Categorieën
Fictie

Frisson

Frisson

De jurk draagt mij; ik dacht dat ik het nodig had. Er is vast een goede reden voor de spiegel in de lift, maar de enige reden voor het felle licht is de lage prijs ervan. De combinatie spiegel/overbelichting is onplezierig. De jurk verlaat met een zacht geruis het krappe hokje. Krap, want in deze jurk voel ik me groot.

Ik had de stof toen voor het eerst nauwelijks aan durven raken; het zag er zo fragiel uit. Het mocht wel hoor, zei hij; hij had er al zoveel aangezeten, zelf. Hij had uren met de stof op zijn knieën doorgebracht. De jurk rook naar iets dat me bekend voorkwam, en toen hij zag dat ik de geur van de stof opsnoof, veranderde zijn gezichtsuitdrukking een heel klein beetje. Ik heet Badiou, zei hij, alsof ik een soort toverformule had gebruikt, de formule die me toegang gaf tot een geheim genootschap. Het geheime genootschap der stofsnuivers. Of ik de jurk wilde hebben. Wat een absurde vraag. Een jurk die de drager kan veranderen geef je niet zomaar weg en bovendien leek het gevaarte me wat ruim. Ik hield zijn creatie voor me en deed alsof ik voor een spiegel draaide. Badiou draaide zich om ging aan het werk. Ik knuffelde de jurk tegen me aan en voelde tranen opwellen. Er ging een rilling door me heen, mijn wangen werden warm, de stof die eerst nog stijf voelde, plooide zich om mijn handen, vouwde zich om mijn lijf, leek me te willen troosten. Ik maakte me zorgen om de vlekken, water met zout, dat kan toch niet goed gaan op deze delicate stof? Vanachter een andere grote lap stof zei hij: dat kan ze wel hebben hoor. Ze zal het dragen.

Ik droeg altijd alles, maar nu had ik iets in handen dat mij zou dragen. Badiou was serieus; hoe kon ik denken dat hij een grap maakte? Hij wist niet eens hoe dat moest; hij maakte geen grappen, hij werkte met stof, hij werkte niet met woorden, alleen met stof. De stof die hij maakte, raakte mensen aan. Hij liet het door zijn handen glijden, hij voelde iets, snoof, dacht na. Het was magisch om te zien wat er gebeurde; het leek alsof hij naar de stof luisterde, de stof fluisterde: ‘ik wil voelen, ik kan dragen, ik plooi me, ik zal zuchten en ruisen en aaien en de juiste persoon zal zich er thuis in voelen’.

Zolang ik geen persoonlijke band aanging met mijn kledij was het niet meer dan dat. Een omhulsel om niet naakt te zijn. Zodra ik de stof van Badiou ging dragen, voelde ik mijn kleding. De stof zat op mijn huid, dat weten we maar we voelen het niet; ik voelde het nu wel, de stof raakte me áán. Ik werd gestuurd, gelift, gedragen.

Dat kwam goed uit, want ik moest naar een feestje. Een opgeblazen affaire, een pompeuze bedoening, een feestje met dresscode, met bubbels, met etiquette, kortom, theater. Dat behoeft een kostuum en nu had ik er één. De hoop stof die me in het atelier nog een gevaarte had geleken, zat natuurlijk als gegoten. Ik zou het niet comfortabel noemen; het is eerder als een nieuwe vriend die de boel niet gemakkelijker maakt, maar wel beter. Ik voelde me meer mezelf, ik kon me gewoon bewegen, ik doe moeite, maar het loont. Het was gepast om veel tijd te besteden aan de voorbereiding voor het feest. Ik kleedde me uit, want: first things first. Ik wreef mijn lijf in met olie, geurende notenolie, ik had iets nodig dat me kon voeden. Ik bedacht me dat ik vanaf nu alles vanaf de buitenkant zou doen: voeding via mijn huid, schoonheid aan de buitenkant van mijn huid in plaats van er binnenin. Gevoed en gevet deed ik een dans, als oefening voor de avond. Niet dat ik zou gaan dansen, ben je gek, het was een oefening in bewegen met ease. Bewegen door water, beweeg like you don’t care. Beweeg in slow-motion, alsof je in een film zit, met muziek erachter. Een hete douche, mijn vetlaag smolt, ik kwam stomend de badkamer uit, wreef mezelf droog en hulde me direct in de nieuwe stof van Badiou, want deze jurk moet mij aanraken, hoe kan ze me anders dragen? Samen gingen we op blote voeten de trap af. Ik heb schoenen voor elke gelegenheid maar niet voor deze en ik overwoog de blote voeten aan te laten. Het allersexyst zijn blote voeten of loeihoge hakken en ik koos de hakken. Ik paradeerde, ik ging vast oefenen met een glas. Voor de zekerheid schonk ik er wijn in, dat werkt beter. Het werkte.

Ik had me een soort loods voorgesteld, een feest in de categorie: ruige buitenkant met met een laagje beschaving aan de binnenkant; ik had reden dat te denken want de buurt stond niet al te best bekend. Misschien had ik een taxi moeten nemen maar hoe kruip je in een auto met zo’n omhulsel als metgezel? Ik stapte naar buiten, het was koud, dat voelde ik maar het deerde me niet. Ik deed mijn koptelefoon op en luisterde naar een lied dat ik nog nooit had gehoord maar dat ‘Sinaasappels’ heette. Ik zette het op repeat want het paste precies bij mijn slow motion-walk door de buurt. Ik keek zelfs langzaam om me heen, mijn glimlach speelde langzaam om mijn mond en door mijn lijf, ik lachte minzaam. Er was niets ruws aan het gebouw; de buurt was ruw maar het gebouw glansde; ik kon ver naar boven kijken, alles was van glas, als het maar niet brak. Zelf was ik allang niet meer bang om te breken. Ik moest twee rondjes om het gebouw lopen voor ik zag waar de ingang was. De hakken zijn hoog dus kon ik me geen aarzelende beweging veroorloven, elke stap moest in de juiste richting gaan, net als wanneer je op kantoor zit, en je schrijft, en mensen om je heen weten dat je schrijft, dan wil je ervoor zorgen dat je vingers gemakkelijk over het toetsenbord vliegen, tiktiktiktiktikkietiktikkerdetik, in een lekker ritme, zo schrijven schrijvers immers, met vertrouwen, met een doel, altijd een volgende zin, een volgend woord, de volgende letter paraat.

Een kil gebouw, een kille entree. Geen pislucht, geen stemmen, geen graffiti, geen uitzicht behalve op andere gebouwen. De anonimiteit benauwt me maar dan slaat mijn jurk de stof weer om mij heen. Net nu ik het nodig heb, lijkt het alsof ik in een deken naar buiten ben gegaan; ik kijk naar beneden en zie: dik en zacht, doorschijnend en donker, aansluitend en in plooien, als ik stilsta valt het over mijn knieën, ga ik lopen, dan wijkt de rok voor me en komen mijn benen helemaal tevoorschijn. Ik draai rond. De opening aan de voorkant van de jurk verplaatst zich naar de achterkant en ik moet ervan lachen. Het lijkt alsof ik een grofgebreide trui aan heb en als ik mijn armen spreid dan is dat ook zo; grote, glanzende draden spannen zich lichtjes om mijn armen en om mijn bovenlijf.

Het feest is echt een happening; het gebeurt op het dak. Ik ben van plan de trap te nemen omdat ik dan echt tijd heb mijn entree te overdenken en in stijl te arriveren; een idioot voornemen omdat er 36 verdiepingen zijn, stel je maar voor hoe elegant je dan bovenkomt op loeihoge hakken en een lange jurk, zelfs als die jurk je draagt. De jurk staat op het punt me uit te lachen, dus nemen we de lift.

Als ik vroeger naar een feestje ging, dan wist ik soms het huisnummer niet van de jarige. Dan ging ik bevend op weg, iets te laat misschien, hijgend fietste ik de straat door, in het donker, waar was dat stomme huis nou, mijn cadeau was vast suf, wacht, ik at vast een chocolaatje uit het de feestelijke verpakking, dat zou ze niet merken en ik had het nu wel nodig, misschien moest ik maar niet meer gaan, de film was vast in volle gang en er was vast weer paprikachips wat goor is en als ik het niet at had ik anorexia. Het feesthuis was natuurlijk feestelijk verlicht, er hingen gekleurde lampjes buiten, er klonk muziek, en de echte smoking gun was de rij fietsen buiten. Ik was helemaal niet laat, er kwamen nog anderen aan en iedereen gaf geld.

Nu staan er geen fietsen en ik hoor ook geen muziek; in de lift is het doodstil en ik zie alleen mijn eigen reflectie want er is geen andere plek dan heel dicht bij de spiegel. Ik kijk diep in mijn ogen, ik grom, ik ontbloot mijn tanden, ik leg mijn vinger op mijn lippen en fluister: shhhhh. Het is ver naar boven; ik heb tijd genoeg. De deur gaat open; ik ruis het dak op. Go, go, go, dans op de wolken.