Categorieën
Fictie

Een echte Tielenburg

Een echte Tielenburg

Een tikje teleurgesteld begin ik aan de afdaling vanuit de portiek waarin ik zojuist op vijf adressen post heb bezorgd. Voor het zesde was er niks. De trap die ik afdaal is smal, wat hem steiler doet lijken dan de bredere trappen elders in de buurt. Desondanks loopt hij niet zwaarder of lastiger dan de overige zevenenvijftig die ik vandaag bedwing – ‘Wat zal jij een mooie gespierde billen hebben’ werd me ooit met onverholen jaloezie toegevoegd door een seksegenote, een stuk jonger maar toch niet tevreden over de mate van spieropbouw en/of vetverlies ondanks intensief sportschoolbezoek, vrouwen zijn zelden tevreden met het resultaat van hun inspanningen waar het hun uiterlijk betreft. Ik heb geen klachten over mijn billen. Enfin, ik ben halverwege als achter me een deur opengaat. Ik kijk over mijn schouder. Een man draait vrijwel onhoorbaar de deur van links éénhoog op slot.
‘Geen post voor u vandaag,’ zeg ik achterom.
‘Geeft niet.’
‘Jawel! Ik vind het namelijk leuk om bij u post in de brievenbus te stoppen.’
‘Echt waar?’
‘Hij klapt zo verrassend open.’
‘Is het u opgevallen?’
‘Ik verheug me er zelfs een beetje op als ik naar boven loop.’
‘Ik heb hem zelf gemaakt,’ zegt hij met enige trots.
Tielenburg, ik neem aan dat hij het is, staat boven aan de trap, sleutels in de hand, een eenvoudige man met vriendelijke uitstraling. Een jaar of zestig, misschien wat ouder, lastig te schatten. Zijn verschijning heeft iets tijdloos’.
‘Hij voldoet aan de wettelijke regels,’ zegt hij, ‘is exact 26,5 bij 3,2.cm…’ – ik grinnik hardop, hij vervolgt ietwat verstoord – ‘…de afmetingen zoals de PTT die ooit heeft vastgesteld.’
Hij staat inmiddels weer voor zijn deur. Ik keer op mijn schreden terug en kijk mee terwijl hij vooroverbuigt om zijn ontwerp nader toe te lichten, me wijst op standaard hoekprofielen, bij elke ijzerwinkel verkrijgbaar, een gewone veer en aanverwante zaken. Mijn bekentenis dat ik aanvankelijk aan schuifdeurtjes dacht, veroorzaakt een licht hoofdschudden: ‘Dat is onmogelijk…’
‘Als je een gewone envelop door het midden bezorgt, kun je niet zien hoe het werkt,’ voer ik aan ter verdediging, ‘het is heel uitzonderlijk dat hij naar twee kanten openklapt. Ik heb hem zelfs gefotografeerd.‘
‘O?’
‘Voor mijn verzameling bijzondere brievenbussen.’
‘Heeft u een verzameling bijzondere brievenbussen? Welke brievenbussen heeft u dan zoal verzameld?’
‘Heel verschillende… nou ja, hoe zeg ik dat… de meeste brievenbussen zijn de post vijandig gezind.’
Hij humt instemmend, gaat even op zijn tenen staan en weer terug op zijn hakken, herhaalt de beweging, het geeft hem iets jongensachtigs.
‘Te klein, te smal, zware kleppen, scherpe kleppen, geen opwiprichel maar ingewikkeld kantelmechaniek, anti-inbraak tanden, verkeerd gemonteerde borstels… en dat is maar een greep uit het arsenaal. Veren staan altijd te strak afgesteld, je vraagt je soms af of mensen überhaupt post willen krijgen…’
‘Ik moet hem ook weer eens smeren, de veer opnieuw afstellen…’
‘Welnee, hij gaat hartstikke soepel. Sommige krijgen een eigen beschrijving. Die van u heeft saloondeurtjes…’ – hij tuit zuinigjes zijn lippen – ‘…saloondeurtjes die elke envelop verwelkomen als een cowboy na een lange, stoffige reis’ – de ijle glimlach staat hem goed. ‘Ik ken nog één ander speciaal ontworpen exemplaar, net zo bescheiden maar dan achter een struik in de muur naast de voordeur van een villa. De post glijdt door een loshangende klep soepeltjes naar binnen… vind ik ook leuk, doet me denken aan kinderen op een glijbaan…’
We praten enthousiast verder over brievenbussen, mechanieken, technische uitdagingen – een voor de buitenstaander wellicht wat saaie uitwisseling – de naam Friso Kramer valt, de ontwerper van de bekende groene brievenbus. Net zoals laatstgenoemde blijkt Tielenburg industrieel ontwerper. Op dit moment is hij vooral bezig met licht… hij aarzelt. Kom, doe es gek, hoor ik hem denken. En hij zegt: ‘Wilt u het zien?’
Hij draait de deur al van het slot. Ik sta in dubio. Niet dat ik in hem een psychopaat vermoed met kwade bedoelingen, het is meer de dreiging van dat nieuwe virus. Handen veelvuldig wassen en vooral geen handen schudden, luidt het nieuwe gebod. Ook al doen Tielenburg en ik dat laatste niet, toch aarzel ik. Mijn bezorgersoutfit is smoezelig, het traplopen maakt zweterig, de buitenlucht snotterig… Ik druk het pak post tegen mijn borst. Zolang ik binnen niets aanraak, kan het vast geen kwaad. Het laatste wat ik wil is dat virus achterlaten in zijn woning, die, eenmaal binnen, een toonbeeld van helderheid en functionaliteit blijkt. Grijze vloerbedekking, strakke meubels. De Martin Visser slaapbank is de frivole blikvanger in compromisloos rood. Hij staat wat ongebruikelijk midden in de kamer, met de rugleuning tegen een grote werktafel.
‘Vanwege de 3D-printer daar tegen de muur’ beantwoordt Tielenburg mijn onuitgesproken vraag, ‘tijdelijk hier ter reparatie. Als die weg is, mag de bank weer op zijn plek bij het raam.’ Hij wijst naar de hanglamp waarvan het kapje geconstrueerd is uit halve aluminium bollen boven de ranke eettafel, en naar de kast. Ik kijk omhoog. Boven op de rand van de kast is een rij zilveren spotjes bevestigd waarvan de vierkante kapjes met aluminiumfolie geïmproviseerd lijken.
‘Prototypes?’
‘Uhuh. Spotjes met ledlampjes, nog in de beginfase.’
‘Mooi. Is dat in opdracht? Gaat het geproduceerd worden?’
‘Nee, dat is zo moeilijk te realiseren… ik werk vanuit mijn eigen interesse. De drang om een brievenbus te ontwerpen stamt uit de tijd dat ik zelf postbode was. Alleen op de zaterdag. Ik studeerde aan de Rietveld academie en had een bijbaantje nodig… ik werd na korte tijd ontslagen. Ik deed er twee keer zo lang over dan de bedoeling was, omdat ik het belangrijk vond de post in de juiste bus bij de juiste naam te bestellen.’
‘Het eerste wat je moet afleren.’
‘Op een gegeven moment kreeg ik controle. Stond er iemand vanaf de overkant te kijken hoe ik het deed…’
‘Doen ze nog altijd’
‘Ongelofelijk.’
‘Ja. Verder is er wel veel veranderd. Alleen al die twee stapels post…’
‘Ik zag u laatst met zo’n uitklaptafeltje lopen.’
Zijn karakteristieke hupje verraadt dat deze observatie zijn ontwerpersinstinct kietelt, maar ik moet hem teleurstellen: ‘Dat was een andere postbode, ik gebruik het niet. Een postvest noemen ze dat. Het is bedoeld als hulpmiddel om tijdens het lopen post samen te voegen, die wordt namelijk niet meer zoals vroeger netjes op volgorde aangeleverd. Een bezuiniging. Ik vind het een onding, dus doe ik dat op de arm. Soms ook van tevoren op het depot, sta ik ouderwets te sorteren voordat ik op pad ga. Dat werkt het prettigst. Mag officieel niet. Erg kinderachtig allemaal…’
Tijdens ons gesprek dwalen mijn ogen door de kamer, blijven haken aan de eettafel. De houtverbindingen tussen blad en poten vallen me op vanwege de dunne dwarsbalkjes en de ongebruikelijke hoeken.
‘Die tafel is ook bijzonder…‘
‘Eigen ontwerp. Ik heb alles hier in huis zelf ontworpen en gemaakt, alles behalve de bank en deze stoelen’ – hij wijst naar de twee stoeltjes aan weerszijden van de eettafel.
‘Ik heb wel een stoel gemaakt, eentje maar, een heel speciale, die staat in de slaapkamer… Kom, dan laat ik hem zien.’
O jee. Het mag dan allemaal licht zijn, het interieur, dit gesprek, zijn uitstraling, maar toch… tien minuten na onze eerste ontmoeting al naar de slaapkamer voelt ongemakkelijk. Straks ligt daar een verdwaalde onderbroek… Hij merkt mijn aarzeling niet op, loopt langs me naar het halletje en wenkt: ’Hier staat mijn negenkantige stoel op drie poten. Zoiets heeft niemand ooit ontworpen, laat staan gemaakt. Het is een uniek exemplaar.’
Zoiets verzin je niet. Ik laat me meetronen naar de eenvoudige slaapkamer waar ik de negenkantige stoel op drie poten bewonder, eerst vanuit de deuropening en dan toch maar naar binnen. Vanaf mijn positie naast het opengeslagen bed kijk ik neer op de negenkantige zitting, buig voorover om de drie poten beter te bekijken. Ik draai me om naar Tielenburg die vlak achter me, meegesleept door zijn eigen enthousiasme, demonstreert hoe de deuren van de kledingkast wrijvingsloos open en dicht kunnen. Ineens krijg ik het erg warm, een blos brandt op mijn wangen, vermoedelijk vuurrood, en ben ik me overbewust van mijn vormeloze outfit in deze ordentelijke omgeving, meer bezig met mijn eigen ongemak dan met Tielenburgs presentatie van unieke meubelen. En dan sta ik plotseling weer buiten op bekend terrein.
Gaandeweg maakt mijn verlegenheid plaats voor verwondering over deze ongewone ontmoeting. Het ging alleen wat te snel. Ik had op zijn minst een foto van de stoel moeten maken, of beter nog, erop moeten gaan zitten. Die stoel is gemáákt voor mooie postbezorgersbillen. Ik neem me voor nog een keer bij hem aan te bellen als dit hele coronagedoe voorbij is. Dan vraag ik om een tekening van de brievenbus, mijn foto’s schieten hopeloos tekort in het overbrengen van het technisch vernuft. En of ik de stoel nog eens mag zien. Of ik erop mag zitten. Voelen hoe dat zit, op een negenkantige zitting gedragen door drie poten. Op een echte Tielenburg.