Categorieën
Fictie

Hans/Habib

Onder het afdak van het casino maakt Habib zich breed in zijn donkergrijze pak. Op zijn borst is met zilverdraad een grote ‘V’ geborduurd. Zijn collega’s binnen, die rode uniformen met gouden strepen dragen, noemen hem ook wel de uitsmijter. Hij heeft zich laten vertellen dat diezelfde term gebruikt wordt voor spiegeleieren op brood met kaas en ham. Habib begrijpt niet wat hij gemeen heeft met een ontbijtgerecht, maar houdt daarover wijselijk zijn mond. Hij wil de Nederlandse taal niet bekritiseren, want kritiek wordt vaak als belediging gezien. En een belediging is geen goed begin als je erbij wilt horen.
Achter hem zoeven de schuifdeuren open. Het nieuwe meisje van de roulettetafel houdt een paar passen naast hem stil. De knipperende blauwe casinoletters reflecteren op haar donkere vlecht, die Habib herinnert aan zijn vrouw. Aan de liefde van zijn leven die niet begrijpt waarom ze nog steeds niet zijn herenigd. ‘Het is druk,’ zegt de IND, en daar moeten ze het dan maar mee doen.
Het roulettemeisje peutert een sigaret uit haar pakje Camel en tast tevergeefs in haar zakken. Habib rookt niet, maar draagt steevast twee aanstekers met zich mee. Een zwarte met vlammen voor de masculiene mannen en een blauwe met tulpen voor de vrouwelijke persoon. In de krant zag hij foto’s van diezelfde bloemen. Daar bloeien nu verderop velden van. Habib zou daar graag eens naartoe gaan zodra zijn gezin hier is. Hij stapt op het roulettemeisje af met de bebloemde aansteker. Zijn vrije arm klemt hij tegen zijn onderrug terwijl hij een diepe buiging maakt zoals butlers doen. Ze deinst achteruit.
‘Sorry,’ zegt Habib vlug. Hij weet dat zijn brede bouw imponerend kan zijn, net als zijn zwarte baard en borstelige wenkbrauwen die zijn wimpers raken. ‘Ik wil je dit lenen.’ Hij probeert goed te ar-ti-cu-ler-en, zoals zijn leraar Nederlands hem leerde.
Met een flauwe glimlach pakt het roulettemeisje de aansteker aan. Ze steekt haar sigaret op, zucht de rook tussen haar lippen door.
‘Moeilijke avond?’ vraagt Habib terwijl hij de aansteker weer in zijn zak laat glijden.
‘Laat gemaakt gisternacht.’ Ze wrijft over haar slaap. ‘Je kent het wel.’
Habib knikt alsof hij vrienden heeft met wie hij het laat kan maken.
‘Ik ben Hans.’ Hij steekt zijn hand uit.
Het roulettemeisje lacht.
‘Hans?’
Hij maakt een grapje, natuurlijk, maar hoort zijn eigen naam hier ook liever niet uitgesproken. Habib betekent geliefd in het Arabisch, een gevoel dat hij in Nederland niet kent.
‘Oké dan, Hans.’ Haar dunne vingers schudden zijn grote hand. ‘Ik ben-’
‘Pleunie!’ klinkt de stem van de manager achter hen. ‘Kom op man, het is zaterdagavond.’
Terwijl ze zich naar binnen haast, staart Habib naar haar sigaret die uitdooft op de tegels.

De zomertijd is ingegaan en Habibs collega’s zweten in hun rode jasjes en spreken van een hittegolf. Habib vindt het niet heet maar wel anders warm dan thuis. Daar was het zelfs met veertig graden niet zo drukkend geweest. Of je nou in de oude stad was, met haar smalle ongelijke straten en panden die slechts één verdieping hoog waren; of in de het nieuwe Aleppo waar statige gebouwen opgetrokken waren uit helderwit Syrisch steen. Overal hing frisheid in de lucht, gesterkt door de aroma’s van jasmijn, granaatappel, mandarijn.
Voorzichtig steekt hij zijn opgevouwen colbert in het grote vak van zijn rugtas. Hij moet nog een stuk lopen naar huis, helemaal op Zuid. Terwijl hij de hengsels over zijn schouders schuift, ziet hij een meisje uit de kroeg strompelen. Pas als ze bij haar fiets staat, herkent Habib haar. Hangend over haar zadel, steekt ze haar sleutel een aantal keer naast het slot.
‘Pleunie!’ Hij rent naar haar toe. ‘Pleunie, gaat het?’
Ze kijkt hem nietszeggend aan vanonder zware oogleden. Een weeïge walm van sterke drank hangt om haar heen.
‘Kom maar.’ Hij trekt haar omhoog, strijkt geruststellend met zijn wijsvinger over haar wang die plakkerig is zoals je huid kon voelen als je op een pistacheveld was geweest. ‘Ik loop jou naar huis.’
‘Hé!’ klinkt er vanaf het terras van de kroeg. Een jongen met een lichtblauw overhemd rent op hem af, met in zijn kielzog vijf andere overhemden.
‘Wat ben je aan het doen?’
‘Geen probleem.’ Habib schudt zijn hoofd, zijn krullen dansen tegen zijn slapen. ‘Ik ken haar.’ Hij legt Pleunies arm om zich heen.
‘Laat haar los man.’ Een jongen met een haar vol gel komt zo dichtbij staan dat Habib zijn schrale bieradem ruikt.
Habib probeert oogcontact met Pleunie te maken.
‘Oprotten, zei ik toch.’ Hij staat nu met zijn borst tegen Habibs schouder aan.
‘Ik ben het, Hans,’ probeert hij nog, maar ze schudt zich los en duwt hem krachteloos van zich af.
‘Hans?’ bralt het gelhoofd in zijn oor.
Tussen de schaterlachende gezichten die hem omringen ziet hij Pleunie steun zoekend bij de gevels verder gaan. Hij wil haar volgen, hij wil haar helpen, maar het blauwe overhemd pakt zijn bovenarm.
‘Hans! Hans!’ Dus je bent ook nog een leugenaar?’ Zijn nagels prikken door Habibs overhemd heen.
‘Nee, ik ben…’
Hij grijpt naar zijn borst om het zilveren embleem aan te wijzen, maar daar mist het colbert met de ‘V’ van veiligheid.
‘Gaan we het volkslied zingen?’ De jongen legt zijn eigen hand ook op zijn borst.
‘Alsof die gozer dat kent,’ gnuift het gelhoofd.
‘Ik kan drie delen,’ zegt Habib, nu geïrriteerd.
Hij heeft het allemaal uit zijn hoofd geleerd. Het Duitsen bloed en den Koning van Hispanje, maar ook dat de totale oppervlakte hier eenenveertigduizendvijfhonderddrieënveertig kilometer is, waarop ruim zeventien miljoen mensen wonen met tweeëntwintig miljoen fietsen. De feiten van zijn nieuwe land, hij kent ze allemaal. Maar nergens heeft hij kunnen vinden hoe hij bewijst aan haar inwoners dat er niets engs aan hem is.
‘Misschien moeten we hem laten,’ zegt een jongen met volle lippen en een lijzige stem.
‘Ja,’ roept Habib uit, boos en opgelucht.
‘Zodat hij morgen weer iemand anders lastig valt?’ Het blauwe overhemd verheft zijn stem. ‘Wil je dat?’
Habib zet een stap naar achteren, maar de jongens verkleinen hun kring om hem heen. Dus laat hij zijn rugzak van zijn schouder glijden, opent het grote vak, voelt zijn colbert.
‘Kijk ik ben… Ik wil alleen…’ Het blauwe overhemd grist de tas uit zijn handen en smijt hem tegen de fiets.
‘Jij hebt niets te willen als je met je tengels aan onze meisjes zit, vuile Turk.’
Turk? Nog voordat Habib kan reageren, krijgt hij een klap op zijn achterhoofd. Hij wil zich omdraaien maar het gelhoofd stompt in zijn maag. Habib recht zijn rug, balt zijn vuisten voor zijn gezicht, maar blijft dan als bevroren staan. Wat zal er gebeuren als hij vecht zonder zijn uniform? Wie zullen ze geloven? Nog een vuist in zijn maag. Habib laat zijn armen zakken. Een knie op zijn kaak. Een trap tegen zijn rug.
Hij valt.
Zijn wang schuurt over de tegels die nog warm zijn van de zon die allang is ondergegaan. Hij trekt zijn knieën op en vouwt zijn armen om zijn hoofd. Een schoen in zijn zij. Habib hapt naar adem. Uit zijn mond ontsnapt een gil die niet van hem lijkt te zijn. De overhemden lachen honend als hyena’s. Een schop tegen zijn slaap. Het gespot echoot verder van hem vandaan, een luchtalarm zwelt aan. Een ruk aan zijn haar en aan zijn kraag. In de verte trekt een scooter op of scheert een vliegtuig over, te laag veel te laag. Een vuist in zijn maag. Vallende mortieren fluiten, een gebouw stort bulderend ineen tot puin, en de muren van zijn huis trillen alsof de aarde openscheurt en gromt en woelt en spuwt. Hij krijgt een schop tegen zijn bovenbeen. En één in zijn kruis. Stekende tintelingen schieten in zijn buik. Zijn dochter huilt hysterisch, ze moet nog boven zijn, kogels ratelen dichterbij. Een trap op zijn schouder. Een zool tegen zijn oor. Gepiep. Alarm, alarm. Hij moet opstaan, naar boven gaan. Zijn vrouw, waar is zijn vrouw? Hij richt zich op maar iemand trapt zijn gestrekte arm onder hem vandaan. Zijn achterhoofd klapt op de tegels. Onder zijn krullen knapt iets. En de gebouwen en gezichten verdwijnen in de hemel die dichtslibt in een stroperig zwart niets.

Onder het afdak van het casino trekt Habib zijn donkergrijze colbert recht. Nachtvorst maakt kristallen in de plassen op straat. Als zijn dochter komt zal hij een muts voor haar kopen, maar hij heeft haar dat nog niet kunnen vertellen want de telefoontjes van zijn vrouw zijn gestopt. Ze gelooft niet meer dat zij uiteindelijk ook mogen komen. De deuren zoeven open, een ouder stel schuifelt steunend op elkaar naar buiten. Er kruipen aderen over hun handen die in elkaar verstrengelen. De man pakt vanachter zijn oor een voorgedraaid shaggie, klopt op zijn jaszakken en vloekt binnensmonds. Habib draait de aanstekers in zijn broekzak om elkaar heen. Het maakt een tikkend geluid. De man kijkt op. Habib wendt zijn blik af en zet een stap opzij, onder het knipperende licht vandaan.