Categorieën
Fictie

Geketend door de tijd

Twee handen. Twee gerimpelde handen, getekend door de tijd. Vel over been. Op zijn rechterhand staan de aders als kabels strak gespannen. Onder zijn bolle, bruingele nagels heeft zich het vuil van een leven vol noeste handenarbeid opgehoopt.
‘Meneer, als je nu eens één hand zou omdraaien,’ zegt de jonge tekenaar.
Hij spant een vel papier nog wat steviger vast zodat de opkomende wind er geen vat op krijgt. De wind is zwoel, de lucht is vochtig. Een loden zon legt een drukkend warme gloed over het marktplein.
‘Mijn handen liggen goed zoals ze liggen,’ zegt hij nors. De woorden rollen rochelend uit zijn mond.
‘Doe nu eens wat hij zegt,’ zegt zijn vrouw. Haar stem is hoog maar krachtig.
Hij kijkt haar beschuldigend aan.
‘Ik weet niet wat ik hier doe,’ zegt hij tegen de tekenaar.
‘Je hand, Robert. Draai die nu eens om.’
Met een diepe zucht richt Robert de handpalm van zijn linkerhand naar boven. De tekenaar glundert als hij in de hand een grauw landschap ontdekt vol diepe groeven als uitgedroogde rivierbeddingen. Blij als een kind draait hij de hand een kwartslag om nog meer zonlicht in de hand te laten vallen. De schaduw van zijn vingers streelt het onderliggende kleed.
‘Mooi, mooi, mooi.’
Zonder dat iemand erom vraagt, opent Robert zijn hand nog meer. Zijn blik verschuift naar het geweven kleed dat bezaaid ligt met pluisjes. De getaande huid van zijn handen vloeien naadloos over in de bruine stof.
Zijn andere hand ligt nog steeds met de handpalm naar beneden, rustend op het kleed. Berustend. Wachten op wat komen gaat.
‘Ontspan je maar,’ zegt de tekenaar.
‘Ik ben geen kind.’
Een paar meter verderop bekijkt dokter Kindermans het tafereeltje met een lichte weemoed. Hij dept met een zakdoek wat zweet van zijn gezicht. Zijn hemd kleeft aan zijn rug. In zijn hoofd vechten duizend gedachten.
‘Alleen zijn handen,’ zegt de vrouw.
Hij kijkt haar vragend aan.
‘Ik wil een tekening van alleen zijn handen.’
‘Mag ik vragen waarom?’
‘Zijn handen zijn mij dierbaar. Als ik in zijn handen knijp, dan voel ik dat hij nog veel van me houdt. Al zal hij dat nooit toegeven.’
‘Nochtans …’
‘Alleen zijn handen, jongeman.’
Hij stoot een zenuwachtig lachje uit.
Robert doet alsof hij haar niet hoort, buigt licht voorover en lijkt een studie van zijn eigen vingers te maken.
Het kan dus toch, denkt de dokter, liefde die zich staande houdt. Zelfs op knokige beentjes. Zijn hoofd zit in dromerige sferen.
‘Gaat het nog lang duren?’ vraagt Robert. ‘Ik smelt.’
De vrouw graait in een linnen tas, diept een pet op en zet hem op Roberts hoofd. Ze trekt de klep naar beneden tot diep over zijn ogen.
‘Zo beter?’ vraagt ze met een ironische toon in haar stem.
Hij schuift hoofdschuddend zijn pet wat hoger op zijn hoofd.
‘Je handen, Robert,’ commandeert ze op een zachtaardige manier.
‘Ja, ja.’
Hij legt zijn handen op dezelfde manier als voorheen.
‘Handen zijn blijkbaar erg belangrijk voor jou?’ vraagt de tekenaar aan de vrouw.
‘De handen staan steeds in verbinding met het hart,’ zegt ze. ‘Elke handdruk is een hartdruk.’
‘Je bent een wijze vrouw.’
Robert schraapt zijn keel.
‘Heb je kinderen?’ vraagt de tekenaar aan Robert.
Het lijkt of de woorden rond hem heen kabbelen om in een peilloze diepte te verdwijnen.
‘Eén. Een zoon,’ zegt de vrouw.
‘We hebben hem al lang niet meer gezien,’ zegt Robert met scherven in zijn stem.
‘Al achttien jaar,’ zegt de vrouw. ‘We hebben er niets meer van gehoord sinds …’
Haar ogen vullen zich met gemis.
De woorden snoeren de keel van de dokter alsof hij van binnen gewurgd wordt.
‘We hebben ons best gedaan om hem een goede opvoeding te geven,’ zegt de vrouw, ‘maar op een dag vliegen ze uit. En dan hebben wij niets meer te zeggen. Alsof al onze toewijding oplost als een bruistablet in een glas water.’
Het kost de dokter moeite om zijn tranen tegen te houden.
‘Het verleden is zo op iemands gezicht af te lezen,’ zegt de tekenaar. ‘Als je er maar de tijd voor neemt.’
‘Herinneringen zijn belangrijk,’ zegt ze. ‘Dat is het enige wat we nog van onze kleindochter hebben. Daar houden we ons aan vast.’
De tekenaar leunt achterover.
‘Voor wie zijn verleden verbrandt, is de toekomst zwart,’ zegt hij.
‘Zo diepzinnig?’
‘Ik heb het ook maar van iemand anders gehoord. Blijkbaar heb ik het onthouden. Ze zegt wel meer vreemde dingen.’
‘Ben je getrouwd?’ vraagt ze.
‘Nee, ik heb geen vrouw nodig. Ik zie pasgetrouwde stelletjes naar me toe komen voor een tekening, vol liefde en mooie woorden maar wat blijft er na zoveel jaar van over? Dikke ellende.’
Hij kiest een donkerder potloodje uit.
‘Geluk en verdriet zijn in elk mensenleven met elkaar verweven als draden in deze stof,’ zegt ze. ‘Van ver zie je het verschil niet, enkel als je het onder de loep neemt zie je de verschillende draden. Wees wijs en als het even tegenzit, neem afstand.’
‘Wazig is soms ook mooi,’ zegt hij.
Hij schikt het wollen kleed op die manier dat er nog meer reliëf te zien is.
‘Het is een mooi kleed,’ zegt ze.
‘Toevallig gevonden,’ zegt hij. ‘Op een rommelmarkt.’
‘Niets is toeval.’
‘Dat zei het meisje ook dat me het kleed verkocht heeft. Het kleed hoorde bij me, zei ze. Het was een vreemd gesprek. Alsof we elkaar al jaren kenden. Ik heb dingen over mezelf verteld die ik anders aan niemand zou durven toevertrouwen. Ik had zelfs niet eens in de gaten dat er mensen stonden mee te luisteren.’
Het oude vrouwtje knikt met een minzame glimlach rond haar lippen.
De tekenaar strijkt op enkele plaatsen nog wat plooien glad. Hij probeert wat pluisjes los te trekken.
‘Laat die maar zitten,’ zegt ze. ‘Ze horen bij het kleed als, zoals jij het zegt, dikke ellende bij het leven.’
Even kijkt hij haar vol in de ogen aan. Hij glijdt weg in een ongekende leegte. Het blijft enkele ogenblikken stil.
‘Ik heb niet de hele dag,’ zegt Robert.
‘Je hoeft echt geen tekening met hem helemaal erop?’ vraagt de tekenaar aan de vrouw. ‘Hij heeft een mooie kop als ik het zo oneerbiedig mag zeggen.’
‘Nee, zo is het goed.’
Ze lacht fijntjes.
‘Staat hij er nog steeds?’ vraagt de vrouw.
‘…’
‘Achter ons.’
‘Wie bedoel je?’
‘Onze zoon. Ik voel hem.’
De tekenaar gluurt over de schouders van de vrouw. De dokter kijkt betrapt. Een vlaag van tekortkoming slaat hard toe.
De vrouw buigt zich naar de tekenaar.
‘We wachten tot hij ons opnieuw opzoekt,’ fluistert de vrouw. ‘Maar hij moet de eerste stap zetten, dat heb ik Robert beloofd.’
De tekenaar knikt. Met zijn hand veegt hij een potloodlijn wat uit zodat het minder scherp toont.
De dokter zoekt diep in zichzelf de kracht om zijn vader op de rug te tikken, om hem te omhelzen, om vergeving te vragen. Het lukt hem niet om te verroeren. Hij is geketend door de tijd.
In minder dan tien minuten werkt de tekenaar de tekening af.
‘Gaan we nu naar huis?’ vraagt Robert. ‘Een kwartier van mijn tijd verloren. Wie weet hoeveel ik er nog heb?’
Hij plukt wat loshangende velletjes van net onder de nagel van zijn pink.
‘Veel sterkte,’ zegt de tekenaar met een knipoog tegen de vrouw.
Ze neemt zijn rechterhand en klemt hem krachtig tussen haar twee kleine, magere handjes.
‘Nee,’ zegt ze, ‘jij veel sterkte.’
Met licht vochtige ogen kijkt ze naar Robert die stilzwijgend haar arm ondersteunt om haar van het gammele krukje te helpen.
De dokter kan niet verhinderen dat er diep in zijn binnenste een wonde ettert.