Categorieën
Fictie

Geketend

‘Nou, dat is niet wat ik er van heb begrepen, fluistert Rolf.’
Zijn rug en nek wat gebogen, misschien wel omdat de roddels zwaar in zijn mond rusten. Hij is nieuw op het schoolplein en dan loont het te weten wie wat wil zeggen over wie en wie wat wil horen over wie. Voorheen had hij zich op de achtergrond gehouden- ik kan me niet herinneren dat hij ooit voet voorbij het hek had gezet- en hij had geen beter moment uit kunnen kiezen aan onze hiërarchie te peuteren en zijn eigen plaatsje daarin op te eisen. Het gonst ervan, een hervertelling van dezelfde roddel, verschillend in de details, maar hier en daar zelfs in de grote lijnen. Een roddel die ieders oor al ingegaan was en ieders mond al verlaten had. Nu dwarrelen alle fluisteringen nog neer op de stoeptegels, verdrietig dat het spelen van de kinderen hen overstemd, maar weldra- half negen, wanneer de kinderen binnen zijn- zal het geroezemoes aanzwellen, versterkt door diezelfde tegels en de wit gepleisterde bakstenen muur van het schoolgebouw.
‘Ik heb gehoord dat hij juist oude, roestige kettingen gebruikt om zijn slachtoffers mee vast te binden aan een boom.’

Rolf kijkt nog wat onwennig om zich heen, alsof hij zich het roddelen nog moet aanleren, maar dat is waarschijnlijk omdat hij wil voorkomen dat zijn zoontje alles hoort. Het joch heeft nog niet door dat de wereld groter is dan die straal van zes meter om zijn vader heen waarin hij zich nu vaak bevindt.
‘Als Harm van de ijzerwarenwinkel zulke sterke kettingen had verkocht had hij de politie al gebeld voor ze bij hem op de stoep hadden gestaan. Daar kun je donder op zeggen.’
‘Hoe weet je dat het überhaupt kettingen waren,’ vraagt Daniël. Wie zegt dat het geen tie-rips waren, of touwen?’
Het zijn wel degelijk kettingen, denk ik bij mezelf. Roestige kettingen. Maar ik zeg niets, ik knik alleen verwoed en kijk Rolf vragend aan.
‘Nou ja… dat gerucht gaat. Het schijnt dat z’n slachtoffers allemaal een tetanusprik hebben moeten halen vanwege roest vlakbij hun open wonden.’
‘Tetanus krijg je niet alleen door roestig ijzer,’ zegt Daniël nuchter. Die bacterie zit ook in straatvuil, uitwerpselen, aarde… Dierenbeten.’
Rolf haalt zijn schouders op.
‘Ja, dus?’

Daniël rolt met zijn ogen. Hij woont al tijden in ’t dorp, maar volgens mij denkt hij nog steeds dat we achtergesteld gebied zijn en dat we zijn stadse manier van denken niet kunnen bijbenen.
‘Waar heb je aarde, vuil, dieren en uitwerpselen? Juist! Boerderijen. Daar hebben we er veel van hier. Iedere boerderij heeft minstens één schuur. Wat vind je zoal in een schuur? Touwen en tie- rips! Ben je dan niet een beetje voorbarig met je kettingen?’
Maar het zijn kettingen! En ze zijn roestig. Maar ik zeg niets, vertrek geen spier.
‘Ik vertel alleen maar wat ik erover gehoord heb,’ roept Rolf licht geërgerd uit.
‘En in plaats van de slachtoffers te respecteren besluit je volledig op te gaan in die ordinaire roddelcultuur hier en grove onwaarheden te spuien?’
‘Luister, ik woon hier nog niet zo lang en als ik eerlijk ben, als ik geweten had wat zich hier afspeelt, waren we hier helemaal niet komen wonen. Ik wil gewoon weten wat hier gebeurt! Ik wil mijn vrouw veilig houden.’

Daniël kalmeert wat, de lijnen op zijn gezicht ontspannen en hij ontspant zijn schouders.
‘Sorry,’ zucht hij. ‘Weet je wat het is, het speelt al zo lang, gewoon hier in ons eigen dorp. Recht onder onze neus en na al die jaren is er nog steeds niemand opgepakt. We staan allemaal onder grote spanning.’
Hij knikt in mijn richting, wacht op mijn duit in zijn zakje.
‘Het gaat je bepaald niet in de koude kleren zitten,’ beaam ik.
‘Al goed, ik begrijp het. Hoe lang speelt het dan al?’
Daniël kwam hier pas wonen toen er al meerdere slachtoffers gevallen waren. Toen de Beul van de Nacht zijn naam al had gekregen.
Van mij wordt nu verwacht dat ik me actiever in het gesprek meng, daar was ik al bang voor. Ik had weg gemoeten toen het nog kon. Nu moet ik letten op wat ik zeg. Vooral niet te veel zeggen.

‘De eerste marteling vond plaats in 2003 alweer, dacht ik,’ zeg ik twijfelend, al weet ik het zeker.
‘Jezus! Dat is al 18 jaar geleden,’ roep Rolf geschokt. ‘Hoe kan het dat hij nog steeds niet gepakt is?’
Ik haal m’n schouders op, reageer voor de rest niet.
Gelukkig neemt Daniël het stokje maar al te graag van me over. Hij staat wel graag in het middelpunt van de belangstelling.
‘Omdat hij heel onregelmatig toeslaat. Soms drie keer in een jaar, soms vijf jaar niet. Die klootzak is zo onvoorspelbaar als de pest.’
‘Hoeveel slachtoffers heeft hij al gemaakt?’
’Twaalf, geloof ik. Ik heb er negen bewust meegemaakt en de eerste drie waren voor mijn tijd,’ zegt Daniël.
Ik knik.
‘Ja, twaalf inderdaad.’ Intussen zijn het er dertien…
‘En wat doet ‘ie met z’n slachtoffers?’
Het is me op dit punt niet meer duidelijk of Rolf wel houdt van een lekkere, vette roddel- zo een die druipt van de smeuïgheid- of dat hij oprecht bezorgd is om zijn vrouw. Het een sluit het ander niet uit natuurlijk. Ik weet wel welke kant het gesprek nu op gaat. De vraag ‘hoeveel slachtoffers heeft hij al gemaakt’ is als een laatje dat je opentrekt waar je dan vervolgens een A4-tje in vind met een getal; de vraag ‘wat doet hij met zijn slachtoffers’ is als een venstertje, waar doorheen je een glimp op kunt vangen van gruwelijke, expliciete taferelen die je niet op je netvlies wilt hebben. Maar wegkijken lukt niet meer.

‘Hij kidnapt ze aan het begin van de avond tijdens een wandelingetje, ketent ze naakt aan een boom en martelt ze de hele nacht,’ zegt Daniël. ‘In de ochtend laat hij ze voor oud vuil achter, nog steeds aan kettingen, zodat ze door toevallige voorbijgangers worden ontdekt.’
‘Dat is afschuwelijk,’ roept Rolf ontzet.
‘Het laatste dat z’n slachtoffer horen zijn de kettingen die door de bladeren slepen-‘
Dat is pertinent onwaar. De kettingen liggen verstopt in de bosjes. Het laatste dat ze horen is het geritsel van het plastic waarin hij zich hult, dat hen nadert in de stille nacht en hen belet hem te krabben of te bijten.
‘-en daarna slaat hij ze knock- out met die ketting.’
Ook niet waar. Ze worden bewusteloos geslagen met een zware tak.
‘Klopt het dat er een dodelijk slachtoffer is gevallen?’
‘Ja. Arme Antonetta Bergman heeft het niet overleefd. Die is onderkoelt geraakt en heeft de ochtend niet gehaald. Sindsdien heeft hij alleen nog toegeslagen aan het begin of het eind van een winter, of wanneer die uitzonderlijk zacht was.’
‘Cru om te zeggen, maar dan is het nu relatief veilig.’
Daniël knikt.
Bepaald niet, denk ik. Maar ik zeg niets.

De bomen heffen hun takken naar een grijze hemel, met even zo grijze wolken. Of ze die wegwuiven of juist naar zich toe trekken, om het beetje zon dat had kunnen schijnen te weren van het schoolplein, weet ik niet. Het zijn kastanjes. Dat is waaraan de slachtoffers worden vastgeketend, zou Daniël misschien wel zeggen, maar dan zou hij ongelijk hebben. Het is namelijk altijd een eik.
‘Alle twaalf-‘
Dertien!
‘-slachtoffers zijn vrouwen,’ vraagt Rolf.
‘Ja, allemaal vrouwen inderdaad,’ antwoordt Daniël.
Nee hoor. Ook een man!
‘Worden ze ook… verkracht?’
Rolf klinkt bedrukt. Ik zou niet weten waarom, alle kinderen zijn al naar binnen.
‘Ik weet niet de juridisch juiste termen zijn en dat doet er verder ook niet toe. Ze worden met voorwerpen misbruikt, zegt Daniël.’
Klopt. Ook de man.
Wanneer durf ik ‘ze’ nu eens te vervangen door ‘ik’? Door ‘mij’? Het is mij overkomen. Ik ben die dertiende. Ik ben die enige man.
‘Het is een verschrikkelijke situatie,’ fluistert Rolf hoofdschuddend. Hij kijkt op zijn horloge.
‘Ik moet er vandoor, ik ben al veel te laat! Spreek jullie nog.’

‘Nou, tot ziens hè,’ zegt Daniël. Moet er ook vandoor! Ik vond het gezellig die nacht. Moeten we snel weer eens doen!’
Ik staar hem even aan.
‘Welke nacht?’
‘Je weet wel… Toen we samen wat zijn wezen drinken.’
‘We zijn nooit samen uit geweest.’
‘Nee? Oh… Dan hebben we samen zeker een keer iets anders gedaan. Op een nacht…’
Hij glimlacht en loopt weg.
Angst slaat me om het hart. Het lijkt kouder nu dan het was.
Abrupt draait hij zich om. Hij komt terug, langzaam. Buigt zich naar me toe nu.
‘Je was m’n eerste man, weet je dat,’ fluistert hij in mijn oor. Ik voel zijn warme adem.
‘De eerste man met wie ik… iets ben gaan drinken.
Hij knipoogt. Slaat met een vlakke hand hard tegen mijn bil. De wonden zijn nog niet genezen en het is vreselijk gevoelig. Ik geef geen krimp. Nou ja, Ik krimp wel in elkaar, maar ik maak geen enkel geluid. Dat deed ik toen ook niet.