Categorieën
Fictie

Een verfrommelde helikopter

De helikopterjongen heeft je vastgepakt. ‘Als je met Rosa meegaat, ben je aan de beurt’, zeg je. Hij laat je weer gaan. Trippelend loop je op je hoge hakken over de houten planken van je stamkroeg bij hem weg. Roekeloos roep je hem toe dat hij een fles rum moet kopen en verdomd vanuit de hoek bij de muziek zie je even later dat hij gewoon een Bacardi afrekent, cash, bij Jopie die hem niet waarschuwt.
‘Kom’, roept hij en hij houdt de fles in de lucht.
Shit, denk je. Hij is wit. Dat gaan de broeders niet leuk vinden.
‘Wacht even, schat!’
Je speelt de vrouw die op haar gemak een rondje maakt langs jouw vrienden. Bij elk tafeltje duikt je hoge kapsel op en ruist je jurk met een split tot aan je kruis over de vloer van dit donkere hol aan de Gelderse Kade, vol nuttelozen. Hier zijn de nachten eindeloos en lijken de dagen onbestaanbaar. Allemaal hebben jullie ooit gedroomd over ballet, toneel of literatuur. Jij ook. Maar je leeft van een kleine toelage uit een wezenfonds en samen met Carmen bewoon je twee kamers aan de Zeedijk.
Buiten zegt hij dat hij John heet. Hij is een kop groter dan jij, maar past zijn tred aan jou aan want het is donker in de stad, omdat de meeste straatlantaarns kapot zijn. Aan het begin van de Zeedijk zie je de broeders staan. Kluiten broeders met hun witte tanden en hun strakke pantalons, de bewakers met hun wijde pupillen, hun bloed vol heroïne en hun zakken met geld, de pimps, de pooiers, de dealers; de mannen die je met rust laten omdat ze weten dat je niet tippelt. Maar nu kom je met een witte jongen aan. Je moet snel zijn en stevig doorlopen.
Ze fluiten. Ze grommen. Ze komen dichterbij. De jongen is zo verstandig om zijn snoet te houden en niemand aan te kijken. Het is hier smal en donker. Je wuift naar de broeders met twee armen en je praat zonder te weten wat je zegt. Dan ben je bij je huis. De sleutel zit in je tasje. Je hebt hem snel te pakken en je opent de deur.
‘Pfff. Dat was link’, zegt de jongen. ‘Ik kom hier in mijn eentje nooit meer weg.’
‘Ha’, lach je. ‘Hier is het veilig. Tenzij je bang bent voor Rosa.’
Het trappenhuis is ruim, met houten trappen en betegelde muren. Jullie galmen door de gang. Je woont op de derde verdieping. Jouw deur is de rechter. De linker is van Carmen. Nu je thuis bent, zit deze jongen met grote ogen naar je te kijken, alsof je prinses Paramaribo bent, in werkelijkheid geboren in Schiedam, maar dat weet bijna niemand.
Hij is weer net zo handtastelijk als in de kroeg, toen hij brutaalweg zijn hand op je kont legde terwijl je naast hem stond te flirten. Weer grijpt hij naar je, terwijl je glazen en cola naast de Bacardi op tafel zet. Je maakt je van hem los, gaat tegenover hem zitten en let erop dat je split mooi openvalt, want je geniet van zijn onverbloemde begeerte.
‘Schenk jij even in?’ zeg je en je gooit een zilverpapiertje op tafel.
‘Is dat?’ vraagt hij.
‘Beetje poeder,’ zeg je.
‘Cocaïne?’
‘Wat denk je? Dat de money Rosa op de rug groeit, schatje?’
Natuurlijk komt Carmen precies op dit moment binnen zeilen. Hij kijkt naar haar tieten. Iedereen kijkt altijd naar haar tieten. Cupmaat C heeft ze laten maken. En ze zakken niet, hè. Ze staan recht vooruit in haar gele shirtje, zonder bh. Je hebt ze gevoeld. Dat mocht. Het was geil. Carmen vindt haar eigen tieten ook geil.
‘Dag lekker stuk’, zegt ze. ‘Dat wordt wippen, lekker wippen met Rosa.’ Ze lacht hard, pakt jouw glimmer en vouwt het open. Met een van haar gigantische nepnagels schept ze een theelepeltje poeder van het zilverpapier. In dezelfde beweging legt ze haar neus aan en ze haalt diep op. ‘Ggggg’, gromt en snottert ze, nog wat nagiechelend om dat wippen. ‘Ik ga gauw terug. Kom ook. We hebben een feestje’, roept ze tegen jou als ze jouw deur achter zich dicht gooit.
Je houdt hem een poedernagel voor. Hij pakt je hand voorzichtig, buigt naar voren en snuift zoals hij Carmen heeft zien doen. Meteen loopt hij rood aan en zit hij naar adem te happen.
‘Niet niezen, honey,’ roep je voordat je je eigen portie neemt.
Jullie drinken. Er is meer rum dan cola. Maar jullie worden niet erg dronken zolang de speed blijft circuleren. Je wilt hem niet bij jou op de bank, nog niet.
‘Je bent zo lekker jong, jongen’, zeg je.
‘Ja, twintig.’ Hij lacht met de bravoure van iemand die denkt dat zijn mogelijkheden onbegrensd zijn. Hij kijkt naar rechts, waar je bed staat, het grote tweepersoonsbed in de hoek van de kamer waar nooit daglicht doordringt, zodat je ook overdag eigenlijk altijd in het duister verkeert.
Er wordt hard en ongeduldig op je deur geklopt. Carmen. ‘Ik moet even naar de buren’, zeg je. Bij het voorbij gaan haal je je hand door zijn haar, zijn blonde stugge haar.

Als je terugkomt, ligt hij in je bed. Je ziet zijn kleren op de bank waar jij net nog zat. Het shirt met een nu verfrommelde helikopter ligt bovenop zijn oude spijkerbroek. In zijn schoenen zitten zijn sokken. Over de leuning van de bank hangt zijn onderbroek, een zwarte.
Je hebt net een heroïnesigaret gerookt bij Carmen en je hebt eigenlijk wel zin om bij je hunk te gaan liggen. Je trekt de rits op je rug naar beneden en je stapt uit je jurk, je push-up blijft zitten. Ook houd je je strakke panty over je stretchy slipje nog aan. In het schemerdonker bij je bed, voel je je het lekkere wijf dat hij in je ziet. En je gaat naast hem liggen, onder het dunne dekbed. Je merkt dat hij zich zijdelings opricht en een hand op je blote buik legt. Je voelt dat hij meteen begint te kriebelen en dat hij afdaalt naar beneden, maar stuit op de strakke band van je panty en dus zijn vingers, eigenlijk zijn nagels, over de lycra stof laat gaan, op zoek naar het heuveltje en het spleetje dat hij daar dwars door de stof heen denkt aan te treffen.
‘Je moet Rosa wel van achteren nemen’, zeg je, zo zacht mogelijk. Je merkt dat hij je heeft verstaan. Want zijn hand bevriest en hij is zo dichtbij dat je voelt dat hij zijn adem inhoudt.
‘Waarom?’ fluistert hij.
Je antwoordt niet. De heroïne doet zijn werk en je bent al zo vaak uit je lichaam getreden dat deze ene keer er ook nog wel bij kan. Dus doe je alsof je slaapt, alsof je niet merkt dat de knul het dunne dekbed terugslaat en voor het eerst echt naar je kijkt. Je voelt hoe hij je slapende gelaat observeert, waarin je ogen niet meer wapperen en je weet dat hij je weke wangen ziet, het stiekeme gelaat dat schemert achter je spottende, uitdagende, provocerende mond, je klaterende lach. Je denkt dat hij iets gaat zeggen, boos of verontwaardigd, maar dat doet hij niet en dat neemt je voor hem in. Je blijft stil op je rug liggen als hij over je heen klimt om je bed uit te komen en door je geloken ogen zie je dat hij zich bij de bank aankleedt en wat je van zijn jonge mannelijkheid ziet, bevalt je, maar je weet ook dat deze jongen er nog niet aan toe is om zich met jou bezig te houden.
Je ziet dat hij zijn schoenen in zijn hand neemt en dat hij niet meer omkijkt als hij op zijn sokken het portaal betreedt. Je denkt dat het buiten al bijna licht is en je hoopt dat de broeders hun schuilplaatsen hebben opgezocht.