Categorieën
Fictie

Expositie

Zodra ik mijn vinger van de bel haal zwiept de voordeur als op commando open. Hannah tuimelt haast de stoep op, slaat haar armen om mijn nek en bedwelmt me in een geur van verse appeltaart en haar koperen krullen, die uitbundig in mijn gezicht deinen in de vaart van haar omhelzing. Dan neemt ze me bij de hand en trekt me mee, de lange gang van het smalle herenhuis in. Aan de muren, die aan me voorbij flitsen alsof ik in de tram zit, hangen levensgrote portretten van vrouwen, in alle soorten en maten maar allemaal geschoten in zwart wit. Ik vraag me af of ze mijn foto nog heeft, een van de weinige die ze ooit in kleur heeft geschoten met zelfs een opvallend paars detail in de vorm van een lavendeltakje achter mijn oor.
Voor ik haar ernaar kan vragen zijn we nog een deur door, de woonkamer in. Het is er razend druk met mensen die om statafels draaien en hard lachen en personeel dat zich met een indrukwekkende snelheid door de menigte manoeuvreert, met zilveren dienbladen waar de gasten met enige behendigheid de hapjes vanaf weten te plukken. In het midden van de kamer staat een immense chocoladefontein, die onophoudelijk stroomt en spettert en waar iedereen ver van uit de buurt lijkt te willen blijven.
Van de intieme setting die ik had verwacht aan te treffen is geen enkele sprake. Het rumoer zoemt in mijn oren en Hannah hoort me pas als ik voor de derde keer haar naam uitspreek. ‘Ik moet even met je praten,’ probeer ik, mijn stem verheffend. Hannah knikt breed lachend, haar ogen stralen. ‘Straks!’ roept ze, ‘Straks!’ Ze strekt haar arm vol rinkelende armbanden uit en tikt een van de in smoking gehulde mannen op zijn schouder. ‘Lea, dit is Jonas. Jonas, dit is Lea!’ Ik glimlach beleefd naar de man met het kale hoofd en de grote baard, en schudt zijn uitgestrekte hand. ‘Jonas was helemaal lyrisch over je stuk in de Volkskrant, hij vond het géniaal!’ Hannah slaat haar arm om de kleine man heen en wiebelt suggestief met haar wenkbrauwen. Tot mijn ergernis zie ik dat Jonas nog een kleur krijgt ook. Hier is helemaal geen tijd voor.
Ik pers er een ‘bedankt, dat betekent heel veel voor me’ uit voor ik Hannah bij haar armbanden grijp en mee gris, terug de gang op. ‘Au- wat doe je!’
‘We moeten praten.’
‘Dat zei je al, maar moet dat nu! Er zijn nog honderd mensen die ik hallo moet zeggen-’
‘Dat kan wachten.’
‘De redacteur van Vogue loopt daar rond, je weet hoeveel-’
‘Hannah-’
‘-een covershoot voor me zou betekenen en Jonas is trouwens-’
‘Het gaat niet om Jonas-’
‘-ontzettend aardig en het was enorm onbeleefd hoe je daarnet-’
‘Bram is dood.’
Ze verstilt. Haar blik, nog gericht op een punt achter me, lijkt naar binnen te keren. Ik moet denken aan hoe, wanneer ik vroeger de tv uitzette, het scherm dan van buiten naar binnen zwart werd, implodeerde. Ik ben haar kwijt, schiet het door me heen. Die gedachte heb ik vaker gehad, maar dit is het moment waarop ik haar echt voorgoed kwijtraak. Even staan we doodstil tegenover elkaar. Niemand zegt iets. Ik kijk naar Hannah en Hannah kijkt naar niets. Het valt me voor het eerst op dat je in haar wangen heel licht de adertjes onder haar huid ziet lopen, een kwetsbaar netwerk van een niet aflatende bloedstroom. Bij mijn oma zag ik dat ook altijd, rode vertakkingen onder een zacht wit donslaagje.
Hannah strekt haar hand uit en omklemt mijn pols, niet stevig, zoals ik had verwacht, maar lichtjes, alsof ze te zwak is om nog te knijpen. De stilte die maar voortduurt sluit zich om mijn keel. ‘Ze hebben hem vanmorgen gevonden,’ poog ik. ‘Ik had je meteen willen bellen maar ik weet hoe belangrijk vandaag voor je is. Ik was nog zijn noodcontact en ik moest ook mee, naar het mortuarium, ik moest kijken of hij het echt was. Ik dacht eigenlijk dat hij het niet was, niet kón zijn, ook al wist ik dat het adres klopte en alleen hij het kon zijn. Ik geloofde het niet.’
De deur naar de woonkamer zwiept open en drie kinderen stormen de gang binnen, de voorste gillend van de pret, de achterste twee met gestrekte armen achter haar aan. In een reflex doe ik een stap naar voren om ze langs te laten en ze denderen ons voorbij, de trap op naar boven. Het lawaai van de drukte binnen waait door ons heen tot de deur met een klap dichtvalt en het geluid weer verstomd. Er gaat een schokje door Hannah heen. De traan die al een tijdje aan haar wimpers kleefde spat op haar wang en zakt traag in een boogje naar beneden. De druppel smelt steeds kleiner en zakt steeds trager tot hij vlak voor haar mondhoek halt houdt.
Ik kijk naar haar mond, naar de sproetjes om haar lippen. Er zit nog een zweem lipstick op, waardoor ze een bijna buitenaardse bronzen glans krijgen. Voor ik me kan beheersen druk ik mijn lippen op de hare. Er ontploft een bom in mijn binnenste. Haar zoete geur, nu zo dichtbij bedwelmt me haast en ik adem stevig in terwijl ik nog een stap dichterbij doe. Ik voel het bloed pompen in mijn oren. Mijn rechterhand gaat als vanzelf naar boven en omsluit haar kleine volle borst. Voor een seconde proef ik het puntje van haar tong.
Hannah duwt me van haar af en ik klap tegen de muur achter me. Mijn achterhoofd maakt een tik en er schiet een misselijkmakende pijnscheut door mijn hoofd. Ze staart me met wijd opengesperde ogen aan, het brons op haar lippen vervaagd. ‘Wat doe je,’ zegt ze, en dan nog keer: ‘Lea, wat doe je.’ Er fladdert iets in mijn buik. Paniek. Ik stamel dat het me spijt, dat ik niet weet wat me bezielde, dat ze zo erg op hem lijkt. Ze knijpt haar lippen samen. Ze zegt dat het beter is dat ik ga. Ik probeer uit te leggen waarom ik moet blijven, waarom ik niet weg kan gaan, dat ik haar niet ook nog kan verliezen, maar ze pakt me bij mijn schouder en duwt me de gang door, naar de voordeur. De zwart-witte vrouwen staren op me neer, volgen iedere stap die ik maak. Naast de voordeur hangt een kleine foto, een uitspatting van kleur. Ik staar naar mezelf in de zon, lachend naar Hannah achter de camera. Het bloemetje achter mijn oor is niet paars maar blauw. Een vergeet-mij-nietje.