Categorieën
Fictie

Een man van geen betekenis

I

Vanuit de coulissen luister ik naar het welkomstwoord van de president-commissaris. Hij wilde als eerste de medewerkers toespreken. “Om de gemoederen te bedaren,” had hij met een suggestieve grijns gezegd. In zijn perfect gesneden maatpak beweegt hij zich soepel over het podium. Terwijl hij met voorbeelden strooit over zijn bijdrage aan de groei van het bedrijf, gooit hij zijn aandeel in deze chaos het raam uit.

Ik voel me vies.

Met vlagen wordt mijn lichaam bestookt door een intense jeuk. Druppels bloed hebben hun weg gevonden door de gebarsten huid op mijn onderarmen. “Schrobben tot je weer de oude bent,” zei mijn moeder altijd als ik weer van top tot teen onder de modder binnen kwam stappen. Maar deze onderhuidse vuiligheid laat zich niet wegspoelen met borstel en zeep.

Na een minuut of twee nodigt de voorzitter me uit om op het podium te komen. Maar ik voel me niet geroepen. Mijn benen reageren, maar mijn brein protesteert. Ik hoor hier niet. Het liefst wil ik wegzakken, verdwijnen in een gat van mijn fantasie. Uitkomen aan de andere kant van de tijd. Waarin ik ben wie ik was. Maar het heeft geen zin om terug te gaan naar gisteren, want toen was ik een ander persoon.

Ik pak de houten leuning van het trapje vast en hijs mezelf het podium op. De lucht is dik en gevuld met een spanning die me op de borst drukt. Als ik langs de voorzitter loop, zegt hij niets. Met een zwakke glimlach stuurt hij mij het hol van de leeuw binnen. Ik stap op de verhoging, leg mijn toespraak op het spreekgestoelte en kijk de zaal in. Honderden ogen staren terug. Ik trek mijn schouders naar achteren.

“Welkom allen. Wij zijn hier bijeengekomen om te spreken over de toekomst van ons mooie bedrijf én haar medewerkers.” Kort laat ik een stilte vallen om deze woorden zachtjes binnen te laten komen.  Mijn blik glijdt over de zaal. Mensen van alle maten en vormen vullen de ruimte. “Ik…” Maar mijn adem stokt. Even lijk ik de vaardigheid van spreken verloren te hebben. Bij de hoofdingang, leunend tegen de deurpost, staat de oorzaak van mijn lijden. De hele rit hiernaartoe hebben we gezwegen. En nu staat hij daar alsof er niets is veranderd. Als onze ogen kruisen, geeft hij me een knipoog. Een opening naar het verleden. Ik kijk weg, naar beneden, naar de toespraak die voor me ligt. Ik doe een poging mijn verhaal te vervolgen, door de stroom van gedachten droog te leggen. Te doen alsof hij me niet raakt. Te negeren dat gisteren me niet op het lijf staat geschreven. Maar mijn lichaam is doorspekt met littekenweefsel. Verrot vlees wat mijn hele zijn heeft geïnfecteerd, maar niet weg te snijden is.

In paniek schiet mijn hand naar het halflege glas dat op het spreekgestoelte staat. Maar in plaats van het te grijpen, stoot ik het om. Als het glas de grond raakt, spat mijn ziel uiteen. Ik slaak een gil, maar niemand reageert. Mijn noodoproep echoot als een storm tussen de wanden van mijn schedel. Zijn gezicht is overal. Het publiek is samengeklonterd  tot een  draaikolk die me zal meesleuren in de diepste der zeeën. Met geweld stroomt de kracht uit mijn benen de grond in. De last op mijn schouders dwingt me op de knieën. Een grote gietijzeren bal aan mijn enkels zal me daar voor altijd houden. Levenslang. Ik probeer me nog vast te klampen aan het spreekgestoelte, maar het heeft geen zin meer. Het laatste wat ik zie is het plafond van de congreszaal. Zwart.

II

Vanuit mijn dakterras heb ik een fantastisch zicht op de Wijkertoren. Haar prachtige lichten laten me dromen en brengen me terug naar mijn verleden. Een leven zonder zorgen. Een tijd waarin gevaren avonturen waren. Als het geluid van de klokken door de straten schalden, fantaseerde ik altijd dat ik degene was die aan de touwen trok. Leek me magisch. Als klein meisje wist ik het zeker. Als ik later groot ben, word ik klokkenluider.

Geschuifel over het dakgrind brengt me weer terug naar vandaag. “Hoi, Ome Ger,” zeg ik. Mijn mondhoeken krullen in een glimlach. “Dag lieverd,” zegt Gerrie licht hijgend. Ik draai me om en leun met mijn ellenbogen op de balustrade. Gerrie komt naast me staan en slaat een arm om me heen. In de verte blazen de schoorstenen hun eeuwige rook de hemel in. Het is doodstil vanavond. Alsof er een storm op komst is. Gerrie knijpt zachtjes in mijn schouder. “Het gaat allemaal goed komen, Agaatje. Vertrouw me maar. Je bent de beste baas die we ooit hebben gehad. Uiteindelijk krijgt iedereen wat hij wil.” Hij trekt me dicht tegen hem aan. “Dat is lief van je, Ger,” zeg ik terwijl ik hem over zijn rug aai. “Dat is lief van je.”

Gerrie is niet echt mijn oom, maar hij is de beste vriend van mijn vader. Nou ja, was. Pap is tien jaar geleden overleden aan longkanker. Nooit gerookt. Hij heeft Gerrie vlak voor zijn dood laten beloven een oogje in het zeil te houden. Sindsdien let hij op mij. En ik op hem. Op vooravonden als deze loop ik normaliter mijn hoofd leeg. Maar op mijn vorige wandeling door het park werd ik lastig gevallen door een vreemde man die op een bankje zat langs het pad. Kermend noemde hij me een lekker aardbeitje waarover hij graag zijn slagroom wilde spuiten. Ik negeerde hem. Verstand op nul en blik op oneindig, dacht ik. Hij sprong van het bankje en schold me uit voor van alles en nog wat. Op het moment dat ik linksaf sloeg, een ander pad in, stond hij nog steeds tegen me te tieren. De zoveelste in het rijtje. Toen Gerrie dit hoorde werd hij witheet en verbood me alleen in het donker door het park te lopen. “Ik zal je wel beschermen,” zei hij terwijl hij zijn borst vooruitstak. Hiervan kwam natuurlijk niets terecht.

“Laten we naar binnen gaan,” zegt Gerrie, “dan drinken we nog een laatste neutje voordat we gaan slapen.” Hij pakt mijn arm vast en begeleidt me naar de wenteltrap die uitkomt in mijn woonkamer. Langzaam, stap voor stap, loopt hij naar beneden. Als ik op de laatste trede sta, steekt hij zijn hand naar me uit. “Sta me toe u te helpen,“ zegt hij terwijl hij zijn tanden bloot lacht. “Dank u, meneer Illingwaarde. U bent een echte heer.” Ik leg mijn hand in de zijne. Terwijl Gerrie doorloopt naar de keuken, slof ik naar de bank en plof neer op het pluche.

Gerrie is nu zo’n drie jaar mijn chauffeur. Een allerhande helper eigenlijk. Toen het staalbreken hem te veel werd, heb ik een huisje voor hem en Marietje om de hoek gekocht onder de voorwaarde dat hij voor mij zou gaan werken. Sindsdien komt hij me elke ochtend ophalen en brengt me naar Velsen-Noord. Daarna doet hij wat andere klusjes en komt me weer ophalen als dat nodig is.

“Kijk eens, mevrouw de directeur,” zegt Gerrie. Hij duwt een glas whisky in mijn handen. “Jij weet ook altijd precies wat ik nodig heb hè,“ zeg ik en blaas hem een kus toe. Gerrie geeft me een zwakke glimlach. “Je moest eens weten,” zegt hij. Ik ga wat onderuit zitten en sluit mijn ogen. Mijn oogleden fungeren als beeldschermen. Verschillende scenario’s flitsen voorbij. Maar alle wegen leiden naar diezelfde afgrond. “Gerrie,” zeg ik, “vind jij dat ik harteloos ben? Ik bedoel, ik ga morgen aan vijfhonderd man vertellen dat ze hun biezen moeten pakken.” In een teug drink ik mijn glas leeg. “Maar ja, ze noemen me toch al de Iron Lady, doe ik in ieder geval mijn naam eer aan”. Maar Gerrie blijft stil. Als ik mijn ogen open, zie ik dat hij naar me staart. Alsof hij iets op me projecteert.  Dan staat hij plots op en gaat achter me staan. Zacht legt hij zijn handen op mijn schouders. “Agaatje, luister naar me. Je moet je niet schuldig voelen over iets waar jij niets aan kan doen. Dat weet je.” Hij zucht. “Mensen in dit soort posities krijgen altijd kritiek. Hoge bomen vangen veel wind.” Ik schud mijn hoofd. “Dat zou wel kunnen,” zeg ik protesterend, “maar met dezelfde kracht worden bijna alle kleine bomen met kluit en al uit de grond gerukt.” Ik hoor hem zacht lachen. “Jij maakt je veel te druk, dametje.” Hij zet zijn duimen naast mijn schouderbladen en begint langzaam rondjes te maken. Een rilling schiet over mijn lichaam. “Je zou je meer moeten ontspannen,” zegt hij fluisterend met een stem die ik niet herken. Ik verstijf. Zijn handen glijden langs de knoopjes van mijn vest naar beneden.