Categorieën
Fictie

Het brood

Ze dacht aan de pastoor, die nota bene háár om vergeving vroeg. ‘Natuurlijk,’ antwoordde ze, ‘gemeenschap kan toch nooit een zonde zijn.’ De pastoor zweeg lang, brak toen uit in een minutenlange, preekachtige woordenstroom waarvan ze maar één zin opsloeg: ‘Ook ik moet iets te biechten hebben.’ Zij vond het prima, liet de pastoor rustig doorratelen want de tijd tikte voort. Op het moment dat hij zich dat ook leek te realiseren, kleedde de pastoor zich op zijn onderbroek na uit alsof hij haast had. ‘Goede denkers zijn zelden goede praters,’ besloot hij, en begon zichzelf glimlachend met een hand in zijn slip te beroeren. Hij keek naar haar tepels alsof ze ogen waren. ‘Je maakt me verlegen,’ fluisterde hij, en deed toen ook zijn onderbroek uit.

Ze dacht aan de witblonde jongeman wiens vocabulaire die avond uit twee woorden bestond. ‘Hoe duur,’ zei hij, zonder enige vragende intonatie in zijn stem. Ze gaf antwoord, hij knikte en betrad haar grondig gedesinfecteerde territorium. De jongen zuchtte alsof wat komen ging een plicht was, een af te vinken item op de lijst. Hij kleedde zich uit en nam zittend plaats op het matras. Ze overhandigde hem het rubber, dat hij zwijgend om zichzelf heen schoof. Vanuit de aangrenzende kamer klonk het gedempte gezoem van een stofzuiger, de dienst van haar buurvrouw zat er blijkbaar weer op. Nadat ze haar haar in een staartje had gedaan, klom ze op de jongen en met gesloten ogen stootte ze, twee, drie, vier keer. Toen voelde ze het lichaam onder haar verstijven. Even spartelde het ongecontroleerd zoals vleeskoeien en -varkens doen vlak nadat hun hersenen door een metalen pin worden doorboord, daarna verslapte het meteen. De jongen had een indrukwekkend record neergezet. Zelfs een poging tot genot harerzijds zou door zijn tempo in de kiem gesmoord zijn. ‘Lekker,’ zei ze desalniettemin, ‘grote jongen.’ Ze hijgde na alsof dat nodig was en streelde zijn haarloze borst. Toen gleed ze van hem af. De jongeman stond op, deed zijn kleren aan en keerde nooit terug.

Ten slotte dacht ze aan de grijze man. Toen hij binnenstapte en om zich heen keek zoals zij in een dierentuin zou doen, sprak hij woorden die ze nooit was vergeten. ‘Ik ga je iets laten zien,’ zei hij, ‘maar je mag me op die manier nooit herinneren. Denk later maar aan me terug zoals ik nu ben.’ Meteen nadat ze instemde, kleedde hij zich helemaal uit, grabbelde zijn stropdas uit het bundeltje kleren op de grond en bond die om zijn voorhoofd. Toen hij op het bed ging staan kraakten zijn knieën – maar het ook kon ook de lattenbodem zijn. ‘Ik ben Tarzan,’ zei hij, roffelde met zijn beide vuisten op zijn borstkas. Vetplooien golfden mee op het ritme van zijn slagen. ‘Ik ben Tarzan,’ zei hij weer, nu zelfverzekerder, ‘en jij bent godverdomme Jane!’ Hij zwaaide nu met zijn armen, speekselsliertjes vlogen in het rond. Ze onthield waar die terecht kwamen, want dat moest straks allemaal worden gepoetst. De grijze man slaakte een kreet die haar angst inboezemde. Toch kwam ze dichterbij.

Daarna dacht ze niets meer, want ze was in slaap gevallen op de harde bank. Op de gang, die rook naar gymzaal, een weeïge combinatie van zweetsokken en deodorant, maar die verder nergens op leek, liepen mannen en vrouwen in fluorescerende uniformen de wacht. In de ruimtes links en rechts van haar katapulteerden doorgesnoven types verwensingen in de richting van die mannen en vrouwen, en ze bonkten op de zware deuren die alleen daarvoor leken gemaakt. Er waren anderen in het gebouw die niemand kon zien. Dat waren de gehoorzamen van de stad, die in naam van hun al even onzichtbare werkgever op toetsenborden tikten en daarmee de wereld een plezier dachten te doen. Schoonmakers waren er ook, die de ruimtes waarin de verbannelingen verbleven, steeds grondig reinigden. Er waren nog anderen, die zelf eigenlijk ook niet wisten wat ze moesten.
En zij was er. Maar zij sliep.

Na een paar uur van onrustig dolen ontwaakte ze. Haar lichaam, haar brood, kraakte van de pijn. Daar zat ze dan, de muze van de zatlappen, de laagste begeerte in vleselijke vorm, met haar schandalige kont op de aluminium bedbank die kaal was en rond aan de randen, waarschijnlijk alleen maar toegespitst op het in de kiem smoren van plots opkomende suïcideneigingen. Hetzelfde gold voor het toilet en de wasbak in de hoek. Wat haar betreft hoefde niemand zich daar zorgen te maken, dat zij zichzelf van het leven zou beroven.
Het verbaasde haar dat er op de deur werd geklopt, en ze stond er nog meer van te kijken dat ze daarop zelf ‘binnen’ zei. Een jongen kwam binnen, zo groen als gras en zo bleek als brie. Ze herkende hem meteen, maar of dat wederzijds was betwijfelde ze. Ze zag er ook niet bepaald op haar best uit. Straks zou ze zich wassen aan de wasbak, besloot ze, de nacht van zich afspoelen. De jongen kwam dichterbij. Ze herinnerde zich zijn bezoek, het moest een week of drie geleden zijn geweest. Zijn geslacht verscheen als vanzelf voor haar geestesoog: het was lang en slank met een opvallende krulling naar beneden – een varkensstaartje. Toen hij klaarkwam, riep hij vrouwennamen die de hare niet waren.
‘Op grond van de ernst van het feit waarvan u verdacht wordt, heeft het de officier van justitie behaagd om uw voorarrest te verlengen’ zei hij nu, terwijl hij een kartonnen bord aan haar voeten zette. Het was brood met een smurrie die, zo te ruiken, voor eiersalade door moest gaan. Ze keek naar het brood, schuin doorgesneden plakken, en kon zich niet voorstellen dat ze dat ooit op zou eten.
‘Kan ik nog een kopje koffie of thee voor u halen? Of wenst u liever water?’
Ze zweeg. Ook nadat de jongen zijn vraag herhaalde, antwoordde ze niet.
‘Goed dan,’ zei hij, en verliet schouderophalend de politiecel.

Twee verdwaasde uren later durfde ze pas aan zichzelf toe te geven dat ze, alhoewel de verlenging van haar voorarrest haar niet verbaasde, toch geschrokken was van het besef nog langer in deze ruimte te moeten vertoeven. Er stond haar weinig anders te doen dan zich te wassen aan de wasbak, dus dat deed ze. Toen ze dat gedaan had, nam ze plaats op de bedbank. Als ze had geloofd, was dit het moment geweest om te gaan bidden. Maar ze meende te weten dat er boven haar louter lucht was. Daarom sloot ze haar ogen en dacht na. Vrijwel meteen weerklonk in haar een kale gil tegen de muren, ze was het zelf. Haar graaiende hand betastte de gordijnen, stootte een lamp van het nachtkastje. Ze probeerde de stropdas beet te pakken, maar dat mislukte. Dit was geen Tarzan meer. Als de man zo doorging, viel er überhaupt niets meer te herinneren. De greep om haar keel doorbrak grenzen, als eerste die van de geilheid en daarna die van de betamelijkheid. Haar borsten dansten een dodendans toen ze opschrok uit een poging zuurstof te zuigen, haar tepels zagen waar haar moeder haar altijd voor had gewaarschuwd. Wat ze zag was geen man meer, het was een monster dat haar overkwam als een ziekte. Wat hij deed was geen spreken meer, het was een gruwelijk hijgen – en niet alleen de huid om zijn geslacht, maar zijn hele vel trok strak als een opgespannen elastiek. Hij murmelde, de vleeslust droop in dikke druppels schuim uit zijn bek. En zij, zij lag daar blauw aan te lopen met haar benen in haar nek en plots was ze het zat. Ze haalde diep adem en deed toen met de grijze man wat ze ook met de pastoor, en al helemaal met de stille witblonde jongen had willen doen. Ze stuwde alle kracht die ze in haar tengere lijfje kon vinden in de richting van haar wijsvingers, en die plaatste ze vervolgens in de beide oogkassen van de grijze man. Meteen verslapte zijn greep om haar keel, heel snel liet hij los. Dat gold niet voor haar. Eén hand legde ze op zijn achterhoofd, en met de andere drukte ze door. Het verbaasde haar dat haar lange, rood met wit gelakte nepnagels vrijwel volledig in de warmte van zijn ogen verdween. Ze keek ernaar als naar een ongeluk op de snelweg. Verschrikkelijk, maar fascinerend.

Voor haar stond nog altijd het schuin doorgesneden brood met de eiersalade die nog intenser rook dan een paar uur geleden. Ze twijfelde kort, maar overwon toen haar weerzin en nam een hap. En daarna nog een, en nog een.
Ten slotte was het brood op.