Categorieën
Fictie

Foetsie

Turnhout anno 1578.

Donder en bliksem vergezelde de hagel. De striemende ijsstenen geselden de gewassen rondom Turnhout, de hoofdplaats der Kempen.
Over de gekneusde akkers renden de honden met razende snelheid tot aan de dichtbeboste rand. Daar liepen ze met hun neuzen aan de grond zoekend naar de geur van de prooi, niet gehinderd door de hagel. Een blikseminslag in een geïsoleerd staande eik een paar honderd meter verderop deed ze even opkijken. Enkele honden jankten. Al snel gingen hun neuzen weer naar de natte, zwarte veengrond.
Het alfawijfje, een slanke donkerbruine teef, liep al links en rechts snuffelend en snuivend richting het eikenwoud. Vanuit de verte klonk, tussen de donderslagen door, het geschreeuw en geroep van zo’n 20 jagers. Vele van hen hadden een bel bij zich. Ze brachten een muur van geluid met zich mee, waardoor het leek alsof een beiaardier waanzinnig was geworden en zich vergreep aan de kerkklokken. De hagel was overgegaan in stortregens die grote plassen veroorzaakten waar de jagers doorheen ploegden, diep wegzakkend in de losse grond. Soppend en tierend naderden ze de plek waar de honden aarzelend snoven. De teef spitste haar oren voor een ander geluid, niet hoorbaar voor het menselijk oor. Meteen stoof ze weg, gevolgd door de roedel. De honden verdwenen in het woud hun sporen achterlatend die zich snel vulden met het regenwater. De jagers stopten bij de rand en keken elkaar vertwijfelend aan. Nog nooit was iemand het woud ingegaan en er weer uitgekomen. De boeren die aan de rand van het woud hun akkers hadden, zagen met regelmaat vreemde schepsels, of dachten die te zien. Kleine wezens met vurige ogen, klauwen en scherpe tanden. Altijd verdwenen ze in het woud, diep de donkerte in.
De jagers hoorden vanuit het woud de honden blaffen en grommen. De mannen, doorweekt en druipend van het regennat, zagen de donkerbruine teef uit het woud komen. Ze liep mank door de gapende wond aan haar achterpoot en strompelde piepend naar de mannen toe. Een van de jagers, een reus van een man genaamd Pier en getooid met een grote zwarte baard, liep richting de hond. Hij liet zijn enorme bijl uit zijn handen glijden, starend naar de bek van de teef. Tussen de opeengeklemde gele tanden en slierten kwijl die tot aan de grond hingen, bungelde iets wat Pier nooit eerder had gezien. De teef gromde toen Pier zijn hand naar haar uitstak. De wond was diep en waarschijnlijk dodelijk zag de man. Pier mompelde zacht tegen de teef waarop ze door haar poten zakte en haar buit los liet. Wat Pier en zijn mannen zagen was een klein wezentje, niet groter dan hun onderarm, gekleed in wat leek op een koninklijk gewaad van damast, gesponnen met goudkleurige draden. Sierlijk en tegelijkertijd robuust, gemaakt voor de wildernis. Het gezicht van het wezen was doorrimpeld en het had een lange witte puntbaard. Ogenschijnlijk mannelijk en zo dood als een houten plank. De andere mannen kwamen dichterbij om het wezen eens goed te bekijken. Uit een van de zakken hing iets roods.
Pier pakte het tussen zijn duim en wijsvinger en trok het voorzichtig uit de jaszak. Het was heel klein in de grote knuist van de jager en het leek op een kledingstuk. Het kwam het dichtste bij een grote rode kegel die net zo lang was als het wezen zelf. ‘Mannen,’ zei Pier, ‘volgens mij hebben we de koning te pakken.’

Pier bukte om zichzelf toegang te verschaffen tot de kleine arbeiderswoning waarin hij verbleef met zijn vrouw en vijf kinderen. ‘Ben je daar eindelijk,’ riep zijn vrouw terwijl ze roerde in een pan die op het vuur stond. De soep pruttelde zacht en vulde het hutje met de geur van verlangen naar een gevulde maag. De kinderen van Pier en zijn vrouw Stien speelden op het veld bij het moestuintje aan de zijkant van het huis. Pier zette zijn forse lichaam te rusten op de stoel naast de werktafel en gooide een plunjezak midden op de tafel. ‘We hebben er weer eentje te pakken gekregen vrouw. Wat eten we?’ Stien negeerde de vraag en knikte naar de plunjezak op de tafel. ‘Wat heb je bij je, iets waardevols gevonden bij dat vervloeckt gespuys?’ Pier zweeg en ging met een zucht zitten. ‘Draait altijd alles bij jou om Spaanse matten? Zijn er geen zaken in de wereld die van grotere waarde zijn? Die vijf bloedjes van kinderen buiten bijvoorbeeld?’ Stien stopte met roeren in de pan en keek haar man aan. ‘Wat in ’s Herennaam is er in jou gevaren? Heb je een klap voor je kanis gekregen?’ Pier liet zijn gele tanden zien door iets wat je als een glimlach zou kunnen beschouwen. ‘Pak wat te drinken voor me vrouw en hou je snater.’ Stien wreef wat droge kruiden tot kruimels in haar verweerde handen boven de dampende soeppan. ‘Ik weet niet wie jij denkt dat je bent, maar ik ben niet jouw dienstmeid. Er staat nog een kan hopbier in de kelder onder de trap. Schenk voor mij ook maar wat in. Laat die handjes wapperen.’ Terwijl ze haar handen aan haar schort afveegde keek ze haar man aan. ‘Wat zit je daar nou met die domme grijns op je gezicht. Vertel wat er is of je krijgt een tik met de lepel.’ Pier pakte de zak die op de tafel lag en opende deze voorzichtig. ‘Je had het toch over dat vervloeckt gespuys?’
Stien snoof verontwaardigd. ‘Ja die inderdaad. Weer een van die kabouter krengen minder. Wat is daarmee?’
‘Het was niet zomaar een kabouter,’ Piers grijns werd nog breder. ‘We hebben Kirië te pakken gekregen, God mag mij neerslaan met bliksem en hellevuur als het niet zo is.’ Pier haalde het restant van de opgejaagde kabouter uit de zak en legde het voorzichtig op de tafel. ‘Zo dood als een kadaver. Wat zeg ik, zo dood als 20 kadavers.’
‘Haal dat gedrocht van de tafel man. Ik wil die viezigheid hier niet in huis.’ Stien haalde haar neus op en vertrok haar gezicht tot een grimas. ‘Ik kan het vanaf hier ruiken dat stinkend karkas. Weg er mee.’
‘Dat karkas had wat interessants bij zich,’ Pier pakte een doosje uit de plunjezak. Het rechthoekige doosje leek gemaakt van een licht metaal, versierd met afbeeldingen van wat een veldslag leek. ‘Was dá?’ vroeg Stien. ‘Geef eens hier, laat me eens kijken?’ Pier gaf het doosje aan zijn vrouw. ‘Kon het niet open krijgen, het lijkt uit één stuk gesmeed.’ Stien draaide het om en om in haar eeltige handen. ‘Ik zie ook geen opening of naad of zo.’
‘Juist ja,’ knikte Pier. ‘Dat zeg ik toch, en weet je wat het meest bizar is?’ Pier keek zijn vrouw aan wachtend op een reactie.
‘Ja wat dan, man, zit niet zo stompzinnig te kijken en gooi het er uit nondeju.’
‘De plaatjes op de doos veranderen. Elke keer als je kijkt zie je wat anders.’ Stien keek weer naar het doosje, schrok en wierp het met een hoge kreet in een hoek van het huisje. ‘Doe dat weg, het is betoverd. Ik wil dat ding niet in huis en neem dat kabouterkadaver ook mee. Ben je bezeten dat je dit mee naar huis neemt?’ Pier stond op om het doosje op te pakken. Hij kon zich niet in zijn volle lengte uitstrekken zonder zijn hoofd te stoten tegen de balken in het plafond. ‘Wat zag je?’ vroeg Pier. ‘Moet ik het echt wegdoen? Weet je wel hoeveel ik hier voor kan krijgen? Een toverdoos van Kirië, koning der kabouters?’
‘Die plaatjes veranderen Pier.’ Stien zakte door haar knieën en hield haar handen voor haar gezicht. ‘Ik zag de kinderen op het doosje. Onze kinderen. De kabouters namen ze mee. Boven hun hoofden het bos in.’ Stien keek Pier met grote ogen aan. ‘Het leken onze kinderen, Pier. Hoe kan dat?’ Het drong nu pas tot Pier en Stien door dat de geluiden van hun spelende kinderen, die van buiten door de ramen naar binnen kwamen, vervangen waren door een ijzingwekkende stilte. Pier keek Stien aan die hoog en scherp begon te gillen ‘Nee! Nee! Nee! Wat heb je gedaan!’
Pier stoof naar buiten en rende naar de plek waar de kinderen een paar minuten geleden nog speelden en zag een leeg veld. Ze waren nergens te zien of te horen. Pier wilde roepen toen zijn adem stokte. Hij zag in het moestuintje naast het veld vijf stenen beeldjes staan. Beeldjes die er eerder niet stonden. Zijn benen trilden en hij zakte op de grond. Hij besefte dat hij het metalen doosje in zijn handen hield. De afbeeldingen waren verdwenen, foetsie. Het doosje was egaal, zonder enig krasje of butsje. Pier keek naar de vijf stenen figuurtjes. Beeldjes van vijf kinderen met een rood puntmutsje. Zijn kinderen.