Categorieën
Fictie

Eenzaam is de nacht

Slechts gekleed in een te grote onderbroek zit Stijn met opgetrokken knieën op zijn bed. Zijn hoofd leunt tegen de koude muur terwijl hij met schuine ogen naar het fotolijstje op de vensterbank kijkt. De foto wordt belicht door een mengeling van maneschijn en straatverlichting die zich door de spleet tussen de gordijnen perst. De jonge vrouw op de foto heeft kastanjebruine krulletjes tot op haar schouders en hangt in de armen van een opgetogen en dikkere versie van Stijn. Haar groene amandelvormige ogen kijken speels de camera in, maar haar brede lach, die haar glanzende tanden tentoonstelt, steelt de show.

De eeuwige stilte wordt barbaars verstoord door een schelle repeterende toon. Achteloos laat Stijn de rug van zijn hand op de snoozeknop vallen. De rode cijfers steken af tegen de donkerte. Het is drie uur. Met een vloeiende beweging verplaatst hij zich naar de rand van het bed en zet zijn pezige voeten op het gemeen koude laminaat. Kippenvel vermenigvuldigt zich vanaf zijn smalle onderrug richting zijn nek. Al bibberend vindt hij een smoezelige witte hoodie en donkerblauwe joggingbroek in de berg ongewassen kleren die de bureaustoel doet verdwijnen. Hij laat zijn lange lijf erin glijden. De elastische band van de broek rust op zijn uitstekende heupbotten en de trui hangt losjes om zijn broze torso. Als hij naar de kledingkast loopt, haalt hij zijn handen een paar keer door zijn haar, maar de poging om zijn piekerige blonde coupe onder controle te krijgen is tevergeefs.

Met langgerekte tenen trekt hij behendig de onderste lade van de kast open. Tientallen gestapelde naambordjes in diverse soorten en maten komen tevoorschijn. Bovenop ligt een rechthoekig stalen plaatje waarin, in zwarte blokletters, het cijfer veertien en de namen Hein, Marie, Lisa, Amy en Van Kesteren zijn gegraveerd. Stijn pakt het gevulde heuptasje uit diezelfde lade en bindt het geroutineerd om zijn middel. Blootvoets glijdt hij in een paar afgetrapte gympies en zo loopt hij de deur uit.

Eenmaal buiten in de snijdende kou marcheert hij door het harde licht van de lantaarnpalen, gewapend met een set van schroevendraaiers en plamuurmessen. Zijn bestemming is de nieuwbouwwijk een paar straten verderop. Los van een magere zwarte kater die vliegensvlug de bosjes in schiet als Stijn nadert, is er geen kip te bekennen op straat. De gordijnen, lamellen en rolluiken van de kersverse hoekige woningen zijn gesloten. Stijn sluit kort zijn ogen en haalt een keer diep adem. Hij voelt een kalmte als gevolg van het ontbreken van voorbijgangers die hem bezorgde blikken toespelen, vage kennissen die hem vragen hoe het gaat en bekenden die met een grote bocht om hem heen lopen terwijl ze naar hun tenen staren.

De eerste keer dat hij op pad ging, was de nacht na de begrafenis van zijn vrouw Julie. Ondanks de slaapmedicatie, bleef hij maar woelen en de film van die dag speelde zich onophoudelijk af in zijn gedachten. Zijn altijd vrolijke vrouw gekleed in haar zwarte lievelingsjurkje die als een stijve bleke pop in de zwarte glanzende kist lag, zijn schoonmoeder die eindeloos tranen over haar wangen liet rollen en de dichte kist die langzaam in een diepe kuil verdween onder scheppen modder. Uiteindelijk joeg zijn onrust hem naar buiten.

Al slenterend door de verlaten straten stuitte hij op een voortuin met heldergroen recht gewiekt gras. In het midden van het lapje grond stond een houten bord in de vorm van een kinderwagen, beschilderd met zwierige letters die de naam Menno spellen. Naast de voordeur hing een doorzichtig plaatje, met in het wit de namen Guido en Floor Jacobs erop. Gebiologeerd keek hij naar het stilleven van het gezin. Hij wenste ook een bordje, met op z’n minst twee namen: Julie en Stijn. Het tafereel deed zijn maag draaien, maar hij klemde zijn kiezen stevig op elkaar en vervolgde haastig zijn weg.

Zijn blik bleef echter op de naambordjes vallen die hij passeerde. De spanning in zijn spieren nam toe en zijn ademhaling werd vluchtiger. Plotseling, alsof hij uiteenspatte, rukte hij het dichtstbijzijnde naambordje van een stenen muur. Hij keerde om, liep vluchtig naar huis en borg het eerste bordje op in de onderste lade van zijn kast. Terug in bed, viel hij in een diepe slaap.

Inmiddels bestaat zijn verzameling uit vierenveertig naambordjes en is hij aangekomen bij zijn potentiële vijfenveertigste aanwinst. Het geboortebord van Menno is verdwenen en het overgebleven gat in de grond wordt omringd door gras dat alle kanten opgroeit. Stijn opent het kleine piepende hekje richting de deur. Zijn hart klopt steeds sneller en er ontstaat een laagje nattigheid op zijn voorhoofd. Als zijn neus bijna de voordeur raakt en hij op het punt staat zijn heuptasje open te ritsen, vliegt er een raam open, recht boven zijn hoofd. Een scherpe gele spotlight valt als een deken over Stijns gestalte. Van schrik stapt hij weer het donker in.

Het hoofd van een man verschijnt, hangend uit het raamkozijn. Zijn wenkbrauwen staan in de vorm van een v en hij vraagt op harde toon:
‘Hey, wat ben je aan het doen?’ Stijns hart maakt een sprong en met open mond staart hij naar de bolle kop die boven hem hangt. De man heeft rode gladde wangen en ronde bruine ogen, die Stijn van top tot teen bestuderen.
‘Uhm…Ik was even naar jullie naambordje aan het kijken,’ perst Stijn er zo nonchalant mogelijk uit. Zijn lippen forceren een glimlach en hij stapt wat stuntelig nog twee stappen achteruit. ‘Ik dacht dat ik de naam van je vrouw herkende. Floor Jacobs…’ Hij wijst naar het bordje. Het zweet op zijn voorhoofd heeft inmiddels de vorm aangenomen van sijpelende druppels. Er valt een lange stilte, waarin de sceptische indringende blik van de man verzacht. Hij verbreekt het oogcontact als hij de volgende woorden uitspreekt:
‘Dan weet je misschien ook dat ze dood is.‘ Aan het einde van de zin is een kraak in zijn stem te horen. Stijns maag krimpt in elkaar en zijn kin valt op zijn borstkas, waardoor hij slechts de neus van zijn schoenen nog in het vizier heeft. Weer die stilte, nu zwaarder en scherper. Stijn probeert de man aan te kijken, maar lang houdt hij dat niet vol.
‘Oh nee, sorry, dat wist ik niet.’ stamelt hij binnensmonds.
‘Waar dacht je haar van te kennen?’ vraagt de man met een milde toon terwijl hij de ogen van Stijn probeert te vangen met zijn vragende blik. Stijn kijkt op en kan de ogen van de man nu pas echt goed zien. Hij herkent die matte, uitgedoofde ogen. Hij ziet ze regelmatig in de spiegel. Zonder na te denken deinst Stijn nog een paar stappen terug totdat hij met zijn kuiten tegen het hekje botst. Hij gunt de man nog een knikje, draait zich om en laat de man beduusd achter wanneer hij vluchtig naar zijn huis begint te lopen, steeds sneller en sneller. De teller zal op vierenveertig blijven staan.