Categorieën
Fictie

Een fles whisky van 20.000 Euro

Een fles whisky van 20.000 Euro

Terwijl mijn vrouw en dochter in de keuken ruzie maakten, manoeuvreerde ik mijn rolstoel, nog steeds onwennig, over de krakende parketvloer van de salon. Het was koud geworden in huis en er kwamen condenswolkjes uit mijn mond. Ik hoorde hoe een bord sneuvelde en het schreeuwen werd nu ook steeds heviger. Slechts met moeite parkeerde ik mijn stoel zo dicht mogelijk bij de grote stenen haard en voorzichtig om niet uit balans te raken veegde ik de as van de vorige winter opzij. Mijn bewegingen waren grof en onhandig en toen ik klaar was lag een groot deel van de as op de grond. Ik leunde achterover en haalde diep adem. Sinds mijn beroerte ging niets meer vanzelf en ik kon de bijkomende moedeloosheid bij tijden maar moeizaam verdragen. Ik verfrommelde een krant van de grote stapel die ik natuurlijk had willen lezen en uit een krat naast de haard, nam ik een handvol aanmaakhoutjes die ik die tegen elkaar aan probeerde te zetten in de vorm van een tent. Mijn vingers deden niet wat ze moesten doen en het bouwwerk viel direct weer om. Ik keek naar mijn handen. De gewrichtjes bogen wel, maar net niet ver genoeg en als ik iets wilde neerleggen schoot ik uit en stootte het om. ‘Kleine stapjes’ had de neuroloog gezegd. Met ingehouden woede bukte ik voorover en met een inmiddels bezweet voorhoofd, zette ik het hout zo goed en zo kwaad als het kon tegen elkaar aan. Na wat gepriegel lukte het me om een lucifer uit het kartonnetje te peuteren en ik stak hem aan. Met de brandende lucifer nog in mijn hand luisterde ik naar de woordenwisseling op de achtergrond. Mijn vrouw had niet veel meer aan me. Ik had hulp nodig bij aankleden en als ik praatte was ik slecht verstaanbaar, maar het huis warm maken op deze eerste koude avond van het jaar, zou me godverdomme lukken. Vermoeid legde ik de brandende lucifer onder de krant die vrijwel direct vlam vatte en tevreden schonk ik mijzelf een glas in uit de kristallen karaf naast de haard.

‘Ik kan niet geloven dat je dit serieus meent’ zei mijn vrouw terwijl ze woest de kamer in stormde. Ze praatte niet tegen mij, maar tegen onze 22 jarige dochter die achter haar aan sjokte; een dun meisje met een rommelig kapsel, prominente jukbeenderen en een spitse bleke neus. Er was iets in de manier waarop ze bewoog, haar schouders omlaag, haar benen net iets te wijd, dat verklapte dat ze overspoeld werd door het leven, zoals wanneer een auto net iets te hard langs de stoep door een plas rijdt. ‘Waarom zou je in godsnaam weer met die jongen samen willen zijn?’ vroeg haar moeder. Ze praatte met stemverheffing en het was duidelijk dat ze zich zorgen maakte. Ik keek niet naar hen, maar naar mijn glas. Ik hield ervan ermee te spelen voordat ik een eerste slok nam; dan hield ik het in de palm van mijn hand en liet de vloeistof soepel rondgaan terwijl de geuren langzaam loskwamen. Nu schokte de vloeistof over de rand. Ik hield een welgemeende vloek nog net binnen toen ik zag hoe het vuur zich langzaam uitbreidde; het papier had het kleine hout in brand gekregen. Ik hoorde dondersgoed wat er achter mij besproken werd. Vroeger had ik daar zelf naast mijn dochter gestaan. Ik was altijd goed met woorden geweest en ze zou naar me hebben geluisterd. Nu kon ik beter in mijn stoel blijven zitten en opletten wat er ging gebeuren. ‘Ok, maar waar is die nu?’ verzuchtte mijn vrouw ten slotte. Haar dochter deed haar handen wanhopig omhoog. ‘Dat is wat ik je de hele tijd al probeer te vertellen Mam, dat weet ik niet. Ik zweer het, als ik hem niet vind krijg ik nooit een tweede kans. Hij is niet het soort jongen dat gemakkelijk vergeet.’ Haar moeder keek verrast omdat ze niet vaak met plezier terugdacht aan mannen die niet gemakkelijk konden vergeten. Met een schuin oog keek ze naar haar eigen man bij de haard, waar de vlammen zich nu verspreidden als een Brabants gezin na een koude winter. Ik had zojuist een blok hout op het vuur gelegd en leunde achterover en keek hoe dan eindelijk gebeurde wat ik wilde. De kleine houtjes verwarmde het grotere blok en het was een kwestie van minuten voordat ook dat vlam zou gaan vatten. ‘Waarom bezit een man überhaupt een fles whisky van 20.000 Euro?’ verzuchtte mijn vrouw nu. Haar dochter begreep niet waarom dit zo bijzonder was. ‘Dat is gewoon hoe hij is Mam, hij heeft wel meer dingen waar jullie je te goed voor zouden voelen!’ Ze ging op een pianokruk zitten achter de lange zwarte en nu niet meer gebruikte concertvleugel. Ze zweeg en speelde met een lok haar tot ze die geïrriteerd achter haar oor veegde. ‘Nou ja, uiteindelijk was ik natuurlijk de gene die hem gestolen had.’

Haar moeder liep nu naar haar toe en begon weer luider te praten. ‘Ja nadat hij je geslagen had! Henry zeg jij nou ook eens wat.’ Ze schrok van haar eigen woorden, slikte het verwijt in en praatte verder: ‘Als je had gezien hoe woest je vader was toen je thuis kwam met dat blauwe oog… Het is maar goed dat die jongen zijn gezicht hier nooit meer heeft laten zien, ik zou niet weten wat Henry hem had aangedaan.’ Haar mondhoeken krulden iets omlaag terwijl ze verder ging: ‘Hij was vroeger behoorlijk sterk weet je.’ Zonder mij om te draaien, wist ik hoe ze naar me keek. Het was een blik van teleurstelling, de blik van een vrouw die wist dat het beste bij haar man eraf was. Had ze mij vroeger nodig om een dop van een pot te draaien, of om de auto in te parkeren, nu moest ik vooral zelf geholpen worden. En als ik nou nog goed had kunnen praten, dan was dit een crisis die door mij opgelost zou zijn geweest. Mijn vrouw had alles perfect gedaan: ze had haar dochter terug in huis gehaald en praatte als brugman om die jongen bij haar weg te houden. Maar toch, dat was altijd mijn taak geweest en zo had het ook moeten blijven. Ook zij wist dat dondersgoed. Het was dan ook die blik die ze had toen ze naar mij keek.

Onze dochter legde nu haar hoofd tegen haar moeders schouder. Ze praatte zachtjes en twijfelend, ze klonk weer als een klein meisje. ‘Ik wil hem gewoon terug mam, hij liet me voelen hoe bijzonder ik ben.’ ‘Oh maar dat ben je ook, je bent heel bijzonder en er is geen man in de wereld die je dat hoeft te vertellen. Als je je geluk ophangt aan anderen, schat, dan eindig je nergens.’ Haar moeder had een traan in haar ogen en aaide haar dochter over haar rug. ‘Je begrijpt het niet, ik had hem verteld dat ik die whisky weg had gegooid en toen ging hij door het lint. Hij liep gewoon het huis uit en ik heb hem daarna nooit meer gesproken. Maar ik heb dat helemaal niet gedaan, ik had de fles gewoon in mijn kamer verstopt. Ik dacht, als ik het nou aan hem teruggeef, neemt hij mij misschien ook wel weer terug. Maar de fles is weg, ik heb wel honderd keer gezocht.’ Haar moeder deed haar vingers door haar lange haren, alsof ze haar kamde, net als vroeger. ‘Misschien is het ook maar het beste zo, vergeet niet dat hij je geslagen heeft schat.’ Toen hielden ze nog een tijdje elkaars hand vast en samen huilden ze totdat haar dochter uiteindelijk ruw op stond en boos de kamer uitliep. Ze ging nog een keer zoeken, riep ze uit.

Het was nu weer stil in huis. Het grote blok was gaan branden en een weldadige warmte verspreidde zich door de kamer. Af en toe klonk er een kleine knal uit de haard, alsof het hout kwispelde van plezier. Ik hoefde eigenlijk niets meer te doen dan achterover te leunen en te kijken hoe dit blok het volgende zou aansteken en het volgende en zo verder als een kleine kettingreactie die ik in gang had gezet met een krant en een lucifer. Ik genoot van het gevoel hoe ik ondanks alles toch een manier had gevonden om belangrijk te zijn doordat iets kleins uiteindelijk leidde tot iets groters. Eindelijk bracht ik nu het glas naar mijn mond en nam voorzichtig een heel klein slokje. Ik liet de vloeistof langzaam rondgaan in mijn mond en proefde volvette noten met kaneel, een smaak die langzaam overging in honing en abrikozen en even, heel even, was er de suggestie van pas gemaaid gras. Pas toen de smaken zich hadden vermengd, slikte ik voorzichtig alles door: zoals je dat doet wanneer je een heel erg dure whisky drinkt.