Categorieën
Fictie

Een handje helpen

Groene rook trok over de zwarte heuvels en deed de eeuwige duistere lucht gloeien met de kleur van giftig afval. Een jongen met lang bruin haar, haarpunten net boven zijn amandelkleurige ogen geknipt, reed over de lege snelweg. Hij vermeed de kraters op de weg en deed zijn best om zijn aandacht op de horizon te richten en niet op de luide ruis die uit de kapotte autoradio kwam.
Hij had geen idee of er andere overlevenden waren dan hijzelf. Hij reed langs ontelbare heuvels en stervende bossen met een maximumsnelheid die hem in de gevangenis zou kunnen brengen, maar dat was niet meer van belang. De wereld had eender welke wet al lang geleden opgegeven en er was niet één misdaad die nog niet gepleegd was sinds de wereld was doorgedraaid.
Abel trapte plotseling op de rem, waardoor de banden gierden en dit de griezelige stilte vulde. Met nieuwsgierige ogen volgde hij de besneeuwde voetstappen die naar het even besneeuwde bos leidden. het was abnormaal om hier sneeuw te zien, aangezien de normale temperatuur sinds de rook was verschenen hoog boven de 30 graden was geweest. Het normale klimaat had wat veranderingen ondergaan, dus misschien was Abel toch niet zo verrast om plotselinge sneeuw in deze regio te zien.
Hij stapte uit de auto, nieuwsgierig waarom iemand bij dit soort vriesweer de donkere bossen in zou gaan. Hij stopte zijn trillende handen in zijn bruine wollen jasje, schuifelde door de sneeuw en hield de voetafdrukken goed in de gaten. De jongen stopte plotseling toen hij rode bloeddruppels langs de het spoor zag verschijnen, alsof de eigenaar gewond was geraakt en de hele weg lang bloedde. Het bloedspoor werd donkerder en donkerder tot het grote vlekken waren die de parelwitte sneeuw versierde.
Abel verstijfde, zich realiserend dat hij onderweg meerdere kleine dode dieren was gepasseerd. Hij had er niet veel aandacht aan geschonken maar nu zijn blik op een konijn was gericht en zag dat dit niet geen tekenen vertoonde van messteken of wurging, betekende dat maar één ding.
De negentienjarige deed langzaam een stap achteruit, zich er nu van bewust dat de onbekende die hij volgde in het bezit was van een geweer, een slechte zaak nu de aarde een wetteloze planeet was geworden waar iedereen in zijn eentje probeerde te overleven. Hij keek om naar het diepere bos en hoorde geritsel vermengd met een plots geschreeuw dat met rillingen door zijn lichaam vibreerde. Hij rende terug naar de veiligheid van zijn auto zodat hij een gevecht met een gewapende man kon vermijden terwijl het enige dat hij bezat een klein zakmes was.
Hij begon te sprinten en passeerde zijn oude voetafdrukken die de andere kant opgingen totdat de snelweg weer in zicht kwam. Met schrik zag gij dat zijn auto niet zo leeg was als hij deze had achter gelaten en aan geluid achter hem bleek het bos ook niet zo leeg te zijn. Hij hoorde voetstappen achter zich en geweerschoten echoden door de bomen. Kraaien vlogen uit het bos de groene lucht in, met het voorgevoel dat wat er ook aankwam, geen goede kerel was.
Abel zag een jongen in de bestuurdersstoel van zijn auto zitten, wanhopig probeerde hij de motor te starten, zo leek het. Abel vloekte op zichtzelf toen hij zich herinnerde dat hij was vergeten de auto op slot te doen. Tot zijn geluk had hij de sleutels uit het contact gehaald die nu in de zak van zijn warme jasje kletterde tegen elkaar.
De jongen keek op toen hij voetstappen hoorde naderen die plots luider leken dan de geweerschoten in de verte. Met een angstig blik zag hij Abel in de auto springen, iets schreeuwend in de trant van “Ga uit de weg”, totdat hij op de passagiersstoel werd gegooid en de autodeur werd dichtgeslagen.
Abel bleef nerveus tussen het donkere bos en de jongen kijken terwijl hij de sleutels in de auto stopte en hem startte, waarbij de motor brulde en beide jongens liet schrikken.
De auto vertrok, precies op het moment dat een man het bos uit rende, in de ene hand een pistool, de andere hand afgehakt. De man tierde van woede en probeerde op de banden te schieten. De kogel ketste op de weg en had de auto geraakt als Abel niet opzij was gezwenkt om ze te ontwijken.
“Waarom is hij verdomme zo boos?”, mompelde Abel terwijl de auto over de lege snelweg reed. Nadat er voldoende afstand tussen hen en het bos was, durfde hij een blik te werpen op de stille jongen die naast hem tegen het raam geperst zat op dezelfde manier waarop Abel hem er tegen had geduwd.
“En wie ben jij?”, vroeg hij aan de nieuwkomer.
Zijn diepe stem leek de jongen te laten schrikken en hij omhelsde zichzelf voor hij zich nog meer tegen het autoraam drukte. “Doe me alsjeblieft geen pijn”. Zijn stem was slechts een piepgeluid en Abel grinnikte. Hij stak zijn hand uit en pakte de jongen bij de schouder voor hij hem heen en weer schudde. “Wees niet zo zenuwachtig. Ik ben niet van plan je pijn te doen.”
“Meen je dat?”, vroeg de jongen. Zijn ogen werden groter met nieuwsgierigheid maar gingen verborgen door de donkere lokken die voor zijn blik vielen. “Je hebt geen slechte intenties?”
“Zie ik er slecht uit?”, antwoordde Abel grijnzend terwijl hij naar de jongen keek. De jongen fronste toen hij deze woorden hoorden en hij vroeg zich waarschijnlijk af wat Abel wilde horen voor het geval hij de vreemdeling per ongeluk kwaad maakte.
“Dat was geen serieuze vraag, dus je hoeft geen antwoord te geven”, zei Abel uiteindelijk, “Hoe heet je?”
“Cas”, sprak de jongen zachtjes.
Hij speelde zenuwachtig met de koorden van zijn trui terwijl de bomen en heuvels langs het raam voorbij snelde. Cas had het gevoel dat er naar hem werd gestaard en keek aarzelend naar de jongen naast hem die met een glimlach naar hem keek. Abel wendde zijn blik weer af op de lege weg. “Dat is een mooie naam voor een mooie jongen.”
De wangen van de jongen kleurde roos en hij wendde snel zijn ogen af. “Dankjewel”, mompelde hij.
“De naam is trouwens Abel”, sprak de andere, “Wat deed je trouwens in mijn auto? Was je op de vlucht voor wie die boze kerel ook was? Wat was eigenlijk zijn probleem eigenlijk?”
Cas slikte hard en sloot zijn ogen, “Ik ben de zoon van de boze kerel”
Na dit te horen werden Abels ogen groot en hij wierp snel een blik op Cas. “Wat? Waarom zou hij achter jou aan zitten?”
Maar Abel wist het antwoord eigenlijk al. In deze wereld was voedsel schaars en zorgen voor een kind was volledige zelfmoord. De man had van Cas af willen komen door hem het bos in te leiden.
“Ik heb hem een handje geholpen.”
Abel grijnsde toen hij zich de afgekapte hand van de man herinnerde.
Hij legde zijn hand op het been van Cas en gaf hem een klopje. “Ik denk dat we goede vrienden zullen worden.”
Cas staarde naar de hand op zijn dij. “Laat me hem niet afhakken”, knipoogde hij en hij voelde dat Abel zich zijn arm snel wegtrok bij die opmerking.
Cas lachte.
Abel glimlachte bij het vrolijke geluid.
Deze klote wereld werd opeens een stuk interessanter.