Categorieën
Fictie

Een witte hond

Een paar weken geleden, het was al vroeg donker, zag ik mijn buurvrouw op de galerij van onze flat lopen met een blonde labrador: zo’n dier dat op tv naar een tuinsproeier hapt, terwijl kinderen om hem heen hollen. Zij, oud en scheef in een grote jas, naast die hond met zijn glanzende vacht, de roze tong onbeschaamd uit zijn bek – ik geloofde mijn ogen niet.
‘Is het een logé?’ vroeg ik.
Ze keek me even glazig aan als lang geleden, toen ik het in mijn hoofd had gehaald om een Franse maaltijd te koken en in haar groentewinkel informeerde of ze artisjokken verkochten. Ik geneerde me en bestelde snel wat anders. In de zaak van de gebroeders Lammers rolden ze de prei en andijvie in oude kranten. Aardappels graaiden ze met bestofte vingers uit houten kisten, zij en haar twee broers naar wie de winkel was genoemd.
‘Gekocht op Marktplaats,’ zei de buurvrouw.
Een hond op acht hoog, dacht ik. Ik keek naar haar schone handen die de lijn vasthielden. Zulke rimpels heb ik ook. Soms wrijf ik er overheen om te voelen of ze echt van mij zijn. Ik vroeg hoe lang een labrador leeft, maar ze liep stram verder.
Onder het afrekenen ontweek ze je ogen altijd. Haar broers waren kort na elkaar overleden. Zij plakte de winkelruiten af met krantenpapier en verkocht de handel. Misschien droomde ze al jaren van een hond en greep ze nu haar kans.
Tegen mijn man had ik wel eens gezegd dat haar leven heenging met die groentezaak en die broers. Hij keek over zijn boek heen en zei: ‘Ons leven gaat ook heen.’ Dat was waar, hoewel hij als eerste doodging.
Natuurlijk werd er achter de rug van de buurvrouw om geklaagd over haar huisdier. Een buurman belde bij me aan. Toen hij zijn mond opendeed, rook ik bittere koffie.
‘Ik woon ernaast en heb nergens last van,’ hield ik vol.
De hond, hij heette Joy, stoorde me inderdaad niet. ‘s Nachts speelde ik Pacman op mijn computer. Door het elektronische tuutuutuu heen was zacht gejank te horen aan de andere kant van de muur. Ik zette het geluidsvolume van het spel lager en luisterde. ’s Ochtends werd ik wakker van zijn geblaf.
Tussen Sinterklaas en Kerst gingen de liften kapot. Twee reparateurs zaten een poos op hun knieën voor de opengeschoven liftdeuren en vertrokken weer. De liften bleven stuk.
Ik dacht aan Joy. Vanuit mijn keukenraam hield ik de galerij in de gaten. Ze liet hem toch al weinig uit. Op het plein had ik haar met hem zien lopen, langs de rand, alsof iets haar wegdrukte uit het midden. Een paar meisjes renden met uitgestrekte handjes op de hond af. De buurvrouw was haastig een zijstraat ingeslagen.
Misschien kwam de liftstoring haar goed uit. Pas in de avond deed ze haar deur open. Vijftien, twintig keer liep ze met Joy op en neer, een poepzakje in aanslag. Daarna spoelde ze de stenen schoon met een emmer water en ging naar binnen.
Ik liep naar de natte plek en snoof. Niets te ruiken. Toch waarschuwde ik haar: er zou zeker gemopperd worden. Omdat de buurvrouw zei dat ze geen trappen meer kon lopen, gingen de hond en ik samen naar buiten. Ik ben geen honden gewend. Ik had me voorgesteld hoe hij tegen me op zou springen, maar Joy draafde voor me uit en volgde onzichtbare sporen.
We stonden stil bij de singel. Ik wendde mijn hoofd af. De hond hurkte in het gras en poepte, we wandelden door. Mijn wangen prikten van de buitenlucht. Ik was me bewust van dat opvallende dier naast me, op de terugweg door de winkelstraat maakten voorbijgangers vanzelf ruimte voor ons.
Langzaam beklommen we de trappen. Joy’s nagels tikten op de vloer. Af en toe rustte ik uit op een trede die koud voelde onder mijn benen. Het trappenhuis rook muf, in de hoeken lagen hoopjes stof met haren. Joy liep heen en weer over het portaal, zwaaiend met zijn staart, snuffelend aan de plinten. Hijgend.
Hij hijgde veel mooier dan ik: alsof hij lucht moest afvoeren en adem te veel had, terwijl ik lucht te kort kwam.

Op een ochtend werd ik pas om half negen wakker. Het was stil. In de woonkamer legde ik mijn oor tegen de dunne wand. Later bleek dat de buurvrouw Joy de avond ervoor had verkocht. De nieuwe eigenaar was een van de jonge mannen die de lift ten slotte hadden weten te repareren.
Mijn man liet me eens een middeleeuws schilderij van een sterfbed zien. Boven de dode zag je zijn ziel als een wit lichaam naar de hemel vliegen. Dat was het waaraan Joy me deed denken toen ik hem zo vief voor de buurvrouw uit zag lopen.
Ook ik had met hem gewandeld. We konden hem alleen niet bij ons houden.