Categorieën
Fictie

Glazen bol

3 mei 2015.
Mijn naam is Abbe Kruitman, ik ben 23 jaar oud. Precies één jaar geleden ben ik gekroond tot knikkerkampioen van West-Europa. Ik won drieduizend euro aan prijzengeld, een paar mooie interviews in een aantal lokale bladen en, natuurlijk, de Gouden Knikker. Ik draag deze eer met trots en blijdschap: ik vind knikkeren het mooiste wat er is.

5 september 2015.
Toen het kampioenschap afgelopen was en ik weer naar huis kon, bleek bij thuiskomst helaas niemand van mijn succes op de hoogte. Mijn ouders wel, natuurlijk, want die wisten wat ik ging doen, maar zij zijn altijd trots op mij, dus hun complimenten voelden niet zo speciaal.
In het begin ging het nog wel, ik ging weer aan het werk, in mijn vrije tijd keek ik naar knikkerbanen op het internet. Mijn collega’s hadden ook wel plezier in potjes knikkeren tijdens de pauze, al verdween hun fanatisme vaak snel zodra ze een paar keer van mij verloren. Dan dropen ze af, met zinnen als: ‘Nou Abbe, we moeten maar weer ‘ns aan het werk,’ of ‘Hee Abbe, ik kruip weer achter de computer, dat rapport schrijft zichzelf niet, hè.’ Meestal stond ik binnen een half uur in mijn eentje op het winderige grasveldje achter het kantoorgebouw. Het is ook een lastig veldje, als ik eerlijk moet zijn. Het is te hobbelig, er groeit sowieso ook veel te veel gras voor een goeie rol, en het waait er steevast te hard. En de grond onder het gras is heel nauw samengeperst – zoals je vaak ziet bij van die Nederlandse grasveldjes – zodat er na iedere plensbui liters water blijven liggen. Ik heb ook het gevoel dat het er op de een of andere manier vaker regent dan gemiddeld, maar dat kan natuurlijk aan mij liggen.

24 november 2015.
Als ik ‘s avonds in de winter de deur van mijn studioappartement open doe en naar binnen stap, schijnt er altijd een straal licht van een lantaarnpaal recht de kamer in, met mij mee de deur door. Daarom heb ik precies tegenover de deur een plank aan de muur getimmerd, waarop ik de Gouden Knikker heb neergezet, zodat ik hem bij binnenkomst kan zien blinken. In de zomer, als het nog licht is als ik thuis kom, valt het zonlicht óók precies op de trofee, waardoor het goud dubbel zo vurig schijnt. Mijn grote raam staat op het westen.

4 april 2016.
Ik zit op verschillende dating-apps. In mijn profielbeschrijving vertel ik nooit dat ik knikkerkampioen van West-Europa ben, want ik wil niet dat mensen zich anders gaan gedragen. Ik bedoel te zeggen dat ik graag wil dat mensen mij ook gewoon uitzoeken op mijn interesses, of omdat ze vinden dat ik er leuk uitzie. Het zijn tenslotte dating-apps, ik begrijp ook wel dat het in eerste instantie vooral om het uiterlijk gaat. Swipen is makkelijker dan eerst een praatje te moeten maken. Maar goed, ik zie er op zich prima uit, dat heb ik wel vaker gehoord, dus voor mij is dit niet eens zo’n slechte deal. Momenteel spreek ik bijna een keer per week wel met iemand af, soms een paar keer met dezelfde persoon. Meestal is dat erg gezellig, maar ik heb wel gemerkt dat de meeste mensen snel hun interesse verliezen als ze erachter komen dat ik zo van knikkeren hou. Of misschien is dat niet het goede woord, interesse. Het is meer alsof ze zich dan ineens herinneren dat ze op date zijn met iemand die ze nog niet zo goed kennen, ze worden zich meer bewust van de woorden die ze kiezen, of dat lijkt in ieder geval zo. Het valt me ook op dat de mensen met wie ik vaker afspreek nooit uit zichzelf beginnen over het knikkeren, en dat ze ook niet echt lijken te luisteren als ik er voorzichtig over begin. En hoewel ik stiekem toch hoop dat iemand mij herkent, gebeurt het nooit.

Ik voel me soms nogal alleen, daar komt het op neer. Ik heb weinig inspiratie en soms zit ik ineens drie uur lang naar knikkerfilmpjes te kijken. Dan is het twee uur ’s ochtends en lig ik klaarwakker te fantaseren over het kampioenschap, en wanneer ik dan eindelijk weer eens mee zou mogen doen. Maar de volgende wedstrijd duurt nog een jaar, dus ik vul mijn dagen nu met werk en trainen.

5 november 2016.
Ik heb een nieuwe date vanavond. Marije heet ze. Ze is 26, dus iets ouder dan ik. We hebben afgesproken uit eten te gaan.
Als ik de deur van het restaurant open duw, zit ze al te wachten, aan de bar. Het is niet echt een restaurant waar we hebben afgesproken, meer een eetcafé. Ik zit zelf ook graag aan de bar, ik vind het fijn om in een stil moment de barmensen te kunnen bestuderen, of het bier- of eetmenu te kunnen bekijken dat in krijt op een groot zwart vlak is gekalkt. Ze ziet er erg aardig uit, met dikke bruine krullen tot iets over haar schouders. Ze draagt een grote, ronde bril met een dun, gouden montuur. Haar gezicht zit vol met sproetjes. Marije lijkt niet verlegen: ze grijnst breed als ze me ziet aankomen en steekt vastberaden een hand uit, wat ik vrij zakelijk vind overkomen. Ze heeft ook niet gewacht met het bestellen van een drankje, zie ik. Ik kijk de barvrouw aan. Ze kent me, ik kom hier vaker op date. Ze knikt, tapt een biertje voor me en zet het glas op een viltje op de bar. Een druppel glijdt langs de vaas naar beneden, zinkt weg in het papier. Ik hoor Marije haar keel schrapen.
‘Sorry, ik moet even iets bekennen. Volgens mij ken ik jou,’ zegt ze.
Ik kijk op. ‘Sorry?’ Ik houd mijn adem in, ben me plotseling bewust van mijn kapsel. Op de foto’s bij de interviews in de kranten, anderhalf jaar geleden, is mijn haar langer.
‘Nou… Je vindt me vast een beetje een idioot, of misschien is dit een beetje creepy,’ zegt ze, ‘maar jij bent dé Abbe Kruitman, toch? West-Europees knikkerkampioen van 2014?’
Ik val bijna van mijn kruk. Ze kent me! Ik kijk Marije aan, ik weet even niet zo goed wat ik moet zeggen. Ik zie ieder sproetje op haar neus haarscherp afgetekend tegen haar huid, haar bruine ogen glanzen achter haar brillenglazen. Ik vind haar prachtig.

Vijf uur later lopen we door de koude herfstnacht naar mijn huis. Marije bibbert een beetje, ik denk dat ze het koud heeft. Ik sta even stil en sla mijn armen om haar heen. Ze gaat op haar tenen staan en kust me. Ik had eigenlijk verwacht dat ik dit heel spannend zou vinden, maar alles voelt vertrouwd. Ik ben vreselijk blij dat ik eindelijk iemand heb ontmoet die begrijpt wat ik doe. We kijken elkaar even aan en slaan de hoek om, mijn straat in.
Ik steek de sleutel in het sleutelgat, draai hem om en open de deur. Naast me maakt Marije een verrast geluidje.

‘Wat mooi dat het licht van die lantaarnpaal precies op je trofee valt,’ zegt ze.