Categorieën
Fictie

Een slechte man

Een gure winterwind woei onverbiddelijk door de Danziger Straße in Berlijn. De oude bomen aan weerszijden van de brede weg kreunden als kreupele oude mannen terwijl hun kale takken naargeestig op en neer dansten. De inwoners van de stad liepen haastig langs de hoge panden, hun gezichten diep weggestoken in de kragen van hun wollen winterjassen.
Uit een donkere kroeg klonk zachtjes bluesmuziek. De houten vloer was versleten door de duizenden dronkaards die er door de tijd heen op hadden geschuifeld met hun meisjes. Achter de toog stond een oude dame een sigaar te roken en de bar te boenen met koperpoets. Ronde tafeltjes met kristallen asbakken stonden her en der verspreid door de kleine ruimte. Posters van helden uit de blues en jazz hingen vergeeld aan het plafond en de wanden.
In de hoek zat een grote man met wild zwart haar alleen aan een tafel. Zijn onverzorgde lange baard gaf hem een dierlijk voorkomen. Zwijgend rookte hij een sigaret en nipte aan een whisky. Hij droeg een zwart Italiaans maatpak dat contrasteerde met de boerse grofheid van zijn gezicht en doorgroefde handen.
“Claudia,” bromde hij naar de barvrouw.
Ze schrok op. “Marcus?”
Hij gebaarde naar het lege whiskyglas voor hem. “Ik sta droog. Ik wil dit glas vanavond niet meer leeg zien, begrepen?”
Claudia was een geharde Berlijnse tante. Ieder ander die haar zo had gecommandeerd, zou zonder pardon de straat op zijn geflikkerd. Nu knikte ze slechts en snelde naar de tafel met de whiskyfles.
Marcus snoof terwijl ze zijn glas tot de rand volschonk. Zijn donkere ogen flitsten langs de stamgasten. Hij dronk in één teug zijn glas leeg en zette het met een klap neer op tafel. Claudia, die zich net had omgedraaid, vulde hem haastig bij. Nadat dit ritueel zich nog twee keer had herhaald, zei Marcus: “Laat de fles maar staan wijfie, het is een speciale avond.”
De stamgasten keken gespannen op. Ook enkele nieuwkomers voelden de sfeer omslaan en staakten hun gesprekken. Met snelle passen liep de barvrouw terug naar haar veilige plek achter de bar.
“Vrienden,” sprak Marcus luid met een joviaal armgebaar. “We hebben het niet altijd makkelijk gehad met mekaar. Maar ik heb jullie wat mede te delen.”
Hij rookte de helft van zijn sigaret in één lange haal op. In de kroeg hing een klamme stilte. De regen kletterde luid tegen de vuile ruiten.
“Ik zal er geen doekies om winden: binnenkort ben ik zo dood als een pier. Hoewel ik vanbuiten natuurlijk nog een knappe vent bent” – hij lachte zijn bruingele tanden mechanisch bloot -, “word ik vanbinnen door de kanker opgevreten. Dat hebben de heren doktoren me vandaag verteld.”
Zijn blik gleed langs de gezichten. De stamgasten vermeden oogcontact en staarden met ernstige uitdrukkingen naar de grond of een punt in het niets.
“Het zal voor velen van jullie wellicht een opluchting zijn dat ik binnenkort het loodje leg,” vervolgde hij zijn verhaal. “Ik heb sinds ik een jonge kerel was over deze buurt geheerst als een tiran. Ik ben als een ouderloos jochie onder het puin van de Tweede Wereldoorlog gehaald en heb gestreden als een beest voor een plekje in deze harde wereld.”
Een schaduw gleed over zijn gezicht. Even leken zijn ogen vochtig te worden.
“Jullie hebben samen met mij overleefd in deze buurt, maar ik was jullie allemaal de baas. Denk maar niet dat ik de enige ben die dingen heeft gedaan die het daglicht niet verdragen. En nog steeds zijn jullie bang voor me. Voor een ouwe lul met kanker in zijn lijf. Ik voel de stille haat van sommigen branden als ik aan deze tafel zit en warm me er aan op.”
Een rochelende lach steeg op uit zijn geteisterde longen, gevolgd door een stevige hoestbui.
Een gedrongen man maakte zich los van de stamgasten en liep aarzelend op Marcus toe.
De bruut keek op van zijn whisky, de tranen nog in zijn ogen van het hoesten. “Spreek, Jonas!”
De man had een grote scheve neus die duidde op het verleden van een vechtersbaas. Hij droeg werkkleding en liep krom.
“Het is waar dat we je gehaat hebben zoals je maar weinig mensen kunt haten,” begon hij zachtjes te spreken.
“Luider!” riep Marcus. “Laat iedereen er maar van meegenieten!”
Jonas schraapte zijn keel. “We hebben je gehaat als geen ander,” zei hij met een scherpe stem. “We zijn samen opgegroeid in deze buurt, maar je hebt ons allemaal het leven zuur gemaakt. Je ging er met onze wijven vandoor, perste de laatste centen uit onze zakken en sloeg ons verrot om de kleinste dingen.”
Marcus nam een grote slok whisky en smakte met zijn lippen. “Ga verder jongen. Gooi het er maar uit!”
Jonas liep rood aan, maar zijn ogen bleven gericht op de grond. “Je hebt met die bende criminelen uit het weeshuis decennialang de wijk geterroriseerd,” zei hij met licht trillende stem. “Natuurlijk waren wij ook geen lieverdjes en vielen er weleens klappen om het een of ander, maar meedogenloos waren we niet.”
Hij hief langzaam zijn hoofd en keek Marcus nu recht aan. “Ik ga nog elke nacht slapen met de wetenschap dat er een hart in mijn borst klopt! Dat ik, ondanks al mijn gebreken, geprobeerd heb om een goed mens te zijn.”
Jonas zweeg. Instemmend gemompel klonk op vanaf de bar. Er werd onrustig met voeten geschuifeld. Marcus was niet onder de indruk en keek zijn oude buurtgenoot licht spottend aan.
“Iedereen het er mee eens?” vroeg hij dreigend. De benauwende stilte was teruggekeerd. Blikken zochten houvast bij elkaar of een oude poster. Niemand keek naar Marcus en zelfs Jonas had zijn ogen weer neergeslagen.
“Jullie denken dat jullie superieur zijn. De waanzin! Die knakker Darwin zei het al: het recht van de sterkste geldt. Ik was gewiekster, sterker, meedogenlozer. Moraliteit? Ik spuug erop! Als jullie hadden gedurfd mij om te leggen, was dat allang gebeurd. Jullie zijn geen haar beter dan ik, maar ik ben er tenminste nog eerlijk over.”
Hij schraapte zijn keel en spuugde een klodder bloed naast zich op de vloer.
“Ik heb gekozen voor mezelf zoals ieder overlevend mens dat doet. Wat voor keus heb je als tien man graaien naar dezelfde worst? Als je niet degene bent die slaat dan ben je degene die de klappen opvangt. Er zijn lui die graag lullen over beschaving. Ik geloof er niet in. Als puntje bij paaltje komt, kiest elke kerel voor zichzelf!”
Hij zweeg en staarde voor zich uit met een wezenloze blik in zijn donkere ogen. Jonas had zich omgedraaid met een gevoel van lichtheid in zijn versleten lijf. Het was alsof er letterlijk een last van zijn schouders was gevallen doordat hij toch nog, op het allerlaatste moment, zijn zegje had durven doen.
Uiteindelijk stond Marcus op met een van pijn vertrokken gezicht. Met zijn grote hand graaide hij de whiskyfles van tafel en schuifelde langzaam richting de uitgang. Halverwege stopte hij, overvallen door een hoestbui waar de dood al in te horen was. Kuchend schuifelde hij verder. Vlakbij de uitgang draaide hij zich nog een laatste keer om en keek de stamgasten kalm aan.
“En weet je wat nog het raarste is?” sprak hij met een schorre stem die vreemd onkarakteristiek was. “Dat ik jullie nog ga missen ook.”
De deur viel met een klap achter hem dicht en lange tijd kon je een speld horen vallen. Het was de stilte van het gemis van een slechte man die nooit het tij had weten te keren.