Categorieën
Fictie

Er moet iemand dood

Er moet iemand dood. Dat is altijd hetzelfde. De druk kan niet maar eeuwig oplopen. Ooit moet er een ontlading zijn. En als het gebeurt, zal iedereen er schande van spreken. Vaak gaat dat dan gepaard met heel veel verdriet, misschien ook wel boosheid. Terwijl iedereen met ogen om te zien had kunnen weten dat dit zou gebeuren. Maar niemand had ingegrepen. Ook dat is altijd hetzelfde.

De Vader rijdt naar huis. Hoewel het exact hetzelfde huis is als waar hij al zestien jaar naar terug rijdt, in zijn hoofd is het helemaal niet hetzelfde huis. Terwijl hij vroeger een zucht van verlichting slaakte als hij zijn drukke straat inreed, nu voelt hij zich bezwaard als hij het huis ziet opdoemen. De laatste tijd is het steeds vaker donker als hij terugkomt uit zijn werk. Zijn veranderde gemoedstoestand ligt niet aan het huis, het ligt aan zijn bewoners. De vrouw, waar hij meer dan vijftien jaar geleden ‘ja’ tegen zei. De kinderen die kort na zijn ‘ja’ uit zijn vrouw zijn geboren. Hij had het zich zo anders voorgesteld. Hij had altijd gedacht dat zijn kinderen hem zouden aanbidden, en dat zijn vrouw hem dankbaar zou zijn voor alles wat hij hen gaf. Maar niets was minder waar. Zijn kinderen luisterden niet naar hem. In plaats van dankbaarheid schonk zijn vrouw hem een bak vol verongelijktheid. En wat het ergste was, de kinderen kozen haar kant. Er was wel liefde in het huis, maar niet voor hem. Het lachen verstomde als hij het huis betrad. Het huis dat hij had betaald en wat hij had verbouwd. Soms, als hij en zijn vrouw in bed lagen, dacht hij eraan hoe het zou zijn om haar te wurgen en alleen met de kinderen over te blijven. Hij stelde zich voor hoe haar gezicht rood zou worden, hoe hij wanhopig haar tong in haar mond zag bewegen tot deze bewegingloos tussen de lippen bleef hangen. Op dat moment zou de stroom gif opdrogen waarvan dit hele huis tot op de fundering doortrokken was. Zijn voet op het gaspedaal voelde ongemerkt steeds zwaarder. De bomen langs de kant van de weg passeerden zijn raam steeds sneller tot zij vervaagden tot één lange schaduw. En als zij dan weg was, dan zou hij met de jongens een nieuw begin maken. Zonder haar zouden ze zien hoe goed en mooi het kon zijn om tot een echte man op te groeien.

Even ziet de Vader zichzelf voor zich, als kind. Stil, in een hoekje, terwijl hij naar zijn eigen vader kijkt. Zijn vader was een man die niet sprak. Die vroeg nooit naar hem, speelde nooit met hem. Die ging nooit met hem naar de duinen ging om aangespoeld brandhout te verzamelen en in brand te steken. Hij kon zich herinneren hoe graag hij dat had gewild, zoals hij hoorde van zijn vriendjes. En hier was hij nu, bereid om die schuld als vader in te lossen bij zijn eigen kinderen, en nu wezen ze hem af. Allemaal door haar.

De Moeder is thuis. Met verwondering kijkt ze naar haar zoons. Ze kan zich niet voorstellen dat deze wezens ooit uit haar zijn voortgekomen. Ooit had ze alles van hen geweten en begrepen, maar sinds de oudste zoon in de puberteit is geraakt, vraagt ze af of dat niet allemaal schijn is geweest. Ze snapt er niets meer van. Het maakt haar ook verdrietig, dat die vanzelfsprekendheid van de kindertijd er niet meer is. Met de jongste zoon heeft ze dat nog wel. Ze denkt in elk geval dat ze hem nog volledig begrijpt, al heeft ook die gedachte wat rafelrandjes gekregen nadat ze haar oudste zoon zo is kwijtgeraakt. Toen haar jongste zoon vandaag thuiskwam, leek hij wat bedrukt, alsof er iets was. Natuurlijk had ze gevraagd wat er aan de hand was, maar toen hij doorkreeg dat de moeder een bezorgde blik in de ogen kreeg, had hij verteld wat voor goede cijfers hij op school had gehaald. Het stemde haar gerust. Ze denkt wel te weten wat hem dwars zit. Het is zijn vader. Altijd als hij thuiskomt, raakt de sfeer bedrukt. Ze denkt dat hij een hekel aan haar, en ook aan de kinderen heeft gekregen. Ze weet niet zo goed waarom. Haar man vertelt haar vaak dat ze de jongens klein houdt, dat ze daarom niet goed voorbereid zijn op de harde wereld daarbuiten. Dat vindt ze onzin. Ze vindt het gezin niet de plaats om de kinderen voor te bereiden op de harde wereld. Soms doet haar man dingen waar ze boos om wordt. Dingen die hij doet om de kinderen ‘hard te maken’, zoals hij het zelf noemt. Als zij hem dan ter verantwoording roept, wordt hij boos. Zegt dat ze hem alleen maar nodig heeft om de rekeningen te betalen. Dat ze hem gebruikt. Soms denkt ze dat ze beter af zouden zijn zonder hem. Met zijn drieën vindt ze het leuk, gezellig. Maar elke avond stijgt de spanning in huis. Heimelijk droomt ze van het moment dat niet hij, maar de politie aanbelt. Dat ze te horen zou krijgen dat hij dood is. Zou ze dan het verdriet moeten veinzen? Om de verdenking weg te nemen dat ze zelf de remkabel van zijn auto zou hebben losgetrokken? Ze moet even in stilte lachen. “Wat ben ik toch een slecht mens”, denkt ze.

Even ziet de Moeder zichzelf voor zich, als kind. Ze voelt de slagen van haar vader nog branden op haar huid. Ze heeft zich teruggetrokken, op de zolder van het veel te kleine huis. Ze hoopt dat noch haar ouders, noch één van haar broers of zussen haar zal kunnen vinden. Ze hoort de stem van haar moeder: “Hoe durf je je vader zo boos te maken!” In gedachten speelt ze de herinnering nogmaals af, alleen ditmaal slaat ze hem terug. En niet alleen hem. Ze gaat verder dan haar ouders ooit hebben gedaan. Ze ziet hun bloed voor zich en dat voelt goed. En meteen voelt ze zich schuldig. “Ach wat”, denkt ze, “ze hebben het aan zichzelf te danken.” Als ze zelf een gezin heeft, zal ze haar kinderen beschermen tegen alles. Ze zal boven alles een goede moeder zijn.

De Zoon zit op zijn kamer. Hij zit op de bedrand en kijkt uit over straat. Hij heeft geruststellende muziek opgezet. Hij kijkt uit over straat. Die is nu rustig, maar straks zullen alle thuiskomende vaders de stoeprand vullen met auto’s. Wat zou zijn vader zeggen als hij zou weten wat er vandaag is gebeurd? De blauwe plekken zal hij gelukkig niet kunnen zien, die worden verborgen door zijn sweater en zijn broekspijpen. Zou hij door hem heen kunnen kijken, en zien dat hij het niet meent als hij zegt dat alles goed is gegaan vandaag? Zijn moeder niet, dat weet hij. Die is gemakkelijk om de tuin te leiden. Dat is ook de reden dat hij grapjes uit zijn hoofd leert, om zijn moeder te laten lachen. Zodat ze zijn pijn niet ziet.
Het was gebeurd toen hij vandaag het schoolplein afliep. Iemand riep ‘mietje’ en trapte hem in zijn rug. Hij struikelde. Door het gewicht van zijn rugtas was hij op zijn gezicht gevallen. Op zijn linkerarm steunend had hij geprobeerd zich om te draaien. Door zijn rugzak lukte dat moeilijk. Toen het hem lukte om even omhoog te komen, zag hij meerdere jongens om zich heen staan. Plotseling werd zijn arm van de grond getrokken en hij voelde dat zijn rugzak werd afgepakt. Hij hoorde kort daarna een plof en wat gekraak. Hij wist dat zijn rugzak in de dichte rozenstruiken was gegooid. Er werd een zware voet op zijn rug gedrukt en hij werd in zijn zij en tegen zijn benen geschopt. Hij had moeten huilen. Er klonk gelach. “Niemand moet jou, weet je dat? Was je maar dood.” Hierop werd er opnieuw gelachen. Iemand boog zich over hem, spuugde in zijn haar en de voet werd van zijn rug afgehaald. Hij was nog even blijven liggen. Na enkele minuten was hij opgestaan, had zijn kleding geïnspecteerd en tot zijn geruststelling gezien dat er niets gescheurd of beschadigd was en had vervolgens met enige pijn en moeite zijn tas uit de bosjes gehaald. Hij had geen haast gehad om thuis te komen. Als hij zei dat alles goed was, moest dat zo geloofwaardig mogelijk overkomen. Het laatste wat hij wilde is dat zijn ouders zich voor hem zouden schamen. Terwijl hij op zijn bedrand zit, vraagt hij zich af of zijn ouders gelukkiger zouden zijn als hij nooit was geboren.

De avond valt. Een man drukt het gaspedaal stevig in, al heeft hij geen haast om thuis te komen. Een vrouw bereidt zich voor en bereidt het eten. Een jongen maakt zijn bed op en legt alles in zijn kamer zo netjes mogelijk. Alsof hij daar vannacht niet heeft geslapen. Alsof hij nooit thuis is geweest.