Categorieën
Fictie

ER ZIJN NOG DRIE WACHTENDE VOOR U

Het verzorgingstehuis waar ik werk telt vier verdiepingen. Alle etages kent cliënten van dementerend tot zwaar fysiek hulpbehoevend, of een combinatie van beide. Hun laatste station. Als Indianen vroeger klaar waren met het aardse liepen ze, of ze werden er heen gebracht, naar een hooggelegen rotsblok. Om liggend op hun rug in de volle zon te versterven. Hongerige roofvogels ruimde de lichamen op. Hier niet. De wachtlijsten zijn enorm. De verzorging te goed.

Net thuisgekomen van het werk en van plan om onder de douche te springen, hoor ik mijn telefoon gaan. Moeders, zie ik en neem op. ‘Hoi mam, hoe is het ermee?’ ‘En weet je al of er binnenkort zicht is op een plek voor opa?’ vroeg mijn moeder voor de zoveelste keer. ‘Nee mam,’ zei ik. ‘Waarom niet?’ ‘Hoe vaak moet ik nog zeggen dat ik daar niet over ga als kok. Ik ben nu eenmaal niet de toewijzer over wie er wel en niet op welk moment mag komen wonen.’ ‘Ja maar je kent diegene toch wel? Die over de plaatsingen gaat? Kan zij of hij geen uitzondering voor je maken als personeelslid? Opa stond vanochtend om vier uur alweer te stofzuigen. De buren trekken het niet meer en ik ook niet. Hij heeft totaal geen gevoel van tijd en iedere keer dezelfde vragen die hij stelt, ik word er gek van.’ zei mijn moeder, zittend op de bank, heen en weer schuddend met een neergebogen hoofd. ‘Ik snap dat je er gek van wordt, ik zal kijken wat ik kan doen voor je.’ eindigde ik het gesprek. Zij verzorgt haar vader. En dat is meer dan zwaar. Regelmatig trekt hij zijn onderbroek over zijn broek aan of zijn hemd over zijn trui. De wc weet hij steeds minder vaak op tijd te bereiken en vrijwel iedere ochtend stinkt zijn bed naar pies. Een half jaar gelden ben ik bij mijn vriendin ingetrokken. Vanaf dat moment is opa in mijn slaapkamer komen wonen totdat er plek voor hem is in het verpleeghuis. Hij staat al langer dan een jaar op die wachtlijst. Volgens de laatste berichten zijn er nog drie wachtende voor hem. Begin december is het en mijn moeder heeft nog zorgverlof tot het einde van dit jaar. Ze moet echt weer aan het werk in januari, om rond te kunnen komen. Wie gaat er dan op opa letten?

Tijdens het inzepen en haren wassen begon het pitje te groeien in mijn hoofd. Vanwege corona kan het jaarlijkse kerstfeest dit jaar niet plaatsvinden in de grote zaal beneden. Om kerst niet in stilte voorbij te laten gaan, hoewel de meeste bewoners hebben er toch geen erg in, gaat er per afdeling gekookt worden. Vier dagen lang in de tweede week van december. Op maandag is het voor de eerst etage, dinsdag gaan we tweehoog, op woensdag naar de derde en tot slot sluiten we af op de vierde verdieping die donderdag. Iedere bewoner mag zijn of haar eerste contactpersoon ontvangen om aan te schuiven bij het diner. De tafels per appartement worden mooi gedekt, bij binnenkomst is er een glaasje prosecco voor de mee-eters. Al die dagen kook ik en help ik mee om het eten uit te serveren. Een idee van de leiding. Dat uitserveren, daar was ik het niet zo mee eens. Zij stonden erop, om net als in echt sterrenrestaurant, dat de kok even langsgaat bij zijn gasten.
Tijdens de pauzes hoor ik van de verpleging veel over de bewoners. Ontroerende verhalen, grappige verhalen, herkenbare schrijnende verhalen. Op iedere verdieping is er wel iemand te vergeven dacht ik bij mezelf. Eén hoog is de zwaarste afdeling binnen ons tehuis. Wie het zou worden maakt niet veel uit. Op de tweede woont mevrouw de Groot. Zij klaagt en scheldt tegen iedereen, dag in dag uit op een neerbuigende toon, en dat al ruim twee jaar lang. Voor haar hoeft het leven niet meer. Driehoog heb je meneer de Boer. Nooit getrouwd geweest, geen familie verder. Bezoek krijgt hij niet. Zijn dagen brengt hij stilzwijgend slijtend voor de tv door in zijn rolstoel. Veel is er niet bekend over hem. Eigenlijk niets. De honderd en één jarige mevrouw Klaver op de vierde zit apathisch de hele dag in haar stoel. Haar vingers zijn vastgeplakte dichtgeknepen vuisten geworden. Zelf eten kan ze niet meer. Gretig happen doet ze nog wel. Familie heeft ze nog. Sporadisch komen die haar bezoeken vanwege de afstand.

Vorig jaar heb ik met Ilse, zij is mijn vriendin, een workshop wildplukken gedaan.
‘Ilse?’ ‘Ja?’ ‘Die taxusbessen die we laatst gevonden hebben, waar zijn die?’ ‘In de vriezer. Hoezo?’ ‘Die wil ik gebruiken als decoratie bij het toetje voor de bewoners van het tehuis. Die besjes zijn mooi rood. Echt kerst.’ Wat is het toch een lieverd dacht Ilse bij zichzelf, zo begaan met de oudjes daar. ‘Haal je wel de pitjes eruit? Ik moet er niet aan denken dat een bewoner er per ongeluk in stikt of erger, er op gaat kauwen en doorslikt met alle gevolgen van dien. Je weet wat daarover verteld is bij dat wildplukken toch?’ zei ze. ‘Ja dat weet ik’ en lachte heimelijk. De pitjes hebben een mooie hazelnootsmaak dacht ik bij mezelf.

De sfeer zat er goed in alle dagen tijdens het kerstdiner. De uitverkorene kregen van mij als extraatje bij hun toetje, naast een paar mooie rode bessen die iedereen kreeg, fijngemalen hazelnoot strooisel over de slagroom. Mevrouw de Groot voelde zich vereerd dat zij een mooier toetje kreeg dan haar dochter. Meneer de Boer vond het allemaal wel best en de oude mevrouw van vierhoog genoot volop van de extra lekkere slagroom.

Twee dagen voor kerst was ik op de koffie bij mijn moeder. Op dat moment werd ze gebeld door het tehuis. Het gesprek probeerde ik zo goed mogelijk te volgen. Wat bleek, in één week tijd was de wachtlijst geslonken met vier personen. Deze tijd van het jaar kwam het wel vaker voor dat het opeens hard ging met de bewoners was de uitleg. Mijn moeder kon het niet geloven. Wat is ze blij dat opa voor het nieuwe jaar kan verhuizen. In geen tijden heb ik haar zo gelukkig gezien. Een betere kerst kon zij zich niet wensen, zei ze.