Categorieën
Fictie

Een van hen

Zestien was ik. Vijf dagen al. Niet dat die kortgeleden bereikte mijlpaal in een jong mensenleven voor mijn moeder iets had veranderd. Ik was een kind. En ik bleef een kind. Ook met een brommer, ook als aanstaand eindexamenleerling. Ze had zo haar eigen ideeën over wat je als zestienjarige wel en wat niet in te brengen kon hebben.
„Ik wil na de Ulo naar een opleiding in de bouw. Ik word bouwkundig tekenaar of uitvoerder”, had ik op een avond tijdens het eten verteld. Ik was er voor mezelf namelijk wel uit. Doorleren, prima. Maar dan wel voor een vak. Niet weer datzelfde riedeltje met talen, wiskunde, biologie en natuurkunde. Leren en nog eens leren, maar voor wat?
De bouw leek me fantastisch. Dingen ontwerpen en maken. Huizen, kantoren. Dat mijn vader in de bouw werkte zal vast geholpen hebben. Alleen stond hij gewoon op de steiger. Hij was wel al opzichter, moest leidinggeven aan de andere bouwvakkers op het werk. Hij stond elke dag op de bouwplaats, weer of geen weer. Alleen op zondag was hij vrij. Maar ook weer niet helemaal, want dan moesten we ’s ochtends natuurlijk naar de kerk.
Mijn vader had me nogal indringend aangekeken toen ik zei te weten waar mijn toekomst lag. Hij zei niets, knikte even naar mijn moeder en at daarna onverstoord door. Zoals wel vaker moest mijn moeder dit te verwaarlozen incident dus even oplossen. Ze was gestopt met eten, had zich naar me toe gedraaid en op behoorlijk cynische toon gezegd: „Ik denk dat we het daar verder niet over hoeven te hebben, toch?” Dat ze van mij geen antwoord verwachtte was wel duidelijk. En dus aten we zwijgend verder.

Later die avond was mijn vader er toch nog even op teruggekomen. Hij riep me bij zich vanachter De Waarheid, zijn avondkrant. Eenmaal voor hem liet hij de krant zakken: „Ik neem aan dat je dat van die opleiding niet serieus meende?”
Nou, had ik, wat timide maar voor mijn eigen gevoel voldoende stellig, geantwoord: „Ik zou dat heel graag willen, pap. Bij elke bouwplaats waar ik langs kom, blijf ik kijken. Ik vind dat zo mooi. En …”
„De bouw is niet mooi, jongen. Wat we bouwen ziet er dan misschien wel mooi uit. Maar het is vooral heel hard werken. Onveilig en zwaar. En voor een heel schamel loon. De bazen hebben het goed, ja. Maar de bouwvakkers betalen het gelag.”
„Maar als je een vakopleiding hebt gedaan, dan kun je toch hogerop komen?”
Ik zag dat mijn vader nadacht over een gepast antwoord. Hij vond het niet.
„Zet het maar uit je hoofd. Je kunt meer bereiken als je verder studeert. Die kans heb ik nooit gehad. Daarom sta ik nog steeds tussen de stenen en het cement.”
Hij wachtte niet op een reactie. Hij knikte, zijn kin iets omhoog; het teken dat het gesprek ten einde was en ik kon gaan.

Toen ik de volgende dag, op weg naar huis vanuit school, langs de nieuwbouw van een huizenblok liep, zag ik helemaal geen werkers. De steigers waren leeg, de cementmolen stond stil. Ik gokte het tijdstip; 2 uur, kwart over 2 misschien. We waren op tijd uit, na Frans. Het beweegbare deel van het bouwhek, aan de zijkant, was afgesloten met een hangslot.
„Het is vandaag 13 juni. Ze beginnen met uitbetalen van de vakantiebonnen. Vader is er ook naartoe, in de Marnixstraat dacht ik. Lekker, zo’n extraatje”, wist mijn moeder.
Pas rond 7 uur ’s avonds was mijn vader thuisgekomen, veel later dan normaal. Mijn moeder had al flink lopen mopperen over dat het eten stond te verpieteren.
„Het was niet goed daar”, vertelde mijn vader, eenmaal aangeschoven aan het hoofd van de tafel. „Je gelooft nooit wat ze hebben gedaan. Van iedereen die geen lid is van de vakbond hebben ze een paar procent administratiekosten ingehouden.”
Vader vertelde dat hierover op straat zoveel gedoe ontstond, dat het op knokken uitdraaide. En dat de politie ter plaatse was verschenen en keihard met de bullepees op de bouwvakkers daar had ingeslagen. En ook dat er een zwaargewonde was gevallen. Die later dood bleek te zijn. En dat ze nu dachten dat de politie dat had gedaan.
Vader was woest, dat kon je aan hem zien. De hele avond keek hij somber en zat hij te piekeren.
„Morgen gaan we staken en demonstreren.”
„Moet jij daar ook naar toe?”, vroeg mijn moeder.
„Natuurlijk ga ik er naartoe. Zulk onrecht kunnen we niet over onze kant laten gaan. We verzamelen bij de Dokwerker. Dat is symbolisch.”
Ik begreep hem wel: de Dokwerker, het standbeeld dat een eerbetoon is aan de mensen die in de oorlog durfden staken als protest tegen de Duitsers. Bekend als de Februaristaking. Geschiedenis was een van mijn favoriete vakken.

Van mijn school in de Falckstraat naar het centrum is niet heel ver. Ik wist dat daar op hetzelfde moment honderden, misschien wel meer bouwvakkers samen zouden optrekken. Dat moest een machtig gezicht zijn. Allemaal kerels met handen als kolenschoppen, bereid om het op te nemen voor hun collega’s.
In de vitrines van de sigarenzaak om de hoek bij school las ik tijdens de pauze op de voorpagina van de Telegraaf die daar hing, dat de man die gewond raakte een hartverlamming had gehad. Gelukkig, dacht ik nog. Maar goed dat de politie hem niet heeft geslagen; dan kan het ook zomaar uit de hand lopen. Bouwvakkers zijn geen praters, die doen. Zo ken ik mijn vader ook.
Ik voelde me vandaag extra met hem verbonden. En als toekomstig werker in de bouw sowieso met al die anderen. Ik liep de Utrechtsestraat in, zou op het Rembrandtplein rechts moeten naar het Waterlooplein richting Jonas Daniël Meijerplein. Maar dat ging niet. Van die kant kwam een enorme stoet mensen, leuzen schreeuwend, aanlopen. Ze liepen flink door. Het waren er wel duizend of meer. Toen ze eenmaal richting Munt waren getrokken volgde ik op een bescheiden afstand. Ik hoorde er niet bij, maar toch ook weer wel. Al was ik zo te zien wel de enige bouwvakker met een gevulde schooltas.

In de buurt van de Dam veranderde alles. Ik kon niet goed zien wat er gebeurde. Ineens deinsde de stoet terug, begonnen mensen mijn kant op terug te hollen. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik hoorde, boven geschreeuw uit, een blikken stem: ‘Hier spreekt de politie. U wordt gesommeerd …’ Meer verstond ik niet. Een kakofonie van gefluit en gejoel overstemde het. Het was chaos. Ik zag mensen stegen induiken. Ik hoorde het hoefgekletter van paarden, sirenes, motorgeluiden. Ik vluchtte zelf eerst een portiek van een sigarenhandel in. In mijn onderbuik voelde ik spieren verkrampen. Mijn kop bonsde. Ik zag een motor met een agent in zwartleren pak met witte riemen schuins zittend op het zijspan. Hij droeg een witte pothelm. Met een enorme wapenstok in zijn hand sloeg hij wild in op alles wat zijn kriskras sturende maat, soms over het voetpad, passeerde. Agenten te paard galoppeerden over de trottoirs. Ik zag een groepje jongeren stenen uit de stoep peuteren en die naar de motoragenten gooien.

Toen de politiemotoren van mij af naar dat groepje stuurden, zette ik het op een lopen. Ik dook de dichtstbijzijnde steeg in. Amper twintig passen deed ik, maar ik was buiten adem. Ik hijgde, hoestte. Mijn ogen staken. Heel even stopte ik, halverwege de steeg.
Te laat. Achter mij renden een paar mannen de steeg in. Ik wilde aansluiten, maar ze stopten plotseling, keerden zich verschrikt om. Langs hen heen zag ik van die kant gehelmde agenten met schilden en wapenstok de steeg in komen. Ik keek achter me. Ook daarvandaan kwamen er ineens een paar.
De eerste twee, drie klappen kwamen hard aan. Ik voelde ze striemen op mijn rug. Ik proefde maagzuur, moest kotsen. Spieren in mijn onderbuik leken te knappen. Mijn schooltas, die ik zo goed mogelijk boven mijn hoofd hield, ving het meeste geweld op. Ik hoorde huilen om me heen, schreeuwen, jammeren. Vloeken ook.
Duurde het minuten? Of seconden? Het weerkaatsen van de laarzen tegen de kale steegmuur ebde weg. Naast me lag een jongen, zijn hoofd bebloed. Hij huilde. Iemand tilde hem onhandig op en trok hem mee.

Ik keek naar mijn kleren. Niets stuk. Beetje vuil alleen. En koppijn. Ik stond op. Mijn schooltas zat vol zwarte vegen. Ik wachtte nog even, besloot toen via de Kalverstraat weg te komen.
Ik liep naar het Spui, de Singel, de Vijzelstraat. De kramp was weg. De vieze galsmaak niet. In mijn kruis voelde ik de warme nattigheid die ik nu pas vreesde. De grote donkere vlek rond mijn gulp sprak voor zich.
Zittend op een bankje aan het Weteringplantsoen, liet ik de middagzon de ergste sporen van mijn eerste en direct heroïsche strijd met het gezag vervagen. Ondertussen had ik tijd om een overtuigende smoes te verzinnen voor mijn zeer verlate thuiskomst uit school. Want ook schooljongens die al 16 zijn, moeten zich dagelijks nog verantwoorden.