Categorieën
Fictie

Een kans

Een kans

‘Het is simpel, Maria. Je doet ze in een plastic zak, knoopt hem dicht en gooit hem in je container.’
We staan midden op de weg in de volle zon. Kostas op het brommertje met de motor nog aan. De versleten neuzen van zijn schoenen raken net het asfalt. Mijn voeten tintelen van het rennen. Het hardloop-topje plakt tegen mijn bezwete bovenlijf. Het is half twaalf ’s ochtends, maar het belangrijkste gedeelte van de dag zit erop. Kostas gebaart naar mijn hoofd. ‘Waarom ga je rennen zonder pet, Maria? Met dit weer. En zo laat nog. Je moet vroeger gaan. Om zes uur, als het licht wordt.’ Hij zet zijn rechtervoet op het pedaal en draait aan het handvat om gas te geven.
‘Wacht!’ Ik dwing mezelf om langzaam te spreken. ‘Zou je de motor even uit kunnen zetten?’
Kostas kijkt om zich heen en stuurt het brommertje naar de andere kant van de weg. In de schaduw onder de bomen draait hij de sleutel om. De plotselinge rust wordt meteen opgeëist door de cicaden. Niet hun open, aarzelende tonen van de lente, maar de zware, arrogante symfonie van zomer. Kinderen die schreeuwen terwijl ze rennen. Marktvrouwen die roepen met hun mond wijd open. Dronken, ruziënde mannen in het kafeneion.
Ik ga naast hem in de schaduw staan en prop de oortjes van mijn iPod achter de elastieken band van mijn yogabroek. ‘Een plastic zak, Kosta. Dat kán toch niet!’
Hij slaat zijn ogen neer en stapt af. Zwijgend trekt hij de snelbinders vaster rond de schop op de bagagedrager. De zwarte leren zitting wordt bijeengehouden met repen bruin verpakkingsplakband. De letters op het metalig roze brommertje zijn niet meer leesbaar. Kostas kocht het brommertje in hetzelfde jaar en van dezelfde man die aan mij zijn huis verkocht en naar Amerika verkaste. Het brommertje was splinternieuw en fel rood met witte en gele bliksemschichten erop gespoten. ‘Doen júllie dat dan ook?’ vraag ik. Hij houdt op met de snelbinder en richt zijn blik op de zee. Ik wacht. Hij haalt zijn schouders op en blijft zwijgen.
‘Weet je nog,’ ik ga wat dichter bij hem staan, ‘die rat, achter mijn keukenraam?’
Hij lacht en doet een stapje achteruit. Maakt een draaiend gebaar met zijn hand als om te zeggen tjonge, jonge, dat was me wat.

‘No problem, Maria,’ zei hij toen, ‘laat maar aan mij over. Ik deal er wel mee.’
Ze zat tussen het houten luik en het raam boven het aanrecht in de keuken. Ik observeerde haar alsof ze een vis in een aquarium was. Als ik me langzaam bewoog, hield zij zich stil. Als ik onverwachte bewegingen maakte, kroop ze naar de donkerste hoek. Iedere ochtend bij het vullen van de waterkoker, zei ik goedemorgen. Ik beeldde me in dat we een band hadden. Allebei alleen. Zij in het raam. Ik in een nieuw land. Geïsoleerd, maar veel te zichtbaar. Toen er op een ochtend drie kleine ratten bij waren gekomen, vroeg ik mijn nieuwe vrienden om raad.

Kostas zucht. ‘Maria,’ zijn eerlijke ogen staan moe. ‘Gewoon in een plastic zak doen. Een zwarte, je kent ze wel. Dezelfde die je gebruikt voor ander afval…’ hij wijst met zijn kin in de richting van de groene container. ‘Woensdag halen de mannen het vuilnis op en alles is voorbij.’
‘Het is zaterdag vandaag.’
Hoe zou hij zich voelen? In zo’n zwarte plastic zak in deze hitte, in die container?
Hij lacht ongemakkelijk, alsof hij mijn gedachten raadt, en draait zijn ogen richting zee. Er glijdt een briesje langs mijn wangen. De cicaden houden even op met sjirpen. Beginnen weer. ‘De beestjes merken er niets van.’ Hij schopt tegen een steentje. ‘Geloof me.’
‘Kun je ze niet beter meteen dood maken,’ zeg ik. ‘Ze met een zware steen op hun kop slaan?’
Er klinkt verontwaardiging in zijn stem. ‘Nee, Maria! Je moet ze een kans geven.’
‘Een kans?’
‘Misschien komt er wel iemand die hen hoort. Die de zak uit de container haalt.’ Hij kijkt me aan. ‘Een buitenlander,’ voegt hij er snel aan toe als hij mijn blik ziet.
Mijn lach klinkt droog en hees. Een Duitser of Nederlander die het deksel optilt en vier witte schattige katjes uit een zwarte plastic zak tevoorschijn haalt. Uit mijn container.
‘Sorry,’ Kostas draait zich naar zijn brommertje. ‘Georgia wacht met eten.’
‘Natuurlijk.’ Ik doe een stapje achteruit.
Hij frommelt in de blauwe plastic zak die aan zijn stuur hangt. ‘Hier,’ zegt hij en reikt mij twee tomaten aan. ‘Net geplukt.’ Ze voelen warm en zacht in mijn handen.
Kostas neemt plaats op de gehavende zitting. Er kleeft modder aan de zoom van zijn kaki broekspijpen. Hij brengt zijn hand naar de sleutel, maar leunt dan achteruit. ‘Kijk!’
Als ik me omdraai zie ik de brede gestalte van Yiota langzaam onze kant op schommelen.
‘Maria!’ Haar harde stem schettert op ons toe. ‘Waarom heb jij geen pet op?’ Puffend komt ze tot stilstand in de schaduw naast haar broer. Met een grote witte zakdoek veegt ze het zweet uit de rimpels in haar nek. Vier donkere ogen op mij gericht. Met dezelfde rechte wenkbrauwen en dezelfde horizontale sprietjes naar de slapen.
‘Zijn jullie eigenlijk tweeling?’ Ze knikken tegelijkertijd.
‘Zij was eerst,’ Kostas stoot zijn elleboog tegen die van Yiota.
‘Dat verbaast me niets!’
Yiota haalt haar wenkbrauwen op, wijst dan op mijn oranje sneakers. ‘Die schoenen!’ Ze kijkt met een guitige blik naar haar broer.
‘Niks mis met mijn schoenen.’ Ik plooi mijn rechtervoet. ‘Ze lopen goed!’
‘Jij loopt goed,’ zegt Yiota. ‘Ik zag je wel. Zo laat nog op de dag.’
‘Ze heeft een probleem,’ Kostas gezicht versombert.
Ik leg uit dat ik me zorgen maak over de kittens van de zwerfkat die ik iedere dag voer. Wat er van hen terecht zal komen als ik er de hele winter niet ben.
‘Met de auto,’ Yiota kijkt me strak aan.
‘De auto?’
‘Je brengt ze naar een afgelegen plek. Daar dump je ze, buiten. Niet te ver van een huis, dan hebben ze nog een kans.’
‘Hoezo een kans?’
‘Dan geven de mensen van het huis ze misschien te eten.’
Misschien.
Kostas lacht schaapachtig. ‘Als de vossen ze niet eerder te pakken krijgen.’
Ik schud mijn hoofd.
‘Ze wil ze ook al niet in de container stoppen,’ zegt Kostas.
Yiota doet een stapje in mijn richting.
‘Hoe doen jullie het dan?’ vraagt ze met oprechte interesse.
‘Wij?’
‘Daarboven in Nederland, of Engeland of waar je ook vandaan komt.’
‘O,’ zeg ik, ‘zij.’
‘Ja,’ zegt Kostas. ‘Hoe doen zij dat eigenlijk daar bij jou?’
‘Ze brengen de katjes naar een asiel.’ Yiota en Kostas blijven me zwijgend aankijken. ‘Dat is een plek met kooitjes waar ze verzorgd worden,’ leg ik uit. ‘Mensen die een katje willen, kunnen er daar een ophalen.’
Ze wisselen een blik. Praten dan tegelijkertijd.
‘Mensen die een katje willen?’
‘In kooitjes!’
Ik knik.
‘Wie betaalt dat?’ vraagt Kostas.
Yiota draait zich naar haar broer. ‘De mensen die de katjes kopen natuurlijk.’
‘Kópen?’ Kostas krabt aan zijn kin.
Ik zwijg. Ik had er nog nooit over nagedacht. Hoe werkt dat eigenlijk met die asiels?
‘En wat als er te veel zijn?’
‘Zoals hier,’ valt Yiota Kostas bij.
Voordat ik kan antwoorden, neemt hij het woord weer.
‘Eerst in de kooitjes en dan in de vuilnisbak.’ Ze lachen. Als ik niet mee lach, kijken ze me peinzend aan. Er verschijnt een geamuseerd trekje rond Yiota’s mond.
‘Weet je nog,’ ze gaat dichter bij haar broer staan, ‘dat blauwe halsbandje?’ Ze houdt haar blik op mij. ‘Waarom was dat ook alweer, Maria? Dat bandje voor die ene poes, die oude, die je altijd had.’ Haar bovenarm raakt die van Kostas. ‘Vlooien?’ Ze giechelt.
‘Je weet het toch. Waarom vraag je het dan?’ Ik snuif de geur van de tomaten op. Ze ruiken zoet en groen.
‘Ik wil ook wel zo’n bandje,’ Yiota pauzeert even. ‘Voor mijn man!’ Ze proest het uit. Haar ronde schouders schokken van de pret. Kostas slaat met zijn hand op het stuur. Ik wacht tot ze uitgelachen zijn.
‘Nou dan…,’ Ik draai me richting huis.
‘Kom,’ Yiota zucht, ‘ik ga maar eens de lunch verzorgen.’ Ze reikt met haar hand naar mijn hoofd. ‘Niet vergeten, Maria. Volgende keer: pet!’
‘Jaja.’
Ze knikt even naar Kostas en komt dan langzaam in beweging. Een tiental meter verder verdwijnt ze zonder om te kijken het pad op naar haar huis.
Kostas start het brommertje. ‘Maria!’ Zijn gezicht is serieus. ‘Don’t worry too much,’ roept hij boven het geluid van de motor. ‘Het zijn geen mensen zoals jij en ik.’ Hij gooit een blik over zijn schouder in de richting waar zijn zus verdween.’Of zíj.’ Hij knipoogt.
Ik glimlach zwakjes. ‘Bedankt voor de tomaten,’ breng ik uit. Zijn aandacht is al bij het stuur. Langzaam en wiebelend komt het brommertje in beweging. Ik kijk hem na totdat hij om de bocht verdwijnt. Het hengsel van de schop als een staart achter hem aan.

Een kans © Mariël Hacking