Categorieën
Fictie

Het been

HET BEEN

Is dat jouw been had hij gevraagd. Nee, dat was het niet. Ik lig toch hier, met opgetrokken knieën aan de rand van het matras? Hij lachte. Toen nog. Totdat ze een aantal keer nee echt niet had gezegd. Ik lig toch hier met mijn benen zei ze en stak ze als bewijs onder de deken uit. Hij sloeg het dekbed open. Hun benen lagen gewoon op de vaste plek. Hij droomde al dacht ze en knipte het lampje uit. Hij kwam er niet op terug.
Is dat jouw been had ze nog nooit horen vragen. Een leuk gegeven, vond ze: moeiteloos kun je zinnen bedenken die je nog nooit hebt uitgesproken of hebt horen uitspreken. De vraag is dit uw paard was haar trouwens wel eerder gesteld, tijdens een wandeling in de duinen. Ze dacht aan het kronkelende pad waarover ze liepen. In de verte een man, een bruin paard. Het leek of ze hen stonden op te wachten. Ook de man keek verwachtingsvol. Toen ze naderbij waren gekomen vroeg hij het. Nee, dat was het niet. Er ontstond geen gesprek. Het paard trappelde even met zijn achterbenen. De man nam hen op, zij keken zwijgend terug. Dat was het. Vreemd had ze gedacht, maar hij zei er niets meer over.
De vraag over het been zou ze niet veel later zelf stellen. In de nacht werd ze wakker toen ze langs haar kuiten voelde strijken. Een prettig gevoel, waarop ze reageerde door met haar hand zijn lichaam te zoeken, maar hij lag veel verderop. Bedlampje aan zat ze rechtop in bed. Ze had heel duidelijk een voet, tenen voelen strelen. Nu was hij ook wakker en overeind, vroeg wat heb je. Was dat jouw been vroeg ze met angst in haar stem. Nee, slaapdronken ben ik niet. Van jezelf kun je dat weten. En er was toch al eerder gedoe met een been in bed? Nee, niet mijn been ik lag gewoon te slapen. Als om het been op heterdaad te kunnen betrappen trok ze het dekbed met een ruk van het bed. Vier benen lagen er, twee aan elke zijde van het matras. Die van hem behaard. Beháárd. Dat was het strelende been niet geweest. Dat was glad en zacht.
Zo begon het. Vanaf daar zouden ze het bed delen met een vijfde been. Niet dat het er altijd was: het kwam en ging onverwacht en bezocht hen allebei. Het was niet onaardig, dat been. De aanraking was liefkozend, aaiend. Bij het ontbijt zeiden ze wat ze die nacht gevoeld hadden. Toen het net begon fluisterend van angst. Alsof een been oren had. Steeds meer werden het bekentenissen, blozend uitgesproken. Vaak overlegden ze hoe ze het te zien konden krijgen. Maar het liet zich niet bekijken, slechts voelen.
De extra ledemaat bracht hen dichter bij elkaar. Ze hadden een geheim samen, iets wat buiten hen niemand anders wist. Want de kwestie buitenshuis bespreken leek onmogelijk en de stap te groot. Het been bracht nieuwe gespreksstof en een liefkozen dat zij nog niet kenden.
Ineens spraken ze bijna alleen nog over het been. Hoe echt was het? Wilde het hen iets zeggen? En waarom moest die boodschap, welke dat ook zijn mocht, op deze manier worden gebracht? Misschien was het wel een gedeeld fantoombeen. Of bestond zoiets evenmin als het been zelf? Ze zochten op internet extra lichaamsdeel fantoombeen droombeen illusie ledemaat ik heb een derde been samen extra been streling nepbeen gevoeld.
In de ban van het been. Dat waren ze, allebei. Maar anders. Het been was voor haar als een goede minnaar, zo zacht als het haar kuiten en knieholten beroerde. De aanwezigheid ervan bleef haar aangenaam verrassen. Dikwijls zei ze tegen hem ik ben moe, zullen we op tijd naar bed gaan? Wil je om hem nu al slapen vroeg hij dan. Maar in haar beleving was het been eerder vrouwelijk. Zo zacht, zo strelend, zo weinig opdringerig. Hoe kun je het vrouwelijk vinden het heeft flinke kuiten en haren overal riep hij verbaasd. Ik denk eerst altijd wat is het lief en zacht voor mij, maar het wordt toch altijd een ruw spel.
Wat van hen samen had geleken was toch niet hetzelfde. Echt onprettig vond hij het stoeien met het been niet, maar vind je niet dat het te veel tussen ons in komt te staan? Maar als we vrijen ben ik alleen met jou, had ze gezegd. En hij: soms twijfel ik of jij het wel helemaal bent. Alsof het been groter is geworden en je hele lichaam wordt. Zij zei meteen ik twijfel nooit. Het been is het been. Het voegt iets toe maar maakt niet kapot wat er was. Maar je lijkt nog maar de helft van wie je was. Ik wil je terug zoals ik je kende, zonder been. Zij wist het niet: of ik nog zo kan zijn. Het zou als een amputatie voelen. Maar hoe vaak ligt het dan bij jou? Dat heb ik jou toch ook nooit gevraagd was daarop haar antwoord geweest.
Hij wilde het niet langer en vond dat het bed weer van hen alleen moest zijn. Het begon zo dat hij ’s nachts het licht aanliet. Even hielp dat, maar uiteindelijk wist het been zich onder de dekens beschermd. Een paar nachten sliepen ze in het logeerbed op zolder, maar het been volgde hen de trappen op. Een geestenuitdrijver liet hij zelfs komen, ten einde raad. Bezwerende formules, gewaden, kaarsen en gongen ten spijt bleef het been hen bezoeken. Toen de bezweerder het huis verliet liep ze hem achterna, vroeg is dit uw kippenpoot. Nooit gedacht dat ze die vraag ooit zou stellen. Ze verzweeg naar hem hoe trots ze was dat het standhield.
Toen begon het schoppen. Zodra hij een aanraking voelde, begon hij als een bezetene van zich af te trappen. Het waren felle confrontaties. Het been gaf zich niet zomaar gewonnen en bestookte hem – niet haar – met frequentere bezoekjes. Soms zocht het even troost bij haar, maar ook zij moest soms een stevige trap verduren. Bij het ontbijt toonde hij haar zijn blauwe schenen. Kijk hier op mijn bovenbeen zelfs een voetafdruk. Zij wendde haar blik dan af. Zo fel is toch niet nodig? Maar hij tolereerde het been eenvoudig niet langer tussen hun lakens. Dus waren er de worstelingen onder de dekens, daarna een omgewoeld bed. Steeds vaker en sneller verliet het been bij zo’n gevecht het bed. Een rilling trok dan over hun lichamen. Voetstappen klonken op de trap.
De strijd duurde lang. Stop er nou mee had ze vaak gezegd. Je doet jezelf te veel pijn. Ze begreep hem wel, maar was zo aan het been gehecht. Meedoen aan de uitroeiing zou verraad zijn. Ze voelde en hoorde het woelen in de nacht, draaide zich om en deed of ze sliep.
Die avond had ze gezegd ik ga alvast naar bed. Op de overloop stapten zijn voeten in iets nats. Ze lag op zijn helft van het bed, mond en ogen open. Hij vroeg ben je nog wakker, maar op zijn vraag kwam niets terug. Daar waar het linkerbeen ontbrak, zag het laken rood van haar bloed.