Categorieën
Fictie

Glip

Glip

Het strand vloeide heet tussen onze tenen door, zo warm was het al in juni. Verderop ruiste de Atlantische Oceaan. Yorick veegde het zand van zijn voeten. Hij wees naar mijn knie. ‘Wat is dat?’
‘Dat mijn zoon’, antwoordde ik plechtstatig, ‘dat is mijn meest gedenkwaardige litteken.’
Hij keek me aan, zijn gezicht een vraagteken. ‘Wat praat je raar pap.’ Hij ging dichtbij me zitten en streek met zijn vinger over de snee op mijn linkerknie. ‘Voelt raar. Net oude kauwgom’
Ik drukte een kus op zijn stugge rode haar. ‘De schuld van een dikke paling’, zei ik en sloeg een handdoek om hem heen. Zijn huid verdroeg geen onbarmhartige zon.

Natuurlijk had ik al de builen, krassen en sneetjes van alles waar een breekbaar ventje van tien zo al tegen op loopt of van af valt, maar dankzij een polsdikke paling kreeg ik ineens een lichaamsteken waar ik op school mee voor de dag kon komen. Het litteken verdiende een naam vond ik, zo lelijk en mooi tegelijk flonkerde de roze groeve op mijn knie.
Die zomer, de Beatles waren populairder dan Jezus, al wist ik dat toen nog niet, de wereld drong slechts vertraagd tot het dorp door en de plaatselijke geheime zenders bedienden ons vooral met werk van Rocco Granata en Freddy Quinn en zulks, tijdens die zomer besloot ik een paling te gaan vangen voor mijn moeder. Mijn balsturige vriend Gert zou helpen.
Ik was geen goeie visser en tuurde, gehurkt tussen het riet, eindeloos naar een dobber die nooit onder zou gaan, maar paling vangen was niet moeilijk beloofde Gert. Je had alleen een ‘steker’ nodig en veel geduld.
‘Maar ik haal ze er niet af’, zei hij bij voorbaat, terwijl hij deskundig met een bloedknoop een haak aan de lijn zette.
Gert kende geen angst, op het schoolplein nam hij het zonder vrees op tegen oudere jongens die, zo gauw de leerplicht het toeliet, aan het werk zouden gaan als stratenmaker, of in de timmerfabriek een dorp verder op, maar een paling vasthouden? ‘Dacht het niet. Serpenten zijn het!’
Mijn moeder kon ik niet bepaald een liefdevolle moeder noemen. Ze moest haar voorraad liefde verdelen over negen kinderen en mijn vader, een oud geworden kind. Dan blijft er, zo realiseerde ik me later, gemiddeld niet veel over als de voorraad toch al beperkt is. Alleen als ze paling at, leek ze gelukkig. In roomboter gebakken, met een beetje zout, meer niet, alleen een beetje zout, en witbrood om de boter mee op te vegen. Haar gelukzalige gezicht, de kin glanzend van het vet, zie ik nog zo voor me. Nog hoor ik soms de weldadige zucht, als ze na het laatste stukje haar vingers afveegde aan de gebloemde schort. Om geen andere reden moest en zou ik een paling vangen.
Tien ononderbroken dagen lang dreven we na het avondeten met een steen de korte stevige stok van de steker in de walkant. Woelend in bed wachtte ik op de ochtend. Telkens weer bleek het trosje wurmen aan de haak onaangeroerd. Pas toen de zomervakantie al op zijn eind liep, voelde ik op een ochtend eindelijk weerstand bij het binnenhalen van de lijn.
‘Help eens Gert, ik krijg hem er niet uit.’
‘Neuh. Dacht het niet.’
‘Misschien is het geen paling. Zit de lijn alleen vast.’
‘Neuh.’
Het ondiepe water voelde als warme olie op mijn huid. Het rook naar onze kelder waar een mud aardappelen lag voor de komende winter. Mijn hand gleed onder water langs de lijn. Aan het eind voelde ik glibberig leven. De paling die ik boven water trok, was zeker een meter lang en veel dikker dan ik verwachtte. Het beest kronkelde wild en ineens had ik de arm van een Michelin mannetje.
‘Godfffrr…’, fluisterde Gert toen ik, worstelend met het monster, uit het water klom. Gert maakte zijn vloeken nooit helemaal af, maar voor een gereformeerde jongen was godfffrr… een hele stap en voldoende om erbij te horen, bij de jongens die gewoon godverdomme zeiden, omdat hun ouders ‘rooien’ waren, met grootvaders die ooit de marechaussee te paard trotseerden toen die met getrokken sabel stakende veenarbeiders te lijf ging.
‘Godfffrr’.., zei Gert nog eens, maar nu riep hij het uit.
‘Ja, wat een joekel eh?’, riep ik.
‘Je been Alex! Kijk dan, je been!’ Hij wees naar de gerafelde scheur in mijn linkerknie. Ik keek ernaar en begon hard te lachen. De euforie van de vangst, elke visser herkent dat gevoel, het bonkende hart dat bloed en adrenaline door het lichaam stuwt en de hersenen vleugels geeft, verdreef de schrik en de pijn. Ik voelde alleen maar diepe voldoening. Het was volbracht. Ik had eindelijk een paling geland. Voor mijn moeder.

Achterop de fiets bij Gert keek ik in de gapende spleet die nu behoorlijk pijn begon te doen. Wonderlijk genoeg bloedde de wond bijna niet. Er schemerde bot tussen het rauwe vlees. Gebogen over het stuur fietste Gert als een bezetene naar huis. Ik dacht ondertussen zo veel mogelijk aan het blije gezicht van mijn moeder.
Ze stond in de achtertuin tussen de wapperende lakens, twee knijpers in haar mond. Ik hinkelde naar haar toe. ‘Kijk mamma. Een paling’, riep ik en keek haar verwachtingsvol aan.
‘Och jongen! Wat heb je…’.
‘Ja eh’, riep ik trots. ‘Wat een dikke eh!’
‘Aaaaad!’, schreeuwde ze naar de achterdeur met een stem die ik niet eerder had gehoord. ‘Godverdomme. Aaaad!’
Mijn vader rook naar bier. Net als veel andere vaders die de kerk links lieten liggen, ging hij op zondagochtend trouw naar het café. Hij floot tussen zijn tanden. ‘Zo, dat is een beste snee. Daar moet De Vries even naar kijken.’ Hij wikkelde de paling van mijn arm, sloeg het beest hard met de kop op een tegel, maakte met zijn zakmes een diepe snee rond de kop en stroopte het vel er af. ‘Pak aan’, zei hij tegen mijn moeder en snelde naar binnen. ‘De Etherkruiser verlaat de band’, hoorden we hem zeggen. Een week later peilde de PTT zijn zender uit en eindigde de Etherkruiser als een ordinair stuk wrakhout. Dat verzin ik niet, zo stond het in het plaatselijke dagblad onder de kop: Etherkruiser ten onder. Alle zendamateurs draaiden daarna een week lang Freddy Quinns Jungen komm bald wieder.
‘Kom. In de auto jij. Ga jij maar naar binnen’ zei hij tegen Gert. ‘Kun je straks ook paling eten.’
‘Ik dacht het niet’, zei Gert. ‘Al wat in de wateren geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.’ We keken hem niet begrijpend aan. ‘Ik moet op huis aan’, zei Gert. ‘Straks naar zondagsschool.’
Mijn moeder stond al klaar om de Ford Taunus een duwtje te geven zodat de auto vanaf de oprit de straat op zou rollen. De achteruit deed het niet.
‘Wat is er gebeurd?’, vroeg mijn vader onderweg. Hij schakelde van twee naar vier, want de derde versnelling deed het ook niet.
‘Een autodak denk ik. Het was bij het zwemplekje.’
We haalden afgezaagde autodaken van de sloop om mee te varen. Ze maakten snel water en eenmaal gezonken kreeg je ze niet meer boven.
‘Oh. We moeten die sloper eens een keer aanpakken.’

Dokter De Vries deed zelf de deur open. Hij leek niet blij met onze komst. Zijn rijzige gestalte in een donkerrode kamerjas zwalkte voor ons uit naar de behandelkamer.
‘Hij lijkt wel dronken’, fluisterde mijn vader.
Ze zeiden dat de dokter veel dronk in het weekend. Whisky of zoiets. Van dat Amerikaanse spul.
Zes keer spoot hij langs de rand van de wond en binnen een paar minuten leek mijn knie dood. Met trillende hand naaide hij met zwart draad en een kromme naald de wondranden aan elkaar. ‘Over een paar dagen terugkomen’, bromde hij en smeet de deur dicht.
Dankzij het bezopen naaiwerk van dokter De Vries loopt er een brede gleuf rozig bindweefsel over mijn knie, omringd door schots en scheef geplaatste stipjes waar de naald in en uit het vlees ging. Het was geen levens veranderend litteken, dat zijn fysieke littekens maar zelden, dat blijft toch meer voorbehouden aan geestelijke wonden, die zijn dieper, pijnlijker en bloeden krachtiger, maar de Glip leverde wel een leven lang gespreksstof op. Ik verzon, afhankelijk van de toehoorders, verhalen over granaatscherven, kroeggevechten en motorongelukken.

Iedere jongen van tien verdient zo’n litteken dacht ik, naast natuurlijk de smaak van in roomboter gebakken paling en het gelukzalige gezicht van een moeder.
‘Wat is glip’ vroeg Yorick. Hij proefde het woord in zijn mond. ‘Glllippp.’
‘Een ander woord voor snee.’
Hij legde zijn hoofd in mijn schoot. ‘Wanneer leer je me vissen pap?’
‘Als we terug zijn.’
Er drupte een warme traan op mijn dijbeen. ‘Wat is er jongen?’
‘Ik mis mijn mama’, fluisterde hij.
‘Ik ook jongen. Ik ook.’