Categorieën
Fictie

een vreemde klant

Een vreemde klant

Het knusse winkeltje had de tand des tijds glorieus doorstaan. Het bevond zich in eén van die straten rond het centrum. Het was nooit gemoderniseerd.
Alles was nog bij het oude. Het was een klein winkeltje en vanonder tot boven volgepropt met van alles.
Van jarretels tot hupzelen en van knopen tot elastieken kousen. Binnen heerste er een serene rust.
Moeder en dochter stonden samen in de winkel.
Ze konden de klandizie soms net aan.
Er kwamen veel vaste klanten voornamelijk oudere mensen.
Veel klanten kwamen er voor een rits of knoop of ze probeerden het te kort aan wol aan te vullen.
De dames namen voor iedereen ruim de tijd. En ze maakten ondertussen een praatje.

Het was een doordeweekse dag. Er waren niet veel klanten in de winkel.
Moeder en dochter waren elk op een gemoedelijke manier bezig.
De winkeldeur ging weer open en er stapte een man binnen.
Hij had zich zo te zien niet geschoren. Er zat een scheur in zijn jas en hij droeg cowboylaarzen.
Maar hij stond netjes op zijn beurt te wachten tussen dames van middelbare leeftijd.
Hij keek steels naar de moeder. Iedere keer als die opkeek flitsen zijn ogen weer de andere kant op.

De dochter had hij ook al een paar keer aangekeken. Ook zag de dochter dat hij af en toe de moeder goed observeerde.
Ze kreeg er een beetje de kriebels van.
Ze vond hem maar een rare snuiter.
Ze werd er zenuwachtig van.
Die vent moest zo snel mogelijk de winkel uit.
Toen de dochter weer een paar klanten geholpen had liep ze naar hem toe en vroeg”Waar kan ik u mee helpen”?

Haar vriendelijke lach maakte hem onzeker.
Hij leek teleurgesteld. Ik zoek eigenlijk een riem, antwoordde hij.
Die hebben we niet zij het meisje.
“Jammer zei hij.
Hij keek haar langer aan dan nodig was. Weer gleed zijn blik overzij naar de moeder.
Toen keek hij de dochter weer aan.
Nou”, zei hij. Bedankt voor de moeite, draaide zich nog een keer om en verliet de winkel.
De dochter keek hem nog een keer na toen hij de winkel verlaten had
Ze was opgelucht en was blij dat die vreemde snuiter vertrokken was.
De moeder wierp ook nog een korte blik uit het raam en zag dat hij de straat uit liep.
Haar ogen spraken boekdelen alsof ze zich iets trachtte te herinneren.

De man liep langzaam de straat uit.
Voor zijn ogen brandde het beeld van het winkelmeisje,
Dat was dus zijn dochter. Wat een aardig meisje.
Alleen wist zij niet dat hij haar vader was. Wat een aardig meiske.
Haar moeder mocht er nog altijd zijn. Wat een stuk.
Hij zou hun niet meer lastig vallen.
Achttien was ze toen ze dat avontuurtje hadden met zijn beiden haar moeder en hij..

Toen had hij het niet aangedurfd en haar ijskoud in de steek gelaten.
En nu was het te laat.

Ze leefden ieder afzonderlijk in een andere wereld. Hij zal er nooit aan wennen.
Op doorreis had hij ze even willen zien.
Verder in straat wachtte een opzichtig geklede en fel opgemaakte dame.

Ze vraagt aan hem”Is het gelukt met de riem. “Nee”, zei hij. Ze gaf hem een arm en zo liepen ze verder de drukken winkelstraat wieren.
Het was een weerzien voor heel even.