Categorieën
Fictie

Er was ooit een tijd

De wind schaatst over mijn bevroren wangen. Ik sla mijn sjaal voor mijn mond. En zucht. Er was ooit een tijd dat adem tegen de glazen van mijn bril wasem werd.

Die tijd is weg.
Sommigen zeggen: voor altijd.

De sjaal waait weg.
Ik vouw mijn handen tot een kuiltje en blaas erin. Een oude gewoonte. Ze baat niet.

Ik zoek iets om mijn bloed aan te warmen. Tevergeefs. Geen mens, geen kleur, zelfs geen geur. Gekraak onder mijn voeten van het dikke sneeuwtapijt. Kleine barsten in de ijzige stilte.
Toch iets om mijn hart aan op te halen.

Ik meander door het gewitte landschap, op weg, zonder te weten waarheen.
En dan – hoe kan het dat ik dat nu pas zie – een kind.

Een oase van kleur.
Neergeknield.

Ik ga dichter.
Het is onweerstaanbaar.

Op een armlengte of twee bevriest mijn pas. Ik hap naar adem.
Blijf alsmaar happen.

Ik reik naar het kind. Wil het in mijn armen sluiten.
Iets houdt me tegen.
Het kind merkt me niet op, staart naar de grond onder zich, die bij elke traan die erop landt, een beetje meer groen kleurt.

Ik probeer dichterbij te komen, wil zien wat het is waar het kind naar kijkt.
Iets duwt me terug.
Ik verlies mijn evenwicht. En val. Ik haal mijn gezicht uit de sneeuw. De voeten van het kind zijn bloot.

Zijn tranen liggen als parels op het herwonnen groen.
Nog steeds merkt het kind me niet op. Het lijkt ergens doorheen te kijken.
Zo aanwezig en ver weg tegelijk.

‘De wereld staat op zijn kop.’

Zijn stem klinkt als kleine klokjes die klingelen in een zachte zomerbries. De stilte die volgt, vouwt zich om me heen. Ik trek haar nog wat dichter tegen me aan. Ik geniet.
Een pasgeborene tegen de huid van zijn moeder.

Ik weet niet hoelang.
Hoe dan ook te kort. De wind schokt me. Ik open mijn ogen, keer terug naar waar ik ben, onderweg. Er is geen kind te bespeuren.
Ik sta op.

En vervolg mijn weg.
Weldra zal ik een bocht nemen en uit het zicht verdwijnen. Ik houd mijn pas in, draai me om, kan ginds net nog de kleine groene oase zien in de ijzige vlakte, en vandaar een spoor van voetstappen, groene stempels op een wit blad. Ik draai me weer om. Adem diep de koude lucht in. En de zoete geur van perzik.