Categorieën
Fictie

Een ontdekking in het onland

‘Halte E. Tesselaarplein’, galmt de mechanische stem door de tram. Halte E. Tesselaarplein’. Ik geef mijn neefje een por. ‘Kom,’ zeg ik. ‘Dit is die van ons.’ We gaan staan en stappen uit, een verlaten perron op.
Het is koud buiten en de lucht is gitzwart, met slechts hier en daar een eenzame ster. Ik trek mijn jack strakker om me heen en wijs ik naar een van de gebouwen. ‘Kijk, daar is het.’
In sommige panden brandt licht, maar dat van Rampstad Touring ziet er donker en vijandig uit. Het is zes uur ’s ochtends, en zondag bovendien. Ik ben de eerste, en voel me haast een indringer als ik mijn vinger op het glazen plaatje naast de ingang leg. Maar als de deur openglijdt, knipperen door het hele gebouw de lampen aan. Het oogt direct een stuk vriendelijker.
We lopen naar de kantine, een royale ruimte met zachtblauwe muren en een lange tafel in het midden. ‘Chocomel?’ vraag ik aan Scott, terwijl ik de drankenautomaat aanzet en twee thermobekers uit een kastje pak. ‘Ja lekker,’ mompelt hij. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat hij onze fotowand bestudeert.
Als ik hem zijn beker overhandig, wijst hij naar een van de afbeeldingen. ‘Waar is dit?’
Op de foto is een uitgestrekt moeras te zien, met een vurig blauw hemeldak erboven. Ik neem een slok van mijn koffie en glimlach. ‘Die heb ik gemaakt. Vond de lucht zo mooi. Het is een plek op de Utrechtse Heuvelrug. Een van mijn routes leidt daarlangs.’

***

We nemen de lift naar de garage onder het gebouw. Daar staan drieëntwintig voertuigen, groot en wit en met Rampstad Touring in groene letters op hun motorkappen. Ze zijn speciaal gemaakt om door drasland te manoeuvreren, ijzersterk en met monsterlijke banden.
Ik ga mijn neefje voor naar “mijn” wagen – we hebben allemaal een vaste auto – en neem plaats achter het stuur. Hij komt naast me zitten. We maken onze riemen vast en rijden naar de slagbomen aan het eind van de garage. ‘Wow. Is dat niet moeilijk?’ vraagt Scott. Hij is hoorbaar onder de indruk. Waarschijnlijk is het de eerste keer dat hij een auto met handmatige bediening ziet.
Ik stuur de auto de tunnelweg op, die mijn baas speciaal onder het industrieterrein door heeft laten aanleggen. ‘Niet als je het onder de knie hebt,’ zeg ik zonder hem aan te kijken. ‘Ik doe het al zo lang dat ik er nauwelijks meer bij na hoef te denken.’
‘Maar het is toch heel gevaarlijk?’
Ik schud van nee. ‘Juist veiliger,’ zeg ik, en ik wijs naar een schermpje tussen ons in, waarop een plattegrond getoond wordt. ‘De auto scant onze directe omgeving. Nu is het helemaal groen, maar als we straks de grens over zijn, wordt bijna alles geel, oranje of rood. Geel betekent dat we er redelijk kunnen rijden, oranje is een risico en rood is levensgevaarlijk –’
Scott valt me in de rede. ‘Dat is toch goed? Dan weet de auto waar hij moet rijden.’
‘Ja,’ zeg ik semi-geprikkeld. ‘Wat ik net wilde zeggen, is dat de bodem hier zo onvoorspelbaar is, dat de auto het soms fout heeft. Het gebeurt wel eens dat hij een rood stuk aanziet voor een geel stuk. Dan kan ik uitwijken.’
Mijn neefje knikt en we rijden de tunnel uit, een hobbelig pad tussen uitgestrekte grasvlakten op. Het is beginnen te schemeren en de rijzende zon geeft het landschap een paarse gloed. Ik drink de laatste slokken van mijn koffie en zet de lege beker in de houder naast me.
‘Zijn we nu in het westen?’ vraagt Scott. Met grote ogen kijkt hij naar buiten. Natuurlijk. Hij weet niet anders, of er ligt een betonnen deken over de wereld. Toen ik hier voor het eerst kwam, wist ik ook niet wat ik meemaakte. Onvervalste, ongerepte natuur. Dat was iets van vroeger, iets uit oude verhalen.
Scott kijkt me vragend aan en ik besef ik geen antwoord heb gegeven. ‘Bijna,’ zeg ik snel. ‘Zie je die heuvels in de verte? Dat zijn de dijken. Daarachter ligt het moeras.’
‘Hoever is het dan nog?’
‘Een uur of anderhalf,’ gok ik. ‘Misschien iets korter.’

***

We rollen stapvoets door de restanten van wat ooit een wijk in Het Gooi was, een van de rijkste gebieden van Nederland. Links en rechts van ons doemen gigantische villa’s op, zeepgroen van de aanslag die alles toedekt. De meeste zijn zelfs al deels in de bodem verzakt.
Ik kijk naar mijn neefje, die zijn neus zo’n beetje tegen het raam duwt. ‘Is het wat je verwacht had?’
‘De huizen zijn veel groter dan ik dacht’ zegt hij verwonderd. ‘Kunnen we er eentje van dichtbij bekijken?’
Ik twijfel. Tijdens mijn reguliere tours laat ik mensen geregeld naar buiten, maar deze plek ken ik niet. En Scott is de zoon van mijn zus.
‘Alsjeblieft?’ Hij knikt naar de plattegrond. ‘Het is nergens rood.’
‘Dat zegt niet alles,’ mompel ik.
‘Maar als we nou heel voorzichtig zijn?’
Ik zucht. ‘Eventjes.’
Mijn neefje schenkt me de stralendste glimlach en duwt de deur open. Ik hoor zijn blauwe laarzen in de aarde plonzen, en dan zijn verafschuwde stem. ‘Getver, het stinkt hier.’
Ik glimlach en stap ook uit. De doordringende geur van zomp en rotting valt me nauwelijks meer op.
We lopen naar een klein kasteel dat nog verrassend recht overeind staat. Toch krijg ik, naarmate we dichterbij komen, een weeïg gevoel in mijn maag. Er gaat iets heel onheilspellends vanuit. Waarschijnlijk door de smalle torentjes die uit het dak spruiten. En dan die ramen, zo beslagen dat het net blinde ogen lijken. Starend, verlangend, leeg.
‘Heeft hier echt maar één familie gewoond?’ vraagt Scott.
‘Dat weet jij beter dan ik,’ zeg ik. ‘Jij schrijft er een werkstuk over.’
Hij zegt iets terug, maar ik hoor het nauwelijks, want ik zie dat hij op het punt staat om in een lichtgroene drab te stappen. Instinctief grijp ik zijn arm. ‘Pas op!’ Ik wijs naar de grond. ‘Daar moet je niet lopen. Voor je het weet, sta je tot je middel in het water.’
Hij wrijft over zijn arm. ‘Bedankt. Ik zal opletten.’
‘Nee,’ zeg ik stellig. ‘Laten we teruggaan. We zijn al verder dan ik wilde.’
‘Ah…’ Scott kijkt me smekend aan. ‘Nog even? Misschien is de voordeur open.’
Een paar tellen lang sta ik met mijn mond vol tanden. ‘Ben je gek!?’ zeg ik dan. ‘Eén windvlaag en alles dondert in elkaar!’
‘Maar ik wil alleen even binnen kijken. Dat heb jij toch ook wel eens gedaan?’
Ik schud mijn hoofd. ‘Nope.’
‘Maar je rijdt hier al jaren rond!’
Ik haal mijn schouders op. ‘Als mijn baas zoiets ontdekt, ben ik mijn baan kwijt. Het is ook gewoon spelen met je leven.’
‘Dat weet je helemaal niet,’ zegt Scott. ‘Als je het nooit geprobeerd hebt.’ Hij pruilt als een kind. ‘Alsjeblieft? We doen heel voorzichtig.’
Die blik! Ogen als een puppy. Onwillekeurig glimlach ik. Hij ziet het en trekt een wenkbrauw op.
‘Oké, oké. Maar alleen tot de voordeur! En als die dichtzit, gaan we terug.’ Ik probeer streng te klinken, maar naar Scotts stralende gezicht te oordelen, ontgaat hem dat volledig. Behoedzaam, met zijn blik op de grond gericht, overbrugt hij de laatste meters. Ik volg hem op de voet, mijn spieren gespannen, klaar om hem voor neerstortend gruis weg te trekken.
Scott legt een vlakke hand op de voordeur en duwt. Even lijkt het huis te kreunen, en dan klinkt er een hard gekraak. In een impuls pak ik mijn neefje bij zijn schouders, maar het blijkt alleen de deur te zijn, die uit haar gevest is gesprongen en nu in wrakke stukken aan onze voeten ligt.
We kunnen recht naar binnen kijken.

***

De terugweg duurt niet langer dan de heenweg, maar voelt als een eeuwigheid. Scott en ik zwijgen allebei, verdwaald in de krochten van onze eigen gedachten. Pas in de tram kan ik het opbrengen er iets over te zeggen. ‘Misschien moet je…’ Mijn stem breekt en ik schraap mijn keel. ‘Misschien is het slim om niet álles in je werkstuk op te nemen.’
Scott zucht. ‘Misschien.’
‘En zeg ook maar niks tegen je moeder.’
Mijn neefje knikt. Zijn schouders hangen naar beneden. Hij ziet er hulpeloos uit en het is mijn schuld. Ik was verantwoordelijk. Hadden we maar… dreunt het door mijn hoofd, maar het is een zinloze gedachte, want we hebben.