Categorieën
Fictie

Het cadeau

Op de mistige novembermorgen van mijn tachtigste verjaardag wist ik het zeker. Ik zou zelf kiezen hoe ik oud werd. Daarna voelde ik me gerust gesteld. Want soms rook ik het onder mijn dekens, als ik me omdraaide in de morgen. De geur van verderf, die me aan moeder herinnerde.

Moeder rook niet alleen naar verval, ze rook ook naar verdriet. Manhaftig gedragen verdriet, zoals mensen dat zeiden. Verminkt onder de handen van een incompetente arts die aan de versleten jas van mijn moeder zag dat hij niet bang hoefde te zijn voor een rechtszaak. En veel later, toen zij definitief overgeleverd was aan de handen in de zorg, rook ik het als zij zich zwijgend draaide onder haar lakens.

Mijn moeder droeg wat niet te dragen was, tot de laatste steen. Ze overleed na een slopende ziekte en evenveel slopende behandelingen die alles aan haar vernietigden, totdat zelfs haar huid haar lichaam niet meer bij elkaar hield. De ultieme opoffering.

Zo zou ik niet gaan. De brief die ik vanochtend op de deurmat vond, vermomd tussen de kleurige verjaardagskaarten, bevestigde mijn lidmaatschap voor een vrijwillige dood. Een bericht van De Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde. Ik was oud, maar alles deed het nog, en zolang mijn hart zong was ik jong. Mijn opluchting had iets van hoop, het ding met veren, dat na het lezen van de brief omsloeg in een wild verlangen.

Want op hoge leeftijd ben je onsterfelijk vanaf het moment dat je de dood in de ogen kijkt. Een besef waarmee de wereld plotseling aan mijn voeten lag. En zo kwam het dat ik op die eerste ochtend van mijn tachtigste levensjaar besloot om mezelf te trakteren op een waanzinnige liefdesnacht.

Ik zou er het geld van mijn dochters voor gebruiken, dat ik diezelfde ochtend met een kaartje in de brievenbus vond. Opgedragen aan hun moeder, met extra liefs nu Corona ze op een afstand hield – en dat op zo’n speciale verjaardag. Ik kon er boeken van kopen, of een schilderij, misschien een kussen voor mijn stoel zodat ik mijn romans zonder bureau kon schrijven, schreven ze. Kinderen begrijpen niet dat hun moeders niets meer zijn dan meisjes met te oude hoofden.

Ik wilde bemind worden met bedreven handen. Ik wilde onbeschaamd verliefd worden, zonder verleden of toekomst. Mijn hart ging er sneller van kloppen en mijn overmoedigheid groeide terwijl voor mijn raam dan toch eindelijk de zon opkwam. Met de dood in zicht bleek mijn schaamte niets meer dan een zucht. Ik wilde ervoor betalen en ik wist wie me daarbij kon helpen.

Ik belde mijn vriendin Ilona. Ze woonde jarenlang naast me aan de Aalsterweg en ze overleefde haar seksimperium als een gekrenkte vorstin, met pruilende lippen tegen de schuldeisers die ze met lege handen naar huis stuurde. Nadat de telefoon overging, herkende ik haar schorre stem onmiddellijk. ‘Een jonge gigolo voor je verjaardag? In deze tijd? Vanavond? Wat vraag je van me,’ riep Ilona, maar ik hoorde aan de stilte na haar woorden dat ze nadacht.

Ilona weigerde iedere vorm van afhankelijkheid en overgave. Het virus had geen invloed op haar leven, als ultiem bewijs van haar onschendbaarheid. Want om haar eigen ondergang niet mee te hoeven maken, kwam ze al jaren niet meer buiten en liet ze alle spiegels uit haar kolossale huis weghalen. Hoe minder ze de wereld begreep, hoe minder deze bestaansrecht had in haar ogen. Wat ze zelf niet meer kon doen omdat haar lichaam het af liet weten, deed ze af als absurd. Sinds de Parkinson haar trillend belette te eten, liet ze zich minzaam voeren door haar chauffeur, als een koningin.

Maar goed, die ochtend zweeg ze. Ze hield van een uitdaging en van oude vrouwen die geen haar toegeven aan het leven. Ze zei niets over mijn leeftijd en problemen die ze in bed voorzag, want ze wist dat mensen zichzelf van alles wijs maken als de lust in het spel is. Ik wist dat ze haar boekje erbij ging pakken. Ze kende iedereen. Niemand was veilig, van de uithoeken van de stad tot in de Bergen en het stadhuis. Een bloemetje dat door Ilona werd bezorgd, was als een kanonschot. ‘Maar gefeliciteerd,’ zei ze, ‘en ik ga kijken wat ik voor je kan doen.’ Ik hoorde haar de lade van haar oude bureau open trekken, ‘weet je wat, kom vanavond om acht uur naar mijn huis.’

Mijn lichaam protesteerde terwijl ik op de rand van het bed ging zitten. Ik herinnerde me een vriendin die lang geleden een gigolo bestelde. ‘Belachelijk,’ zei ze, ‘weet je wat ik deed? Ik harstte mijn benen, kocht lingerie en poetste mijn tanden totdat mijn tandvlees bloedde. Terwijl ik degene was die betaalde.’ Op mijn dooraderde benen groeien al lang geen haren meer. En op mijn leeftijd is de liefde met lingerie potsierlijk. Ik zuchtte.

Ik bakte croissants en dronk er gloeiend hete koffie bij. De komende nacht wierp haar schaduw over de ochtendzon op mijn ontbijttafel en ik las met moeite de krant die in dikke letters over het virus kopte. Het deed me niets. Ik ergerde me aan de haast van de jeugd. De vluchtigheid die ik ook bij mijn dochters zag, en mijn kleinkinderen, die hun aandacht verdeelden over twee werelden. De arrogantie. Met of zonder virus zijn ze jong. Maar ze klagen over een verloren jeugd, en begrijpen niet dat iedere dag een jaar is.

Ik ontmoette ze op straat, de jonge mensen die met een geforceerde lach op hun gezicht voor me uitweken. Mijn onbeschaamdheid om als oude vrouw te willen leven, om de zon op mijn bleke kikkerhuid te voelen. Mijn oma overleed in haar bed tijdens de hongerwinter. Ze weigerde te eten. Oude mensen weten wanneer ze teveel zijn. Maar ik was nog niet klaar met leven.

De dag startte traag, en vorderde als een slak. De telefoon rinkelde niet, mijn bejaarde bezoek meldde zich al dagen eerder af voor de jaarlijkse verjaardagsvisite. Ik las gedichten, schreef in mijn dagboek en had twee glazen wijn op toen de klok op de schoorsteenmantel vijf uur sloeg. In de schemering begon het zachtjes te regenen. De zon doofde als een flakkerende waakvlam en de lust in mijn bloed zonk bijna weg met de laatste stralen.

Maar de wijzers draaiden door en om zeven uur stond ik toch op. Voor de spiegel keek ik naar mijn gerimpelde schouders en uitgezakte borsten. Onder mijn oude huid klopte mijn hart net zo snel als vroeger. Betaalde liefde kent geen leeftijd, geen aarzeling, zei ik tegen mezelf. Ik nam me voor om mijn ogen te sluiten, zodat ik die van hem niet zou zien. Hij zou beleefd doen, en net alsof. En als het niet lukte, dan was er dat lichaam naast me. De hitte onder de dekens die je alleen voelt na de liefde.

Ik herinnerde me de eerste keer. Ik heb overgave gekend, het bijna bezwijmen van genot. Maar een verlangen is altijd nieuw. En nu verlangde ik naar de nacht als een meisje, naïef en onverschrokken, vastberaden niet te zwijgen, niet te aanvaarden, niet te verloochenen, niet te vergeten. Ik ruziede met de anderen, met hun verwijten en spijt. Hun schaamte. De dochter, studente, de moeder, de echtgenote en minnares, de schrijfster en journaliste, de oma, de verlatene en alle anderen die ik in tachtig jaar vertolkte, de anderen die me wilden overtuigen. Dat ik te oud was en de liefde onfatsoenlijk. Maar ben je niet altijd een jong meisje als je je naar je minnaar haast?

De stad was te stil met gesloten luiken en donkere etalages in de Demer. De herinneringen aan het verlangen van die ochtend volgden me op vurige vleugels en ik wandelde door, met snelle stappen. Een steek trok door mijn been, om me te herinneren aan mijn stompzinnigheid, en ik dacht met spijt aan mijn wandelstok onder de kapstok thuis. De warme woonkamer, mijn fluwelen stoel naast de boekenkast, onder de lamp die nog van mijn moeder was geweest, en de klok op de schoorsteenmantel. De kat die haar rug naar me toe draaide terwijl ik de deur achter me dicht trok, alsof ze mijn dwaasheid niet kon aanzien.

Bij het Lex en Edo Hornemannplantsoen klapwiekte een eend over het stille water. Ik huiverde, want voorgevoelens arriveren zelden alleen en ik wist het toen ik Ilona’s chauffeur zag staan, op de hoek van haar straat. De regen drupte van zijn pet en hij bood me zijn arm. Het licht van de ambulance weerkaatste in duizenden plassen, als de erehaag die ze verwachtte, terwijl twee mannen de brancard naar buiten tilden. Ik herkende haar smalle lichaam onder het laken. Ze stierf triomfantelijk, in haar beste jurk in haar stoel, waar ze op me wachtte. Bij de voordeur talmde een jongeman met zacht bruin haar en tranen in zijn ogen. Misschien kende hij haar goed, of huilde hij om zijn eigen doden. Maar ik zag dat hij wist dat ik het was en we glimlachten, door onze tranen heen.