Categorieën
Fictie

Gele Strepen

Gele Strepen

Hoewel mijn studio hetzelfde er uitziet, voelt het toch anders dan normaal. Er hangt een aparte geur dat een beetje naar bedorven fruit ruikt. De geur doet me denken aan mijn reis toen ik op de bonnefooi in Azië ging backpacken. Daar is op bijna iedere markt de stinkende vrucht doerian te koop.

De douane ambtenaar die mijn paspoort stempelde, vertelde mij dat doerian vaak wordt gebruikt om drugs mee te smokkelen. Hij zei ook dat ik het echt moest proeven omdat het een delicatesse is.

‘Try it. You will like it,’ zei een van de mannen op de markt. Hij glimlachte. ‘Everybody loves durian!’

Nieuwsgierig nam ik een hapje van het stinkende glibberige gele vruchtvlees. Ik dacht dat het net als haring of een Franse schimmelkaas alleen vies zou ruiken maar wel lekker zou smaken. Helaas had ik dat verkeerd ingeschat. De smaak van ranzige boter verspreidde zich in mijn mond en de uitdrukking op mijn gezicht deed de verkopers lachen.

Maar ik heb geen doerian in huis. Het is hier niet eens vers verkrijgbaar. Ik besluit op een ontdekkingsreis naar de bron van deze vieze geur te gaan, een lokaal avontuur. Ik loop langzaam door de kamer, sta steeds even stil en inhaleer diep. De badkamer ruikt naar oceaan wasverzachter met een basisnoot van chloor. In mijn kledingkast hangt de geur van cederhout door de vele houtblokken die daar mijn kleren moeten beschermen tegen motten. Dat zijn de echte monsters die zich in je kast verstoppen. Ik ruik voor de zekerheid ook aan mijn shirt. Ik weet nog steeds niet waar deze geur vandaan komt.

Een ongeopende envelop ligt op mijn bureau. Ik scheur de envelop open. Er zit een zwarte kaart in met mijn naam erop in grote witte letters.

‘Hé? Ben je daar?’ hoor ik een voor mij onbekende mannelijke stem zeggen.

Ik hoor het heel duidelijk alsof deze persoon naast mij staat maar ik ben alleen thuis. Het moet zeker van buiten komen. De zon is net onder en de regen tikt zachtjes tegen het raam. Er sijpelt af en toe een druppel door een kier tussen het kozijn en het raam naar binnen. De onderste paar centimeters van de gordijnen zijn inmiddels antraciet in plaats van grijs. Ik loop naar de kast om een van mijn oude vergeelde handdoeken te pakken en gooi het op de vloer precies op het plasje. De gordijnen deinen zachtjes mee op de tocht.

‘Kun je mij horen? Ik zie je niet,’ zegt dezelfde stem nu. ‘Ik hoor je niet.’

Ik vraag me af wie buiten in de regen zo hard staat te praten dus ik kijk even naar buiten. Ik zie niemand daar staan. De lucht is donkerblauw met een paar roze en paarse vegen er over gesmeerd. Kleine plasjes regen op het asfalt weerkaatsen de lichtstralen van de lantaarnpalen. De vallende druppels creëren willekeurige kringen in het water. Het is weer helemaal stil. Het enige wat beweegt zijn de bladeren van de bomen langs de weg die zachtjes gewiegd worden door de wind.

Mijn weerspiegeling in het raam kijkt me aan. Ik herken haar maar haar ogen lijken doffer dan ik gewend ben. Ik doe een korte dans met haar. Ze volgt mijn leiding maar ze is telkens nets iets langzamer met het uitvoeren van de pasjes. Ik houd abrupt op maar zij draait haar heupen nog.

De lucht verandert van donkerblauw naar pikzwart en ook het gewieg van de takken houdt op. Het lijkt alsof de bomen hun adem inhouden. Een vogel maakt een fel, schril geluid dat haast als een gil klinkt. In de hoop te zien wat voor vogel dit is, doe ik een stap opzij. Ik voel nattigheid door mijn sokken trekken. De natte plek op de vergeelde handdoek wordt steeds groter dus ik verplaats voor de zekerheid de verlengsnoer waarmee mijn modem en laptop van elektriciteit worden voorzien. De gele lampjes van mijn modem flikkeren in een patroon dat mij aan morse code doet denken. Aan… uit… aan… uit…

‘Hoihoi, ik zit in Rotterdam,’ zegt een vrouwelijke stem.

Ik hoor de stem maar ik besteed er verder geen aandacht aan. Op de vloer liggen kledingstukken die in de was moeten en op tafel staan een paar lege bierflesjes van het goedkoopste huismerk. Het is eigenlijk niet eens lekker maar wel goedkoop. Verder ligt er een verfrommelde chipszakje op de bijzettafel boven op een stapel boeken over Japanse poëzie die ik nog terug moet brengen naar de bibliotheek.

Ik voel de chipskruimels door mijn natte sokken heen. Ik heb geen zin om nu op te ruimen of te stofzuigen want ik begin trek te krijgen. Ik bedenk dat ik nog een stuk bloemkool heb. Misschien ga ik dat straks verwerken in een poké bowl. Op de aanrecht staat een tube ketchup naast een stapel vieze pannen en borden. Ik weet zeker dat ik gisteravond de tube ketchup terug heb gezet in de koelkast.

‘Hmmm, apart,’ fluister ik tegen mezelf.

Ik pak een mandarijn uit de fruitmand. Met de nagel van mijn wijsvinger prik ik precies in het midden en pel ik de schil in stroken af. De witte bittere sliertjes pulk ik zorgvuldig af. Een druppel van het sap valt op de vloer.

‘Ja, ik denk dat het handig is als we even het voorstel voor het nieuwe beleid even samen doornemen,’ zegt de mannelijke stem.

Het wordt gevolgd door een metaalachtig krakend geluid dat vanuit mijn studio lijkt te komen. Er ontstaat een zeurend gevoel in mijn buik. Ik begin het idee te krijgen dat iets hier niet klopt. Ik probeer een verklaring voor deze stemmen te vinden. Het enige dat mijn verstand kan bedenken, is dat de complottheorieën waarheid zijn en dat de overheid tijdens mijn slaap een chip in mijn hoofd heeft geplaatst. De woorden van mijn vorige scharrel klinken door mijn hoofd. ‘Je moet niet zo paranoïde doen, joh.’ Ik vraag me af wat Bert van deze situatie zou vinden.

Op de bank even mijn dagelijkse social media dosis innemen zal vast helpen om mijn gedachten te verzetten. Het helder blauwe licht van mijn touchscreen verlicht de kamer terwijl mijn rechterwijsvinger door een oneindig aaneenschakeling van zinloze pleidooien om aandacht en bevestiging scrolt. Aandachtig lees ik de tweets en ik bestudeer de foto’s die langskomen. Op Instagram zie ik Sarah die een nieuwe roze bikini met grijze strepen draagt terwijl ze in haar slaapkamer poseert, #bodygoals2021.

‘Als wij furore willen maken, moeten we niet de mythe geloven dat we gedrag kunnen veranderen zonder een beloning,’ zegt de mannelijke stem.

De vrouwelijke stem volgt meteen. ‘Nou, we kunnen ook de boekhouder… Emma! We maken geen uitzondering voor jou, hoor. Opletten.’

Ik kijk op van mijn mobiel. Deze onbekende stem zei mijn naam. Hoe kan dit? Zit er echt een chip in mijn hoofd? Ik kijk voor me uit. De muren lijken langzaam aan steeds dichterbij te kruipen om mij in te sluiten. De pannenkoekenplant in de vensterbank die ik voor mijn verjaardag van Janine had gekregen, lijkt naar me te zwaaien. Mijn naam verschijnt in witte letters voor mijn gezicht. Ik wrijf in mijn ogen.

Een voor een verschijnen er acht gezichten rondom mijn naam. Ze kijken mij alle acht strak aan. Ze lijken op een team van klopgeesten samen op een missie om mij te kwellen. Ze praten allemaal door elkaar heen waardoor ik niet kan verstaan wat ze zeggen. Even later houden ze tegelijk op. Ze blijven mij aankijken zonder te knipperen. Ik doe mijn ogen dicht.

Gelukkig, ze zijn weg. Ik haal diep adem. Ik herhaal de ademoefeningen die ik tijdens yoga heb geleerd. In, twee, drie, vier, houd vast, twee, drie, vier, en uit, twee, drie, vier. Ik stel me voor hoe mijn aura blauw wordt. ‘Stil, mijn ziel wees stil,’ mompel ik tegen mijzelf.

Even voel ik mij veilig in mijn ‘happy place’. Ik doe mijn ogen weer open en alles is zwart. Een paar tellen voel ik de eenzaamheid van absolute stilte.

Buiten toetert een auto. Tegelijkertijd verschijnen de acht schimmen en hun kakofonie begint weer. Ik blijf rustig zitten en ernaar kijken in de hoop dat het vanzelf overgaat. De beelden blijven maar doorgaan. Gele strepen duiken op in willekeurige plaatsen. Gezichten verschuiven van links naar rechts en van onder naar boven.

Ik doe mijn vingers in mijn oren, maar dat helpt niet. Ik wil een eind aan deze stemmen en beelden maken. Ik kijk om mij heen op zoek naar een oplossing. Aan mijn rechterzij verschijnt een rode knop. Eindelijk, dit moet de uitkomst zijn. Ik voel een gewicht van me afvallen nu ik een uitweg heb gevonden. Ik druk op deze knop. De acht kwelgeesten glimlachen naar me.

Het gezicht linksboven knipoogt naar me. ‘Welkom, Emma.’

Gele strepen knipperen even. Tussen de acht gezichten verschijnt mijn eigen gezicht met een verbaasde uitdrukking.