeger wel eens bij hem over de vloer. Door dit gesprek ontdekte ik tot mijn ontsteltenis dat zijn grote zus, de mooie, wereldwijze tiener die stiekem sigaretjes bietste bij de Duitsers, nu opgesloten zat in ons gesticht.
Anna was voortdurend op haar hoede voor monsters die niemand anders zag. Op een slechte dag, vóór het experiment, trok ze met twee handen een grote pluk haar van mijn hoofdhuid. De tranen sprongen in mijn ogen. Niet alleen van de pijn, maar ook omdat ik nogal ijdel was. Ik was een jonge vrijgezelle vrouw en sjanste graag met de artsen en bewakers.

Eind 1952 begon onze inrichting met het experiment. In Frankrijk hadden ze een nieuw medicijn toegediend bij operaties. Patiënten kwamen niet alleen tot rust, ook hun angst verdween.
Onze directeur liep graag op de troepen vooruit en kwam direct in actie. Als een malle zette hij -als eerste in Nederland- een speciale afdeling op met onderzoekers, rustkamers en artsen. 70 van onze ergste gevallen waren proefkonijn en Anna hoorde uiteraard tot de uitverkorenen. Ik werd als verzorgende op die afdeling geplaatst. Op mijn eerste werkdag daar was het experiment al een paar dagen bezig.

Ik liep die dag met snelle passen van de zustersflat naar het gesticht, het was zo’n schrale, miezerige herfstdag. Ons gesticht was veel meer dan een gebouw. Het was een flink terrein aan de rivier met een bakker, slager, weverij, kiosk en een sportzaal. We hadden zelfs eigen gestichtsmunten, waar de bewoners spullen mee konden kopen. Een klein dorp met een groot hek.
Het imposante bakstenen hoofdgebouw stak overal bovenuit. Met haar drie verdiepingen en talloze uitstulpels kon het gebouw de strijd aan met elk landhuis in de omgeving. De groene gordijnen die voor de hoge ramen hingen, waren nog gesloten. Achter die ramen lagen de bewoners in slaapzalen, vrouwen bij vrouwen, mannen bij mannen, honderden in totaal.

‘Goedemorgen zuster Louise’, zei dokter Eduard, terwijl ik verkleumd binnenkwam en mijn natte jas uittrok. Hij zat aan een tafel en schreef verwoed in zijn logboek. Zijn donkere haar piekte omhoog en ik bedwong de neiging om het glad te strijken. Ik werkte al vier jaar als zuster maar voelde me zo opgewonden en nerveus als op mijn eerste werkdag.
‘Alle patiënten hebben vandaag opnieuw een maximale dosis kalmeringsmiddelen gehad, zodat hun lichaam kan wennen aan het nieuwe medicijn. Tot nu toe nog geen ernstige bijwerkingen,’ vertelde Eduard.
‘Fijn,’ zei ik opgelucht en keek de zaal rond. De twaalf vrouwen lagen in bed. De oude patiënte in de eerste rij keek versuft naar het plafond, haar buurvrouw lag in foetushouding te slapen.
Ik liep de zaal door, gaf hier een patiënt wat te drinken, daar een ander wat te eten. Als een bewoonster ontbloot op het bed lag, tilde ik voorzichtig de deken weer over haar heen. Er was een ongekende rust op de slaapzaal, ik hoorde alleen licht gesnurk en mijn eigen voetstappen. De meeste bewoners staarden lethargisch voor zich uit. Halverwege de vierde rij lag Anna, met haar slordig kortgeknipte blonde haar. Ze sliep onrustig en had rode vlekken op haar gezicht. Ik legde mijn hand in haar hals, ze voelde warm aan, als een houtkacheltje op deze gure dag. Haar ademhaling ging snel en zweetdruppels gleden van haar voorhoofd.
‘Dokter Eduard, wilt u even komen kijken?’, riep ik halfzacht omdat ik niet iedereen wakker wilde maken. ‘Volgens mij gaat het niet goed met Anna.’
Eduard keek op en liep naar ons toe. Ik zag bezorgdheid in zijn blik toen hij haar observeerde en haar aanraakte.
‘Kom, help me even met draaien,’ zei Eduard.
Ik stond op en samen draaiden we Anna op haar zij. Ze gromde en kreunde zachtjes. Haar magere lijf bewoog niet makkelijk mee, ze leek wel verstijfd. Ik schoof haar jurk omhoog en haar onderbroek naar beneden en Eduard deed de thermometer tussen haar billen. 37, 38, 39, 40, de rode lijn bleef oplopen en stopte pas bij 41,5 graden.
‘Het ziet er niet best uit,’ zei Eduard. ‘Ik ga een andere zuster oproepen voor de rest van de zaal, jij blijft bij haar.’
‘Prima, wat moet ik voor haar doen?’, zei ik vol bravoure die ik niet voelde.
‘Geef haar water, meet elke twee uur haar temperatuur en roep me onmiddelijk als je haar ziet verslechteren. Ik kom regelmatig bij haar langs om haar bloedwaarden te controleren. En we stoppen voorlopig met de Lactargil.’ Hij gaf haar koortsremmers en liet me met haar alleen.

De hele dag zat ik bij haar. Ik wurmde mijn arm onder haar nek en tilde haar hoofd en schouders iets omhoog. Ik wiegde haar in mijn arm en fluisterde:
‘Niet doodgaan nu, niet doodgaan alstjeblieft.’ Magere Hein was geen onbekende op het gesticht, maar er was nog nooit iemand gestorven in mijn dienst en ik was daar gruwelijk benauwd voor.
‘Niet doodgaan, niet doodgaan,’ fluisterde ik opnieuw. Ik was de afgelopen jaren, ondanks alles, aan haar gehecht geraakt. Ze was zo maf als een konijn, maar ze was wel mijn maffe konijn, dat gevoel.
Ik streelde haar holle warme wangen en druppelde water in haar mond. Toen ze in haar pis lag, verschoonde ik haar. Ik begon zelfs te bidden tot een god waar ik normaal alleen met kerst enige interesse in toonde. De minuten kropen, de uren vertraagden en na een eeuwigheid zat eindelijk mijn dienst erop. Ze was niet verder achteruitgegaan, ze leefde nog, goddank. Ik kon haar aan een andere zuster overdragen. Er verscheen zelfs een klein glimlachje op dokter Eduards gezicht bij zijn laatste controle. ‘Ze gaat het redden, denk ik,’ zei hij.

Eduard had gelijk, gelukkig. Na een paar dagen knapte ze weer op en durfden de dokters het zelfs aan om opnieuw Lactargil te geven, nu een halve ampul per dag. Op welke zaal ik ook stond, aan het einde van mijn dienst ging ik altijd even bij haar kijken. Soms was ze helemaal versuft, andere keren leek ze me te herkennen. Eén keer glimlachte ze en strekte ze haar hand naar me uit. Ik ging op de rand van haar bed zitten en nam haar hand tussen mijn handen.
‘Het is vandaag guur en nat buiten Anna,’ zei ik. ‘De laatste bladeren vallen van de bomen en de Oude Maas brult en buldert, het water treedt bijna buiten haar oevers.’ Ze keek me slaperig en niet begrijpend aan, mijn woorden landen in watten.
Toch ging het steeds beter met Anna, ze kon weer aan het werk en de monsters in haar hoofd waren gemuilkorfd.

Enkele weken later stond ik voor het hoge raam. Anna kwam naast me staan. Sneeuwvlokken wervelden om het gebouw in toverachtige patronen, rijp maakte de takken van de berken tot glinsterend kristal.
‘Wat een prachtige witte wereld,’ zei ik.
‘Ik hou van sneeuw’, zei Anna met trage tong. ‘Toen ik klein was, ging papa met ons sleetje rijden. Ik voorop, mijn kleine broertje achterop en zo trok hij ons door de straat. Als we thuiskwamen, maakte mama warme anijsmelk voor ons.’
Ik keek opzij, ontroerd en verbaasd. Het was de eerste keer dat we hetzelfde zagen. We zaten eindelijk in dezelfde wereld.