Categorieën
Fictie

Hautacam

Iemand wreef met een pluim onder mijn neus. ‘Huh’. Duw laken weg, sprong uit bed, bijna uitgegleden, toch net niet. Hoofd links, rechts. Niemand. ‘Godverdomme.’

Ze eiste dat ik haar nog een keer nam voor ze onder de douche zou verdwijnen. ‘Fuck me Tarzan, vannacht lukte het anders wel.’ Tarzan? Ik was niet gespierd, niet bonkig, eerder een klimmer. Maar had wel langer haar en een baard van enkele dagen. Bovendien was de hotelkamer echt een jungle. Vandaar misschien. Ik schonk haar een grijns.

Was ik opnieuw op een pornoset? Of waar had ik deze griet ook alweer opgescharreld?

Ze ging een paar keer op en neer maar besefte snel dat het hopeloos was. Even hopeloos als in die rit op Hautacam… Ik kreeg wel meer flashbacks naar toen ik nog met twee vingers in de neus door het profpeloton raasde. Zonder veel vrienden te maken trouwens. Koersen deed ik voor mezelf. Puur en onversneden, met als gevolg dat mijn gezondheid er stevig onder te lijden had. Mijn actieve carrière ligt al enkele jaren achter mij. Maar het piekeren is nooit gestopt. Misschien omdat mijn rugzak vol zit. Vol verhalen die ik aan niemand kan of mag vertellen.

Ik was een golden boy. Had alles om een boss te worden in het peloton. Alleen de verkeerde Italiaan tegengekomen. Dozijnen hotelkamers in evenveel landen waar de bloedzak wordt afgegeven door iemand die ik niet ken. Iemand die voor The Doc werkt. In elke hotelkamer dezelfde handeling: schilderijtje van de muur, bloedzak aan de haak en een kwartier later was de klus geklaard. Op dat moment telde enkel de roes. Draadloze hoofdtelefoon op, trancemuziek voluit, zweven en overtappen maar.

Iedereen kreeg van The Doc een schuilnaam en een nummer, ik was Hautacam en kreeg het nummer 1560. Op 1.560 meter ligt de streep op die Pyreneeënbeklimming die onder andere door Riis en Armstrong werd bedwongen op epo. Niet de top van de berg overigens, die ligt met de Col de Tramassel vier haardspeldbochten verder. Daar is de Tour nog nooit geweest. En ik ook niet, maar dat hebben ze me in een village de départ een keer in mijn nek gekletst. Zo’n dingen schijn ik dan te onthouden. Nutteloze weetjes.

Het was wel mijn favoriete klim, al kwam ik er niet als eerste boven. Je kan het skistation maar langs één kant bereiken, via het gehucht Argelés Gazost. Iets wat me ook in het leven op dat moment sterk maakte; geen omwegen, één weg recht naar het doel. Al is het tweede deel van de klim duidelijk steiler dan het eerste. Maar dat weet je op voorhand. Mentaal bereid je je daar op voor. Dertien kilometer en zeshonderd meter weggelegd voor de rasklimmers. Mijn bijnaam in het boekje van de groezelige arts werd het omdat ik erover durfde opscheppen dat ik er ooit als eerste boven zou komen. Bovendien vond ik Hautacam ook wel grappig klinken. Hautacam, Ootekam, Houten Kam, Harde Zak, Slappe Lul.

The Doc sprak zelfs geen Engels, enkel Italiano, mijn makelaar bracht me met hem in contact. Ze gingen elk jaar samen skiën. Wat volgde was een lange lijst met Dynepo, de voorgevulde spuiten met pijnstiller Diprofos, baxters met water, slaappillen en bergen amfetamines. Ik volgde het lijstje, in mijn eentje. Mijn dieet werd het smalend genoemd. Brol, bucht, gifcocktails, dat waren het. Maar lekkere. Geen enkele moeite in ritten van 200 kilometer per dag. Goede benen: altijd. Hautacam leefde met zijn hoofd tussen de wolken, berg op, berg af.

Op een nacht was ik laveloos en nam ik toch de wagen. De lasers in de dancing maakten me blind, alweer die roezige trancemuziek. Vrouwen kwamen me hun borsten aanbieden, likten aan mijn oorlellen, graaiden in mijn broek, staken hun vinger in mijn kont. En plots was er de vangrail. Op de middenberm. De groene laserflashes, de Oekrainse met het rode haar, de Rwandese met het paarse haar en het tijgerbroekje. De blonde Duitse met diepblauwe ogen en valse wimpers. Ze hijgde, kreunde in mijn oor, van het genot, de pijn. Pats, tegen de boom aan de overkant.

Doping en vrouwen zorgden voor een gevoel van onoverwinnelijkheid. Cortisonen; dieper gaan in een wedstrijd en je vermagert ervan. Ik kon alles aan, stond op het hoogste schavotje in de clubs achteraf. Ook sloten vodka.

Het duurde tot het ongeval. Toen vonden ze al die dingen die niet mochten in mijn bloed en werd ik geschorst. Het was snel duidelijk. In de gunst van de goden zou ik niet meer komen. Het was eerder aftellen, tussen kilo’s coke en Oostblokhoeren. Die werden lekker razend als je hen uitschold. Of overdreven hard aan hun haren trok. Mijn ploeg betaalde me correct uit. Ik tekende om te zwijgen. Over alles.

Mijn gezicht was nat, de airco zoemde. Ik ging met mijn vingers over mijn voorhoofd en rook eraan. ‘Die hoer heeft op me gezeikt!’ Ik graaide molenwiekend om me heen. Ze had mijn voet aan de bedspijl vastgemaakt met mijn broeksriem. Mijn portefeuille lag bij de deur, open, en waarschijnlijk ook helemaal leeg. ‘Er zat verdomme 5.000 euro in.’

Wat ik voelde was complete onmacht. Uit pure razernij wrong ik mijn voet uit de omklemming en sneed me daarbij. Het kon me helemaal niets schelen. ‘Kom maar op! Niemand bindt mij vast en steelt van mij’, riep ik tegen mijn spiegelbeeld in de badkamer. Een schaduw. Geritsel. Ik zag het niet zo goed, vanuit een ooghoek. Was dat mijn ex-manager die een pistool op me richtte?