Categorieën
Fictie

Genoegzaamheid

Haar rood geglazuurde dakpannen schitterden in het zonlicht, zo heet dat je er een ei op zou kunnen bakken. Kraaien trippelden ritmisch een dansje in de goot, de zachte streling van hun pootjes kietelde het lood. De zwoele zinderende lucht om haar heen maakte haar loom en gewillig. Er hing onweer in de lucht, donkere wolken pakten zich samen boven “de Goude Harpe”. Het verlangen naar de ophanden zijnde verkoeling van de regen deed haar bij voorbaat trillen op haar grondvesten. Ze ving flarden van een conversatie op. Hoorde hem praten over koperen leidingen en een tochtige schoorsteen, een bouwkundig rapport. Maar haar leidingen waren dik in orde en haar schoorsteen was vorig jaar helemaal opnieuw opgemetseld. Van waar dan die opmerking? Natuurlijk, er was een taxateur langs geweest om haar waarde te bepalen. Maar dat was voor de opstalverzekering, dacht ze. ‘Over twee maanden is de verhuizing,’ hoorde ze hem zeggen. Ze was onthutst. Ging bijna uit haar dak, kon zich nog net beheersen. Hoe was het mogelijk? Haar eigen huisman wilde scheiden na zo veel jaren wederzijdse liefde en toewijding. Hij had haar, toen hij bij haar introk, voor zover nodig opgefrist en kleur gegeven. Haar daarna jarenlang goed onderhouden, zodat ze een steeds voornamer uitstraling had gekregen. Haar lijstgevel met gesneden consoles en haar fraaie voordeuromlijsting met zijlichten waren monumentaal. Haar turbulente verleden, waarom de buren haar vaak met de nek hadden aangekeken, had ze ver achter zich gelaten. Ze wist dat ze inmiddels één van de mooiste van de kaai was. Misschien wel de allermooiste. En nu liet hij zijn oog laten vallen op haar aan de overkant van de gracht. Eeuwen lang hadden ze elkaar over en weer aangestaard, maar nooit één woord gewisseld. Omdat haar concurrente een verdieping lager was, had ze altijd uit de hoogte op haar neergekeken. Waarom verkoos hij dat kleine misbaksel? Zíj had toch veel meer in huis en bij háár was hij toch vele jaren onder de pannen geweest? Goed, haar vóórgevel was indrukwekkend, dat moest ze toegeven. Maar de façade die ze ophield, allemaal uiterlijk vertoon, die kon toch alleen maar voor teleurstelling zorgen? Hij had beter naar de rimpeling van haar spiegeling in het water moeten kijken. Ook al was ze door de keuring heen gekomen, de verzakking zou altijd verder gaan, langzaam, maar stelselmatig. Met de deplorabele staat waarin haar medeminnares verkeerde zou zijn toekomst als een kaartenhuis in elkaar storten. Hij zou met haar naar de kelder gaan. Dat was zo zeker als de palen in de grond waarop zij stond. Ze moest hem tegenhouden, behoeden voor zijn ondergang. Het gerommel en weerlichten van het onweer werd steeds frequenter en kwam onheilspellend dichtbij. De koperen leidingen en de tochtige schoorsteen van haar rivale hadden een grote aantrekkingskracht, wist ze. Ook op de donder en bliksem. De inslag van het hemelvuur was tot ver in de omtrek te horen. Vergenoegd keek ze naar het huis aan de overkant van de gracht. Het stond in lichterlaaie.