Categorieën
Fictie

Het Geheim van Verse Appeltaart

1.
Het spek op het hakblok had dezelfde kleur als Jeannes bovenarm. Sandra keek hoe haar vriendin dunne reepjes afsneed, in de koekenpan siste het vet.
‘Hoeveel jaar heeft hij dan gezeten?’
Jeanne veegde met de rug van haar hand het zweet van haar voorhoofd. Sandra trok aan haar sigaret, haar afgekloven nagels waren geel.
‘De helft. Goed gedrag, staat allemaal in die brief.’
Ze staarde naar de schimmelplek op het plafond.
‘Als ik niet wil dat Batu weer bij mij komt wonen, dan moet een advocaat bezwaar…’
Jeanne gromde.
‘Een ad-vo-caat?’
Haar armvlees lilde.
‘Ze schuiven hem gewoon weer in je schoenen, als moeder heb je maar te slikken wat de hoge heren beslissen. Maak de appels voor de taart eens schoon. Heb je het menu op het terras gezet?’
Sandra knikte en pakte de emmer met appels uit het steegje. Op de achtergrond klonk het geruis van de Route du Soleil.
‘Ik blijf zijn moeder.’
Jeannes onderkin rilde.
‘Dat je het uit je strot krijgt na wat hij met dat kind…’
Het belletje boven de deur rinkelde. Een Duits gezin wilde op het terras lunchen.

2.
De ergste hitte was geweken, Sandra had de parasols ingeklapt en nam de tafels af, druppels spetterden uit het emmertje op haar T-shirt. De vaste jongens zaten bij de fontein, halve liters rustten op hun buiken.
‘He schatje!’
Pépé le Grand was de automonteur van het dorp, een man met ongecontroleerde baardgroei en dito handen. Als hij zeker wist dat Jeanne het niet zag, zaten die handen onder Sandra’s topje. Ze liet hem begaan. Hoe stiller ze was, hoe sneller het stopte.
‘Ga je een wet t-shirt contest houden?’
Hij stak zijn harige wijsvingers omhoog voor zijn borst.
‘Coucou, c’est nous: Sandra’s tietjes!’
De mannen grinnikten, alleen Loïc gaf geen krimp.
‘Of eigenlijk…’ en hij liet zijn vingers tot zijn knieën zakken, ‘is dit meer in de buurt.’
De kerkmuur weerkaatste hun vette lach. Jeanne schommelde met een plateau het terras op.
‘P’tit Pépé, zo’n grote bek! Gelukkig vallen alle meisje nog steeds voor jou in katzwijm…van je lijfgeur.’
De mannen joelden, ook Sandra lachte.
‘Kijk maar uit, schatje, dat die gore tanden niet uit je grafkop vallen.’
Geschrokken hield Sandra een hand voor haar mond.

3.
Sandra woonde een eindje buiten het dorp. Haar tuin was weelderig, ze hield van rozen. Haar Çois niet, die had alleen een gazon gewild, net zoals de buren. Hij deed zijn best, hij maaide en sproeide. Snoeide takken die teveel schaduw wierpen. Maar de brandvlekken, souvenirs van waar Batu kikkers opblies, vormden blijvende littekens in het groen.
Een maand na Çois’ begrafenis plantte Sandra haar eerste rozen, de mensen spraken er schande van. Jeanne had haar schouders opgehaald.
‘Dan hebben ze het eens niet over dat je vent zich doodzoop en je zoon een psychopaat is. Geen wonder dat je zo’n gratenbaal bent: de energie die jij verbrandt met piekeren over wat de mensen eens zouden denken.’
Jeanne had andere zorgen. Haar restaurant draaide steeds slechter. Tijdens de rechtszaak zat het elke dag vol. Reporters en cameraploegen uit het hele land streken neer in het dorp en lieten de kassa rinkelen. Ongelofelijk wat dat journaille kon zuipen.
Erna werd het stiller dan ooit. Alleen toeristen, mensen die het niet konden weten, stopten nog. Alsof Jeanne iets kon doen aan het gruwelijke lot van dat arme meisje.

4.
Het seizoen liep op zijn einde, het geruis van de snelweg was bijna niet meer hoorbaar. Overdag was er alleen Loïc, op zijn vaste plek op het terras.
‘Gepensioneerd gendarme, zo heb ik ze het liefst, niemand meer te commanderen. Behalve de bierpomp.’
Jeanne zag Loïc als haar appeltje voor de dorst, hij arriveerde elke dag om tien uur en ging als Jeanne de lichten uitdeed naar huis. Al vijf jaar lang week hij niet van zijn routine af, hij was betrouwbaarder dan de kerkklok.
‘Sandra, nog één.’
Zijn stem was zacht maar autoritair. Ze zette het glas op zijn tafeltje en begon appels voor de tarte tatin schoon te maken.
‘Batu komt deze week vrij, he?
Sandra duwde het klokhuis uit een appel.
‘Een oud-collega belde me. Jij neemt hem weer in huis?’
Ze krabde aan de korsten op haar armen, psoriasis, de dokter noemde haar een typische stresspatiënt. De zalf die hij voorschreef hielp niet.
‘Ja, Loïc. Deze vrijdag.’
Loïc leegde zijn glas.
‘Ik hoop dan voor jou maar dat hij zijn mond houdt.’
En voor het eerst in vijf jaar stapte Loïc op.

5.
Çois was wat de dorpelingen menselijk wrakhout noemden. Hij kwam aanwaaien voor werk in de fabriek en omdat hij een gulle innemer was die niet graag alleen dronk, aanvaardden de vaste jongens hem snel in hun midden.
De dag dat Sandra hun huwelijk aankondigde, viel de hele bar stil. Iedereen wist dat Çois gek was op Jeanne, toen nog slank en met haar blonde krullen de natte droom van het dorp. Het was een kwestie van tijd voordat die twee… Maar Sandra straalde en liet iedereen de ring zien die haar Çois gekocht had. Een krappe negen maanden later werd Batu geboren.
Loïc stond toen al wekelijks op hun stoep, gebeld door ongeruste buren. Sandra die krijsend kleren uit het raam gooide, Çois bezopen voor de tv. Loïc liep uren met Batu op zijn arm door de tuin, toen de jongen wat groter was nam hij hem op de ergste dagen mee op zijn ronde.
Batu vertelde Loïc alles, dat hij bij de Gendarmes wilde later, met een mes onder zijn kussen sliep, niet van appeltaart hield en spaarde voor een voetbal. En dat hij verliefd was.

6.
Het was Loïc geweest die Batu naar het politiebureau had gebracht. Çois had hem gebeld en gesmeekt of hij wilde komen, alleen. Nooit zou Loïc vergeten wat hij die dag gezien had. Het bloed zat door het hele huis, de treden van de trap waren allemaal besmeurd.
Het buurmeisje vond hij in de tuin. Naakt, op het gehavende gazon, haar ogen leken uitgestoken. Batu zat naast haar in zijn onderbroek, zijn hele lijf rood van het bloed.
‘Jongen, wat is er gebeurd?’
Maar Batu zei geen woord. Zonder handboeien had Loïc hem in het busje gezet. Binnen pakte hij wat kleren, de geur in het huis verwarde Loïc: bloed vermengd met verse appeltaart.
Het moordwapen werd nooit gevonden. Men vermoedde dat Batu haar keel had doorgesneden met de stiletto die in zijn kamer was gevonden, maar de patholoog getuigde op het proces dat het meisje was bezweken aan verwondingen aan haar hersenen, toegediend via haar oogkassen, met een cilindervormig metalen wapen.
In het busje op weg naar het bureau huilde Batu geluidloos. Loïc kneep hard in zijn hand en dacht aan de hysterische blik in Sandra’s ogen.

7.
De media maakten van Batu een beest, hoe meer ze tierden hoe stiller Batu werd. Het dorp zag zijn zwijgen als schuldbekentenis, nog voor de rechter hadden zij hun oordeel geveld. Loïc had als gendarme altijd vertrouwd op zijn buikgevoel, en dat zei iets anders. Maar na zijn eerste blauwe oog zweeg ook Loïc. Het jaar erop ging hij met vervroegd pensioen.
Batu kreeg tien jaar. Na de rechtszaak liep het dorp leeg en goot Çois zich vol. Sandra bleef werken in de bar, Jeanne hield haar voorlopig in het keukentje, weg van de vaste jongens. Ze liet haar afwassen en appeltaarten bakken.
De uren dat Loïc niet in de bar was, ploos hij het dossier uit. De verhoren met Sandra en Çois lieten hem niet los. Çois steeds incoherenter en Sandra het bedeesde muisje, de verhoorders hadden het haar niet moeilijk gemaakt. Çois had voor de tv gezeten en Sandra bakte een appeltaart. In elk verhoor stond hetzelfde zinnetje. Loïc pijnigde zijn hersens, had Sandra niet iets in haar handen gehad toen hij bij het huis aankwam? ‘s Nachts droomde hij van de geur van appeltaart.

8.
Batu was magerder geworden, zijn kleren slobberden om zijn lijf, zijn krullen waren afgeschoren. Het was Pépé die hem als eerste herkende, maar alleen Loïc liep op de jongeman af en omarmde hem stevig.
‘He gore flikkers! Ga lekker neuken, Batu zal wel weten hoe dat moet, na de Anale Academie!’
De mannen brulden, bierglazen sneuvelden.
‘Wij moeten jouw soort hier niet, kankerlijer. Een meisje verkrachten en dan de keel oversnijden, gore kakkerlak. En kakkerlakken sla ik morsdood.’
Voor Pépé kon uithalen kwam Sandra krijsend uit het keukentje. Ze stond voor haar zoon, haar stem was hoog, hysterisch, net als op de dag van de moord.
‘Ik wil je nooit meer zien, nooit, vuile moordenaar!’
Loïc probeerde Batu te beschermen, duwde Sandra zachtjes weg. Ze sprong als een wild beest op hem, iets rond en scherps drong Loïcs buik binnen. Hij duwde haar van zich af, ze viel tegen de bar, Jeanne krijste, de mannen vloekten.
Maar Loïc hoorde het niet. Hij hoorde alleen de metalen tik waarmee de appelboor uit Sandra’s hand op de grond viel en hoe de patholoog zei dat het moordwapen cilindervormig was.