Categorieën
Fictie

Herkenning

Ik was 78 jaar oud en geloofde niet in wonderen. Of moet ik zeggen: ik geloofde niet meer in wonderen? Nee, eigenlijk had ik nooit in wonderen geloofd. Maar goed, ik was dus 78 jaar oud en de wereld leek totaal gek geworden, van de pot gerukt, zoals mijn eigen moeder dat zou zeggen. Er was een pandemie uitgebroken en iedereen – panisch voor ziekte en dood – ontliep elkaar. We mochten geen contact met elkaar hebben, moesten afstand houden en wat nog erger was, we werden door de overheid geacht om mondkapjes te dragen om elkaar niet te besmetten. Niet te besmetten… Ik deed al jaren mijn best om niet besmet te worden met de waanzin van deze wereld. Maar doordat het virus nu ook in het straatbeeld te zien was, leek het wel een dystopische horrorfilm.

En eerlijk, dat gebrek aan contact maakte me niet veel uit. Ik had me ruim veertig jaar eerder al uit het openbare leven teruggetrokken. Ik hoefde, nee wílde helemaal geen contact. Dat mensen afstand moesten houden, dat vond ik zelfs een weelde. Hoe vaak ergerde ik me niet aan mensen die niet goed uitkeken en binnen mijn zone kwamen. Oké, ik geef toe, misschien dat mijn zone iets groter is dan bij de meeste mensen, maar laten we zeggen: anderhalve meter kwam me goed uit. Het was bovendien ver genoeg om elkaar niet te ruiken, want oh, die mensen met hun vreselijke luchten. Zwetende mannen, moeders met baby’s die naar klodders babypap of melk roken, jongeren met hun testosteron en die vervloekte energiedrankjes waar ik bijna van moest overgeven. Nee, ik ging alleen de straat op als het echt niet anders kon, ik vermeed andere mensen zoveel als mogelijk was. Wat dat betreft was de pandemie een zegen voor me. Ik snapte ook alle commotie niet zo. Ik was 78 jaar oud, als het mijn tijd was, dan was het mijn tijd. Waarom accepteren mensen dat niet en willen ze koste wat het kost maar in leven blijven met hun plaspillen, bloedverdunners, steunkousen en zelfs een corona-vaccin voor mensen van negentig plus? Ze hebben hun bijdrage geleverd, ze hebben genoeg achtergelaten met hun kinderen, die ook alweer kinderen hebben die ook alweer kinderen hebben en allemaal putten ze de aarde uit met hun prullaria uit China, hun plastic flesjes die ze achteloos naast de weg smijten en auto’s waarmee ze het het ecosysteem kapot rijden. Op een bepaald moment is het gewoon genoeg. Dan ga je dood. Dat hoort zo.

Nee, ik had het niet erg gevonden als dat verdomde corona alle adem uit me zou persen en het voorbij zou zijn. Maar als je daarvoor met mensen moest knuffelen, nee dan liever niet. Ik had in mijn jonge jaren geleerd hoe mensen zijn, hoe ze elkaar de hemel in kunnen prijzen, maar met hetzelfde gemak de grond instampen om je voorgoed te verpletteren. Behalve dan dat ik niet helemaal verpletterd was. Maar wel gehard.

Maar goed, ik moest toch af en toe de deur uit voor m’n dagelijkse boodschapjes en natuurlijk m’n sigaretjes. Wat moet je anders doen als je de hele dag thuis zit? Ik had dertig jaar als een heilige geleefd op blaadjes sla, olijven en de meest walgelijke vruchtensappen. En wat had het me opgeleverd? Daarom besloot ik alsnog om me te wagen aan alle dingen die God verboden heeft: sigaretten, wijn en vet.

Ik liep dus regelmatig even naar de supermarkt. Ook een beetje voor m’n hond, Poesjkin. Het beestje was al oud, het was voldoende dat hij af en toe in de tuin slenterde om z’n behoefte te doen, maar toch nam ik hem altijd mee naar de supermarkt. Dan zag hij nog eens een vogeltje of een poes waar hij dan enthousiast achteraan drentelde zonder dat hij de dieren alleen al schrik aanjoeg, want hij redde het maar net tot de supermarkt met die bejaarde, kleine pootjes van hem.

Die dag dat ik naar de supermarkt ging deed ik mijn donkerpaarse pumps aan. Hoewel ik me niet meer bezighoudt met calorieën tellen en bovendien praktisch de ganse dag op de bank zit, ben ik nog steeds gezegend met een slank lichaam. Dus maakte ik me mooi voor mijn wandeling. Want ik ga niet vaak naar buiten, maar als ik me buiten vertoon zullen ze weten dát ik er loop. Mijn haar was opgestoken, dat deed ik eigenlijk elke dag. Ik houd niet van plukken haar in m’n gezicht, maar ik houd wel van stijl. Dus kort haar, hou op, dat vind ik een gruwel. Net als die broeken die vrouwen tegenwoordig aan hebben, alsof ze hetzelfde zijn als die horken van het andere geslacht met hun boeren en scheten, die in de modder en in het vuil werken. Alsof ze hetzelfde zijn, maar dan voor minder salaris en met een glazen plafond. Nee, die emancipatie heb ik nooit echt begrepen. Het is niet voor niks dat God de vrouw zo mooi heeft gemaakt en de man zo lelijk.

Dus op mijn pumps, met mijn waanzinnige parfum en mijn lekker warme bontjas, toog ik die dag naar de supermarkt. Sinds de pandemie was uitgebroken, vond ik het leuk tegen de stroom in te lopen en het andere mensen op straat zo moeilijk mogelijk te maken. Ik kon er erg van genieten als mensen dan half over een gemeentebosje hingen om maar anderhalve meter van me verwijderd te zijn. En met zo’n bontjas lijk je toch al gauw een centimeter of vijftig dikker, dus is het nog lastig voor mensen om afstand tot me te bewaren. Als blikken konden doden… Maar ja, ik hou er wel van om mensen een beetje te ontregelen. Je moet het leven toch een beetje leuk maken, nietwaar?

Nadat ik Poesjkin half de stoep had overgetrokken, omdat hij zelf dacht nog in slaap te zijn, bond ik hem vast voor de schuifdeuren en liep ik de supermarkt in. Met mijn mondkapje. Ik ben te chique om door een stel snotapen in agentenpakjes de winkel uitgedragen te worden, dus ik hield me maar aan de regels.

Op het moment dat ik alles had gepakt, liep ik naar de kassa van mijn favoriete cassière, een immer mopperende vrouw met een verrookte stem waar ik altijd bij in de rij ging staan. Wij rokers moeten elkaar steunen en wij mopperaars al helemaal. Tegenwoordig is het modern om positief te zijn en niet meer te mopperen. Maar hierdoor heb je ook geen protest en verzet meer en dan kan het dus maar zo gebeuren dat een land hermetisch wordt afgesloten, de economie wordt geruïneerd en de samenleving kapot gaat, zonder dat iemand er over klaagt. Allemaal om een paar half seniele graftakken te beschermen, terwijl ze de staatskas leeg slurpen aan medische kosten en AOW.

Enfin, ik had net mijn boodschappen ingeladen en afgerekend, toen ik ineens een bekend gezicht zag. Nu zag ik wel vaker een bekend gezicht, maar het gezicht dat ik toen zag, was bekender dan al die andere gezichten. Dit specifieke gezicht had ik van dichtbij gezien. Hier had ik minuten-, soms urenlang naar zitten kijken, gewoon om te zien hoe mooi het was. Minstens vijftig jaar geleden.

Dit was William.

Ik keek naar dat gezicht, dat inmiddels net zo gerimpeld was als het mijne, terwijl hij even verbaasd terugkeek. “Marie-Louise!”, riep hij ineens uit. Ik werd week van het horen van mijn oude naam, ik gebruikte die al jaren niet meer. “William, hoe op aarde is het mogelijk dat ik jou hier tref?” Ik liep naar hem toe en gaf hem een stevige omhelzing. Pas nadat we enige tijd omarmd hadden gestaan, realiseerde ik me dat ik iets ‘onwettigs’ deed door een vreemde te knuffelen. Maar dit was geen vreemde, dit was het buurjochie waarmee ik samen opgroeide, de jongen die mijn hart had gestolen toen ik nog mooi en jong en veelbelovend was. Toen ik balletten danste over de hele wereld. Dit was de man met wie ik oud was geworden als ik niet continu naar godvergeten oorden had gemoeten om op te treden. Dit was mijn muze, mijn soulmate die ik in een lade in mijn hoofd had gestopt om te vergeten wat had kunnen zijn, als ik niet zo stom was geweest om m’n danscarrière belangrijker te vinden dan de liefde.

Dit was het moment dat ik zeker wist dat wonderen bestonden.

Nadat ik hem losliet om weer naar zijn gezicht te kijken, kwam er gehaast een dame aanlopen die totaal rood was aangelopen. “Het spijt me vreselijk, mevrouw”, zei ze haastig. “Hij is vreselijk in de war, ik dacht ik neem hem eens mee naar buiten, maar zie wat er van komt, het spijt me ontzettend.” Toen ik William gadesloeg, zag ik dat hij verbaast naar de vrouw tuurde, alsof hij haar niet kende. Toen keek hij naar mij en leek ik ook een vreemde. Ze pakte zijn hand en samen liepen ze de winkel uit. Ik staarde hem na. En hij keek niet één keer om.