Categorieën
Fictie

Het Bach-motief

Het is een dag waarop de ochtendnevel blijft hangen – de bomen aan de overkant een potloodschets, de huizen daarachter vage contouren en nog verder weg alles grijs. De wereld is mistiger en ondoorgrondelijker dan ooit.
Daniël staart vanuit zijn kamer op de eerste verdieping van het studentenhuis naar buiten en denkt aan Berlijn, het jeugd muziekconcours dat hij won – de meest veelbelovende Bach interpretatie ooit. Hij staat weer op het podium en buiten die paar vierkante meters is er, net als nu, helemaal niets. Dat er anderen zijn in de zaal leidt hij af uit het geroezemoes, maar gaandeweg het spelen verliest hij ook dat laatste beetje contact. Hij is alleen. Zijn spel wordt er beter door.
Hij speelt een van de partijen uit het concert voor twee violen in D-mineur, Largo Ma Non Tanto. Vanuit de orkestbak wordt hij begeleid; twee violen, vergenoegd spinnend om elkaar heen. Het stuk begint rustig. Noten kringelen omhoog; blindelings vinden zijn vingers de juiste snaren.
De violist in de orkestbak deelt een plaagstootje uit, een syncope, nauwelijks hoorbaar voor een leek, maar voor hem een dissonant. Onmiddellijk is hij alert. En woedend. Ik bepaal het tempo, denkt hij. Niemand anders.
Ze komen bij het middenstuk. Steeds sneller gaat het nu. Alle gedachten anders dan Bach bant hij uit. Leeg moet hij zijn, een gewillig vat voor de muziek. Zijn leven moet eruit en Bach erin. Als een razende glijden zijn vingers over de hals en plotseling heeft hij de juiste toon te pakken. Glaszuiver, haast zichtbaar ontsnapt deze aan zijn viool. Hij stuurt hem de zaal in, wikkelt hem om de tonen uit de orkestbak en haalt voorzichtig aan. Onafscheidelijke tonen worden het, en hij controleert ze. Voorzichtig. Langzaam aanhalen nu. Loslaten en weer aanhalen. In een andere vorm gieten, een andere toonhoogte kiezen. Het moet hoger. Nog hoger. Hij drijft de tonen de hoogte in – een lentebui die boven de toehoorders hangt – en laat los. Een keur aan klankschakering valt over het publiek. Hij stuurt de laatste toon de zaal in en even blijft het stil. Dan, applaus. Een werkelijk ovationeel applaus. Hijgend neemt hij het in ontvangst. De lichten gaan aan. Hij ziet mensen staan, honderden, ze staan en applaudisseren. Verbaasd kijkt hij om zich heen; ze applaudisseren voor hem. Hij heeft werkelijk geen idee, hóe hij het heeft gedaan.
Daniël loopt weg van het raam en opent de gebalde vuist. Zijn vingers strijken het verkreukelde papier glad: het doet ons genoegen u uit te nodigen voor de auditie van violist bij het Concertgebouworkest, met vriendelijke groet, de selectiecommissie. Twee weken geleden ontvangen. Sindsdien hoort hij weer Bach in zijn hoofd. Crescendo, accelerando, fortissimo, voortdurend aanzwellend Bach. Vanmiddag moet hij het laten horen.
Tik, tik, tik. Er wordt op de deur van zijn kamer geklopt. Hij doet open. Zijn benedenbuurvrouw. Onrustig schuifelt ze heen en weer. Ze studeert psychologie. Misschien dat dat haar interesse in hem verklaart.
‘Dag Daniël. Het gaat me natuurlijk niks aan… Je moet het zeggen als het me niks aan gaat hoor. Maar…de hele nacht al hoor ik je spelen. Ik weet dat je druk bent met de auditie. Dus heb ik een ontbijt voor je gemaakt. Niks bijzonders. Jus d’orange, een gekookt eitje en een warm broodje. Een mens moet toch eten. Nou, ik dacht…’
Hij onderbreekt haar. ‘Geef maar.’ Trekt haar het dienblad uit handen.
‘Wat…wat speelde je vannacht?’
Door het raam kijkt hij naar de verstilde wereld buiten, voelt de mist met kille vingers aan hem trekken.
‘Daniël?’
De deur slaat hij met een klap dicht. ‘Dankjewel,’ zegt hij tegen het hout.
Hij zit in het laatste jaar van het conservatorium. De voorafgaande jaren heeft hij met glans doorlopen, behalve dan op het sociale vlak. Hij was altijd al eenzelvig, op het mensenschuwe af. Praten met medeleerlingen doet hij niet. Hij communiceert liever via de muziek. Dat zei zijn moeder altijd, die zijn muzikaal talent van jongs af aan aanmoedigde. Als muziek jouw taal is, beweert zijn psycholoog, mag je niet veronderstellen dat iedereen zomaar noten leest. Hij is het daar niet mee eens, maar houdt die gedachte voor zich. Ze is een muzikaal onbenul.
Hij loopt weg bij de deur en zet het dienblad op tafel. Bij zijn benedenbuurvrouw gaat de radio aan. Nederlandstalige muziek. Verwilderd kijkt hij om zich heen. In zijn oren geen ander geluid dan Bach, niet nu. Al twee weken lang is hij onafgebroken bezig. Aan de muur hangen de recensies van zijn optreden in Berlijn, op de tafel ligt de partituur die hij vanmiddag speelt, in die Kunst der Fuge. Vanaf de tafel kijken de noten hem aan. Snel verfrommelt hij twee hoekjes papier en propt dat in zijn oren.
Hij vertelde de psycholoog van het Bach-motief, de muzikale handtekening die Bach in het stuk verstopte. Hij kon dat doordat de noot B in het Duits H heet, en onze Bes in het Duits B.
‘Waarom doet iemand dat?’ vroeg ze. ‘Zijn eigen naam in muzieknoten verstoppen. IJdelheid? Of een muzikale grap?’
Voor een psycholoog vond hij dat geen sterke vraag. Zo kent hij er ook nog wel een paar. Waarom spuit iemand graffiti? Waarom plaatst Banksy anoniem kunstwerken in publieke ruimtes? Van haar had hij antwoorden verwacht. Bijvoorbeeld dat het goed voor te stellen is dat er vier noten zijn die in hun eenvoud zo verleidelijk resoneren in iemands hoofd, dat het in een klankschaal verandert, totdat het er oorverdovend is. Maar dergelijke antwoorden geeft ze niet. Zijn wekelijkse bezoeken aan haar heeft hij opgeschort. Wie vatte het ook al weer zo treffend samen: “Waarom geld verkwisten aan psychotherapie als je ook kunt luisteren naar Bach?”
Nog zeven uren te gaan. Beneneden schettert de muziek. In vijf passen beent hij de kamer door. Bach is aan het verdwijnen, uit zijn kamer en uit zijn hoofd. Het gevoel wordt zo sterk dat hij zijn handen over de oren slaat. Hardop begint hij de vier noten te neuriën – het Bach-motief, het Bach-motief, het Bach-motief. IJdelheid, noemde de psycholoog het, of een grap, maar dat is het niet. Bach bedoelde wat anders. Maar wat? Het antwoord zweeft aan de rand van zijn bewustzijn. Als hij het probeert te vatten is het weg.
Dichter bij Bach moet hij zijn.
Ineens weet hij wat hij moet doen.
Hij trekt zijn zwarte duffel aan en zet de kraag hoog op. De mist buiten hangt er nog. Het plaveisel is nat. Even voorbij de brug rijden veegwagens, de zwaailichten aan. ’s Ochtends ruikt de stad op zijn best.
Via de Albert Cuypmarkt loopt hij naar het Museumkwartier. Een tram rinkelt als hij oversteekt. Flarden mist schuiven tussen hem en het gebouw, onverlicht en angstvallig hoog. Een man, rokend bij de ingang, kijkt in zijn richting en draait zich weer om. Verder toont niemand belangstelling.
Hij grijpt de regenpijp, zwaait een voet op de vensterbank en begint te klimmen. Na enkele meters blijft zijn been haken achter prikkeldraad, bedoeld om duiven af te schrikken. Een doornenkroon om een hemelwaterafvoer, wie verzint er zoiets. Geïrriteerd schudt hij het been los en klimt verder.
Hij is al tien minuten aan het klimmen – de muur heeft hij allang beslecht, over de dakpannen klautert hij nu – als de lier van het concertgebouw in zijn blikveld verschijnt. Van dichtbij ziet het ding er onverwacht plomp uit. Hij klimt verder, tot de nok van het dak; vanaf hier kan het alleen maar bergafwaarts gaan. Zijn handen raken de lier. Het vergulde goud laat los, bladdert af, verkruimelt. Hoe oud is de lier? Hoe oud is dit gebouw? Hoeveel muziek is hier wel niet gespeeld?
Terwijl in het oosten door de mist het zilveren zonlicht gloort, kijkt hij uit over de daken van Amsterdam en ziet rookspiralen opstijgen. Hij haalt diep adem, totdat hij licht wordt in zijn hoofd, en denkt aan alle muziek ooit in dit gebouw gespeeld. Zacht neuriet hij mee. Nog nooit heeft Bach zo prachtig geklonken. Vanmiddag laat hij het horen.