Categorieën
Fictie

Heel koud

Heel koud
‘Ach, dat arme kind sterft van de kou!’ Mama heeft de beentjes van Noa vastgepakt. ‘Doe snel een dekentje over hem heen!’ Noa is mijn broertje. We hebben hem nu een paar maanden, denk ik. Ik weet niet precies hoe lang dat is, een maand. Mensen vragen altijd aan mama hoe oud Noa is. En dan zegt mama elke keer iets anders. Dat moet ook wel, heeft ze tegen mij gezegd, want de tijd blijft nooit stilstaan. Meestal vragen de mensen dan nog meer aan mama en mama antwoordt. En ik sta daar maar. Met één hand hou ik de kinderwagen vast. Af en toe kijk ik omhoog naar mama of de andere mensen. Maar ze kijken niet naar mij. Ze kijken alleen naar elkaar of naar de kinderwagen. Voordat Noa er was, keken ze wel altijd naar mij. En ze praatten tegen mij: ‘Oh wat ben je al groot!’ Of: ‘Wat een mooie fiets heb jij!’ Maar nu lijk ik wel onzichtbaar, ook al ben ik al zo groot. Als de mensen weer weglopen, zeggen ze altijd tegen mama: ‘Nou, geniet ervan, hè!’ Want omdat de tijd nooit stilstaat, wordt Noa net zo groot als ik. En dan kijken de mensen ook niet meer naar hem.
‘Wat betekent sterft?’ vraag ik. Papa heeft een dekentje onder uit de kinderwagen gepakt en is bezig om Noa ermee in te pakken. Dat is niet makkelijk, want Noa trappelt met zijn beentjes.
‘Dat betekent doodgaan,’ zegt mama.
‘Kun je doodgaan als je het koud hebt?’ vraag ik.
‘Ja, maar Noa gaat niet dood hoor, want die heeft nu een lekker dekentje over zich heen.’
‘Maar toen ik die sneeuwpop maakte, toen had ik echt heel koude handen. Ik kon bijna niet meer zo doen’, en ik doe mijn handen open en dicht en open en dicht, ‘was ik toen bijna dood?’
‘Welnee, gekkie!’
De hond van de buurvrouw was wel doodgegaan. Niet omdat hij het koud had, maar omdat hij oud was. Vijftien jaar. Papa en mama zijn veel ouder dan die hond, maar toch zijn ze niet dood. Papa heeft verteld dat dat komt doordat hondenjaren niet hetzelfde zijn als mensenjaren. En dat vijftien jaar voor een hond dus heel oud is. Gelukkig is dat voor een mens niet oud, want anders waren papa en mama allang dood. En wie had er dan een dekentje over Noa heen moeten doen?
We zijn op vakantie. Toen ik vanochtend beneden kwam, stonden er allemaal koffers en tassen en een soort speelgoedkisten in de woonkamer. Ik zeg ‘een soort speelgoedkisten’, want ze leken op mijn speelgoedkisten, alleen zat er dan geen speelgoed in, maar brood en beleg en koekjes en chips. En ook gek was, dat ik juist mijn fijnste speelgoed, een puzzel, een kleurboek en mijn popje met haar kinderwagen, niet kon vinden. ‘Dat hebben we al ingepakt, lieverd’, zei mama, ‘We gaan op vakantie, even een paar nachtjes weg met z’n viertjes.’
Het is leuk op vakantie. Er is een grote binnenspeeltuin waar het heel heet is en ik in mijn eentje moet spelen, want Noa is nog te klein om met me mee te gaan. Mama moet bij hem blijven. En dan blijft papa daar ook maar. ‘Voor de gezelligheid,’ zegt hij. Dat snap ik wel, want mama kan met Noa niet echt praten en papa en mama zijn ook wel een beetje te groot om in het klimtoestel te gaan. Daar moet je door gangetjes kruipen en soms een stukje klimmen en tussen allemaal draaiende dingen door. En dan ineens, als je aan de zijkant bent waar een net zit, kun je zien hoe hoog je al zit. Papa en mama zien mij niet. Ik zwaai al een hele tijd, maar ze kijken niet omhoog. Ze horen me ook niet roepen, want er zijn teveel andere gillende kinderen. Helemaal boven in de klimtoren is het nog heter dan beneden. Het is zo heet dat ik mijn vestje uitdoe en omdat ik heel lang daar boven zit en fijn naar beneden kijk naar alle mensen die daar zitten te praten en koffie te drinken en kinderen die daar rennen en gillen en huilen, denk ik er niet aan om mijn vestje weer aan te doen als ik naar beneden ga.
Als we naar buiten gaan, wil ik eigenlijk mijn jas niet aan, want ik zweet nog steeds. Maar het moet van mama. ‘Het is buiten hartstikke koud! Straks bevries je!’ zegt ze, terwijl ze mijn jas voor me heen en weer schudt. Ik kijk omhoog, zodat ik haar ogen kan zien. Ze kijkt een beetje boos. ‘Echt?’ vraag ik. ‘Wat, “echt”?’ nu staan haar ogen niet meer boos, maar een beetje verbaasd. ‘Bevries ik dan echt?’ vraag ik nog een keer. ‘Nee, je bevriest niet echt’, zegt ze, ‘Ik bedoel dat je het heel koud gaat krijgen als je geen jas aan doet.’ Papa is bezig Noa zijn jas aan te doen. ‘En je wordt ziek zonder jas, want het is onder nul,’ zegt hij, zonder me aan te kijken. Ik zucht en pak de jas. Mijn armen plakken een beetje, dus de jas gaat niet zo makkelijk aan.
Als ik in het huisje mijn jas uit doe, zie ik dat er iets is misgegaan: ik heb mijn vestje niet aan. ‘Mama, mijn vestje!”, zeg ik met een rood hoofd, ‘Het ligt nog in dat klimding.’ Mama maakt met haar keel en geluid dat een beetje lijkt op ‘ggg’. ‘Nou ja, jammer dan. Dat kunnen we morgen hopelijk wel weer ophalen.’
‘Oh, moet je kijken!’ roept papa ineens, ‘Er zit een eekhoorntje in de boom vlak bij ons huisje!’ ‘Waar?’ roep ik en ik ren naar het grote raam. Het is een gek raam, want het loopt van het plafond helemaal tot aan de grond. Het is nog groter dan een deur. Als ik een tekening van een huis maak, dan let ik altijd goed op of de ramen wel kleiner zijn dan de deuren. Maar dat hoeft dus eigenlijk niet. Ik zie het eekhoorntje niet meteen, maar papa blijft wijzen en als het diertje van de boomstam naar de grond springt, zie ik hem ook. Papa pakt de voederpinda’s uit de keuken. Dit gekke raam kun je openschuiven als je heel sterk bent, dus papa maakt een klein kiertje. Hij pakt wat pinda’s en gooit ze naar buiten. ‘Kom,’ zegt hij. Ik krijg een paar pinda’s in mijn hand en mag die naar buiten steken. Het eekhoorntje komt steeds een beetje dichterbij. Die staart ziet er zo zacht uit! Waarom zijn eekhoorntjes eigenlijk geen huisdieren? Ze zijn veel leuker dan honden. Mama had gelijk, als het zo koud is bevriest een blote arm buiten. De wind kan zelfs door deze kier naar binnen komen en ik bibber, ook al is alleen mijn hand en een klein stukje van mijn arm buiten. Ik hoop dat de eekhoorn snel uit mijn hand komt eten. Ik ga een beetje anders ga zitten, zodat ik minder wind tegen me aan krijg, maar daarvan schrikt de eekhoorn en hij rent weg.
Na het avondeten moeten Noa en ik naar bed. Thuis hebben we ieder onze eigen kamer, maar nu niet. Noa en ik mogen samen op een kamer. Hij slaapt in een soort ledikant, net als thuis, maar dan één niet met van die plankjes, maar met een soort stof waar je wel een beetje, maar niet heel goed, doorheen kunt kijken. In de kamer staan ook twee bedden. Ik mag in één van die bedden, want ik ben al best groot. Dat andere bed blijft leeg, want papa en mama gaan in een andere kamer slapen. Nu nog niet, want nu kijken ze nog tv. Die staat hard. Misschien zodat ze Noa niet hoeven te horen. Net was het heel leuk, toen speelden we samen kiekeboe, maar mama kwam vragen of het wat zachter kon. En toen moest Noa huilen. Eerst dacht ik dat hij niet snapte waarom we moesten stoppen met kiekeboe spelen, maar hij huilt nu nog steeds. Misschien heeft hij het koud. ‘Noa, heb je het koud?’ vraag ik, terwijl ik over het randje van het ledikant kijk. Noa antwoordt met nog meer gehuil. Straks sterft hij van de kou. En papa en mama komen maar niet om hem te helpen. Gelukkig ben ik er en zijn er extra dekens in de kamer. Ik glip uit bed, pak de deken van het andere bed en leg hem over Noa heen. Hij is even stil, maar huilt dan weer verder. Hij heeft het nog steeds koud. In de kast liggen nog meer dekens. Ik pak ze allemaal en leg ze over Noa heen. En alle kussens voor de zekerheid ook. Het gehuil klinkt al zachter. Gelukkig maar. Eindelijk kan ik ook slapen.
Ineens schrik ik wakker. Mama heeft het licht aan gedaan en staat te gillen naast Noa’s bedje, terwijl ze alle kussens en dekens eruit smijt. ‘Mamamamamama! Hij sterfte van de kou!’ roep ik, maar ze luistert niet.