Categorieën
Fictie

Een wilde vogel

Arend heeft drie maanden gekregen om te sterven. Althans dat staat in de verklaring die zijn huisarts heeft ondertekend. Deze plek is bestemd voor mensen met een levensverwachting van minder dan drie maanden. Telkens worden er kamers leeggehaald door verdrietige nabestaanden, terwijl andere naasten opgelucht zijn dat er een plaats beschikbaar is. Als er negen weken zijn verstreken, krijgt Arend het gevoel dat hij haast moet maken. Niet alleen met sterven. Ook de laatste kans op verschoning van zijn geweten komt angstig naderbij. Het komt door haar. Zij is de reden van zijn voorgenomen biecht. Hij sterft liever met een gekneusd hart dan haar achter te laten in de donkere tunnel der onwetendheid.

In het hospice hangt een serene rust. Op dit nachtelijke uur zijn de bewoners in een diepe slaap onder invloed van een flinke dosis morfine. Behalve Arend. Hij weigert alles wat verdoofd. Hij wil helder blijven. Alles meemaken. Toen zijn vrouw vier jaar geleden stervende was, had hij besloten dat hij, niet zoals zij, de laatste dagen van zijn leven slapend door zou willen brengen.
Hij ligt al weken tussen de lichtblauw geverfde muren en de witte meubels. Een grapje van de interieurontwerper, die op deze manier de ernstig zieken een voorproefje op de hemel wil geven. Arend kan dit soort grappen wel waarderen. Subtiel en toch goed doordacht.
Toen hij hier pas lag, werd hij nog wel bezocht door kennissen en oude buren. Al na een paar weken was het bezoek weggebleven. Zijn afscheid had blijkbaar teveel tijd in beslag genomen. De verraderlijke buitenwereld lijkt ergens te bestaan, ver van hier, waar hij geen deel meer vanuit maakt. Hij is alleen nog maar bezig met het gevaar dat zich in zijn eigen lijf afspeelt. Het gevaar dat iedere minuut om aandacht schreeuwt.
Slechts verlicht door het nachtlampje dragen zijn uitgemergelde lichaam en kleine kale hoofd iets spookachtigs met zich mee.
Als hij Karlijn in de deuropening ziet staan, verschijnt er een lichte glimlach op zijn gezicht.
‘Heb je behoefte aan gezelschap?’ vraagt ze.
Hij reageert met een korte knik.
Ze komen uit hetzelfde dorp. Arend en zij. Verder dan groeten ging hun contact echter eerder niet. Het had hem verrast, toen ze de eerste keer aan zijn bed verscheen. Vanaf die dag was ze iedere dienst even bij hem aangeschoven. Ze had hem troost geboden op kwetsbare momenten, terwijl ze haar eigen emoties in bedwang probeerde te houden. Ze had hem gezegd dat hij haar aan haar vader deed denken. Niet dat hij uiterlijke gelijkenissen vertoont, het is meer het gevoel dat haar overvalt als ze samen zijn.
‘Kun je vannacht wat langer blijven?’ Arends ademhaling is de laatste uren onregelmatiger geworden en hij voelt aan alles dat zijn lichaam de strijd begint te verliezen.

Twaalf jaar geleden verloor Karlijn haar man door een verkeersongeluk. Na een borrel van kantoor was hij op de fiets gestapt. Hij fietste eigenlijk nooit. Die keer had hij de auto uit voorzorg laten staan. Twee dagen later werd zijn lichaam in het kanaal gevonden. Er was intensief sporenonderzoek gedaan, maar er werd nooit iemand aangehouden. Niet eens verdacht. Heel lang had ze hoop gehouden dat iemand zich zou melden.
De tijd heeft een dikke korst om haar hart gevormd. Die slechts door aanraking van een enkeling weer tot bloeden kan worden gebracht. De patiënten had ze altijd op veilige afstand weten te houden. Al was dat soms moeilijk. Vooral wanneer ze geconfronteerd werd met jonge vaders en moeders die nooit hun kinderen zouden zien opgroeien. Nimmer liet ze hun verdriet het hare maken. Ze was een kei geworden in het trainen van haar weerbaarheid. Totdat Arend op het toneel verscheen. Hij had al haar vaardigheden op de achtergrond geschoven.
‘Waarom slaap je eigenlijk nooit ’s nachts?’
‘Het is mijn geweten,’ antwoordt hij. ‘Als het donker wordt begint het te schreeuwen.’
Het harde tikken van de klok vult de kamer. Hij voelt dat er geen weg terug meer is. Dat als hij nu zwijgt, zij nimmer meer de mogelijkheid krijgt om haar verdriet om te zetten in rouw.
‘Ik moet je wat bekennen,’ zegt hij dan.
Verwachtingsvol kijkt ze hem aan.
Zijn mond is kurkdroog. Zijn bolle ogen waterig.
‘Ik heb heel lang gedaan alsof het niet bestond.’ Hij ontwijkt haar blik.
‘Twaalf jaar heb ik het verborgen weten te houden. Als een wilde vogel in een kooi.’
Ze voelt dat het belangrijk voor hem is om zich uit te kunnen spreken. Haar vingers strelen aanmoedigend zijn hand.
‘Het was donker en de regen sloeg op de voorruit van mijn auto. Ik zag geen hand voor ogen. Plots was er een harde klap. Ik had iets geraakt. Ik had geen idee wat het geweest kon zijn. Mijn eerste gedachte ging uit naar een overstekend hert. Toen ik uitstapte zag een fiets liggen. Verder zag ik niets. Later hoorde ik op het nieuws dat er iemand te water zou zijn geraakt.
Twaalf jaar leefde ik iedere dag met de angst dat ik thuis zou worden opgehaald. Voor de ogen van mijn vrouw. Mezelf aangeven was ondenkbaar. Ze zou voor altijd mijn blik gemeden hebben. Net zoals ik mezelf nooit meer in de spiegel heb durven aankijken. Niet met het licht aan.’
Zijn hele lichaam beeft als Karlijn haar hand terugtrekt.
‘Ik smeek niet om genade en ik vraag niemand om vergiffenis. Ik ben vanaf die dag gestraft met een gekmakende gedachte die ik nooit meer kon laten verdwijnen. Geloof me, alsjeblieft.’
Er loopt een traan over zijn wang en druppelt op zijn pyjama. Ook bij haar stromen de tranen over haar gezicht.
Ze wil weg. De kamer uit. Ze staat op en rent naar het toilet, waar de hysterie haar de adem beneemt. Ze kokhalst. Een golf gal maakt zich vrij en brandt zich via haar slokdarm naar boven.

Ze heeft geen idee hoe lang ze op de toiletpot heeft gezeten. Wiegend met haar armen om haar knieën. Haar lichaam verkrampt.
Ze moet terug. Ze heeft het lef om hem de waarheid te zeggen en te confronteren met de pijn die ze na al die jaren nog steeds met zich meedraagt. Met ferme stappen loopt ze in een rechte lijn naar zijn kamer.
Arend ligt met zijn ogen gericht naar het plafond. Bewegingsloos. Zijn mond een beetje open. Ze buigt zich over hem heen en ziet dat al het leven uit hem is verdwenen. Zijn lichaam is verandert in een leeg omhulsel dat niets dan rust uitstraalt. Hij is ontsnapt uit het tijdelijke, thuisgekomen in de eeuwigheid. Haar haat verkrimpt. Verdriet zwelt aan.