Categorieën
Fictie

Een kleine Griekse tragedie

Ik vloekte niet op die dag en evenmin op de dagen, maanden en jaren die erop volgden. De eerste acht jaar van mijn leven was ik opgegroeid in een gezin waar geen woorden vielen en de muren geen stille verwijten weerkaatsten. Aan vloeken deden we evenmin. Niet zozeer omdat het uit den boze was, we dachten er gewoon niet aan. Ons gezin was in pasteltinten geschilderd. Als Claude Monet zich aan een schilderij van ons gezin had gewaagd, had hij ons niet op een brug boven waterlelies, maar tegen de achtergrond van een zachtroze nieuwbouwwijk geportretteerd. De stieffamilie kwam in de felle kleuren van Andy Warhol mijn leven binnen schetteren. Mijn stiefmoeder vervormde mijn leven op bizarre wijze zoals Salvador Dalí de afbeeldingen op zijn schilderijen: er klopt niets van, maar toch is het zo.

Elke zondagavond stonden we achter het grote raam dat uitzicht gaf op de weg voor ons huis. De schijnheiligheid droop ervan af. De heilige schijn kleefde ook aan mij. Als een limonadedruppel op een kleurig zomerkleed die je wijsvinger plakkerig achterlaat als je hem probeert weg te vegen. Diezelfde druppel zou tenminste nog een zoete smaak achterlaten als je hem van je vinger likte. Met een schuine blik keek ik naast me of de anderen zich niet vies voelden in ons kleverige universum waarin ik me steeds minder kon bewegen. Mijn stiefmoeder met haar gladde haast doorzichtige huid waartegen haar neus rood afstak. Sabine met samengeknepen ogen en lippen, een blik waar ze een patent op leek te hebben. Ze was ouder dan mijn broer Lucas die op de eerst mogelijke dag na zijn achttiende verjaardag huis en haard had verlaten. Sabine kon ook elk moment opstappen dus waar al die norsheid vandaan kwam, was mij een raadsel.
Daar kwam de bus aan. Als volleerde synchroonzwemmers die zichzelf rechtop uit het water duwen, gingen onze handen omhoog. Vanuit de bus zwaaide Kevin, op zijn schouders een zware rugzak, met zijn hand slap in de lucht terug naar ons. Het leek alsof hij een weekje op vakantie ging en wij – het gelukkige gezinnetje – hem nu al miste. In plaats van naar een vakantiebestemming was Kevin op weg naar een internaat waar de regels streng waren, het toezicht door de Broeders van Genegenheid nog strenger. Daar zou hij de komende week zo in beslag worden genomen door schoolwerk dat er simpelweg geen tijd was om te denken aan opgevoerde brommers en smoesjes tegen de politie. Zijn moeder had eieren voor haar geld gekozen en riep haar dochter en mij elke week naar het raam, om haar zoon in huiselijke kring uit te zwaaien.
Grote afwezige bij dat grote raam was mijn vader. Hij was iemand die zelf ook vaak uitgezwaaid werd. Hij werkte in een warm buitenland waar het nooit regende, waar bruggen werden gebouwd en wegen aangelegd die bestand waren tegen de hoge woestijntemperaturen. Wij – de uitzwaaiers – woonden in een huis waar het elke dag stormde en bewandelden tegen onze zin met elkaar een pad vol hobbels en gaten. De wegen door windstille woestijnen leverden geld op om een groot huis voor een samengesteld gezin te kunnen kopen. De stal van Nazareth op de koude kerstnacht kwam me altijd warmer voor dan het ruime onderkomen waarin ik me een weg door mijn puberteit baande. Het huis was net als het leven vele maten te groot voor mij, als een te ruime jas waarvan de mouwen zwaar over de grond slepen en je tegenhouden in je eigen vaart.

Geen politie aan de deur. Geen telefoontjes van buren om hun beklag te doen. Geen brommers schots en scheef op ons tuinpad geparkeerd. Geen luidruchtige pubers onderuitgezakt op onze bank. Geen geklingel van bierflesjes. Geen Rambo-films. De lage stem van Sylvester Stallone vulde niet langer onze huiskamer. De nieuwe stilte was hoorbaar tot in mijn zolderkamer waar ik gebogen over mijn huiswerk zat. Een uur lang ploeteren op het vertalen van twee zinnen uit de Medea van Euripides. Medea zint op wraak nadat ze is verlaten door Jason die zijn oog heeft laten vallen op Creüsa, de dochter van de koning van Korinthe.
Mijn gedachten werden onderbroken door mijn stiefmoeder die mij bij zich riep. Voor het eten was het te vroeg, samen thee drinken deden we nooit. Ik probeerde niet naar haar uitstekende neus te kijken die weer roder leek.
‘Je vader en ik zitten eraan te denken om jou ook naar het internaat te sturen.’
Geen inleiding, geen waarschuwing van haar kant. Geen traan, geen geluid van mijn kant. Ik had tijdens de begrafenis van mijn moeder ook mijn tranen kunnen inhouden. In plaats daarvan deed ik een wedstrijd met mijn stiefmoeder wie het langst de ander strak kon aankijken.
Toen Creüsa het bruidsgewaad dat Medea haar had geschonken aantrok, brandde het gif in op haar lichaam en lieten vlees en huid los van haar gebeente. Met alle macht probeerde ik te voorkomen dat de woorden van mijn stiefmoeder mij met huid en haar opslokten. Had ik die dag maar in godsnaam kunnen vloeken. In mijn hoofd klonk alleen de echo van de vraag hoe ik nog mijn laatste Griekse woorden voor die dag vertaald moest zien te krijgen. Hoe? Hoe?

Sinds het overlijden van mijn moeder was ik alle vertrouwen in het bestaan van God verloren, maar een dreigend internaat was een noodgeval. Ik haalde God uit de kast van mijn herinneringen die ik vaag had overgehouden van mijn kinderbijbel. Ik stofte mijn godsbeeld af en schoot gebedjes naar boven richting hemel. Als ik niet naar het internaat hoef, zal ik elke dag een uur langer huiswerk maken. Als ik in de buurt kan blijven van mijn vriendinnen, zal ik doen alsof ik het tingelende geluid van de dop van de kristallen karaf met vieux niet hoor. De situatie was acuut en er was werk aan de winkel. Door Hem welteverstaan. Mijn wederdiensten zouden later komen.
Zou het zwaard van Damocles vermomd als het aanmeldformulier van het internaat, door de brievenbus vallen? Of had mijn stiefmoeder die middag wellicht iets te vaak haar glas uit de karaf bijgevuld en wist ze zelf niet meer wat ze had gezegd? Was mijn vader die ver weg zat te vergaderen met oliebaronnen, wel op de hoogte van dit idee? De tijd in mijn eigen leven ging net zo traag als de klassikale vertaling van het Grieks: een regel of tien per week.
Inmiddels had Medea haar twee kinderen vermoord. Dat een moeder haar kinderen dat kon aandoen! Hun vader Jason smeekte tevergeefs om hun zachte huid nog eenmaal te mogen aanraken. Medea gooide zijn woorden in de lege lucht waarna ze in een gouden drakenwagen wegvloog naar een nieuw leven.
Die ene dag werd opgeslokt door dagen en weken en ik vergat weleens te kijken of er een formulier op de deurmat lag. Geleidelijk aan durfde ik weer wat meer te ademen in huis, ook al zou mijn stiefmoeder mijn aanwezigheid daardoor kunnen opmerken. Zoals de mededeling van mijn stiefmoeder op die middag uit het niets was komen vallen, zo deelde mijn vader onverwachts mee dat het plan van het internaat van de baan was. Geen inleiding van zijn kant. Geen traan van opluchting van mijn kant. Mijn vader had voor mij had gekozen. Of beter gezegd: hij had tegen mijn stiefmoeder gekozen.

Alleen het verglijden van de tijd kan de ruwe kanten van herinneringen zacht maken. Tijd die mijn vader en stiefmoeder niet meer gegeven is. Tijdens de begrafenis van mijn vader, op een knisperkoude winterdag, schud ik handen met Kevin en Sabine die ik sinds de begrafenis van hun moeder – zeven jaar eerder – niet meer heb gezien. Lucas knoopt een nietszeggend praatje met hen aan. Ik heb genoeg aan mijn herinneringen.
Als Lucas en ik samen naar de garderobe lopen, zeg ik dat ik blij ben dat door onze vader mij het internaat bespaard is gebleven.
‘Door papa?’ Mijn broer kijkt me vreemd aan. ‘Ík ben degene die op papa heeft ingepraat dat jou naar een internaat sturen, niet de oplossing voor de problemen thuis zou zijn.’
Perplex kijk ik hem aan. Nu moet de gifbeker helemaal leeg.
‘Maar waarom? Waarom moest ik eigenlijk weg?’
‘Snap je dat dan niet? Papa had háár zoon weggestuurd. Dus zij wilde zijn dochter wegsturen.’

Ik loop de weidse winterlucht tegemoet. Een lucht die groter is dan al onze woorden en daden. Groter dan het grote raam op zondagavond, lang geleden. Een lucht die leeg en onbeschreven is en die wacht op nieuwe woorden. Net als Medea bepaal ik vanaf nu welke woorden in de lucht gegooid zullen worden en welke ik meeneem op weg naar een nieuw begin.