Categorieën
Fictie

Een fabel voor Abel

Als ze geen broers waren geweest, was het allemaal heel anders gelopen. Maar helaas, Wilhelm en Jacob Grimm waren nu eenmaal broers en eeuwen later zou kleine Abel daar de dupe van worden.

Abel lag in bed met zijn ogen stijf dicht. De gruwelijkheden uit de zojuist vertelde sprookjes spookten nog na in zijn hoofd. Abel had nog geprotesteerd maar hij had beter moeten weten.
Mama had dit sprookjesboek nog niet zo lang geleden gekocht en van ál de aanwezige kinderboeken in zijn kamer wilde ze het liefst steeds hier uit voorlezen.

Dus zo was het dat het vandaag de beurt was aan twee favoriete verhalen van mama, namelijk eerst Roodkapje en daarna De Wolf en de Zeven Geitjes.

Abel deed zijn ogen open en draaide zijn hoofd zo dat hij zicht had op de smalle streep licht onder zijn slaapkamerdeur. Hij vond het altijd fijn als mama het licht op de overloop aanhield als ze naar beneden ging.
Toch snapte hij iets niet. In allebei de verhalen was de wolf de slechterik en tóch wist de wolf terug te komen om in het andere verhaal te spelen. Hoe kon die wolf uit het water klimmen met al die zware stenen in zijn buik?
En hoe bestond het dat hij daarna überhaupt nog trek had?

Abel hoorde het kraken van de vloer. Liep er iemand op de overloop?
Hij spitste zijn oren en begon het onaangenaam warm te krijgen.
Ineens werd de streep onder de deur onderbroken door twee schaduwplekken.
Hij trok de deken tot over zijn neus toen de deurklink langzaam naar beneden ging, en verstopte zich er compleet onder nadat hij een grote harige klauw zag verschijnen die zich om de rand van de opengaande deur klemde.

Toch kon Abel het niet laten om nog één laatste keer te spieken.

Een grote harige gestalte stond gebukt over zijn bed. Zijn armen wijd uit elkaar, een kwijlerige bek met blinkende tanden ver open gespreid en daarboven, nog boven de snuivende neusgaten, twee rode ogen die hem intens aankeken.
Abel slaakte een gil en zag nog net hoe een lange kwijlsliert op zijn dekens viel alvorens hij het bewustzijn verloor.

Hij werd wakker omdat hij de stem van zijn moeder hoorde.
“Liefje, ik hoorde je gillen. Gaat het wel goed met je?”

Het was vreemd want mama klónk dichtbij – alsof ze bij hem in de kamer stond – maar toch kon hij haar niet zien.
Hij kon eigenlijk helemaal niets zien. En wat was toch die stank?
Hij tastte in het rond en voelde overal zachte, sompige dingen om zich heen.
Totdat…

“Een steen?”

Het zweet brak Abel uit. Hij realiseerde zich ineens dat hij een stapel grote keien aan het betasten was in deze rare benauwde ruimte die zijn slaapkamer helemaal niet was.
Hij wilde het uitschreeuwen maar hoorde toen de stem van mama weer. Nu iets dichterbij, alsof ze naast hem stond.

“Maar Abel, wat heb je grote ogen?”, hoorde hij haar zeggen.

FIN.