Categorieën
Fictie

Drip

In dit huis ben ik bang voor de druppels. Ik lig op bed, en ik hoor ze vallen. Tik-tik-tik op de witte, vuile en met verkeerde kit afgewerkte douchecabine. Niet nog meer, alsjeblieft. De oranjerode lichten van de wekker vertellen mij dat ik moet gaan slapen. Nu. Tik-tik-tik. De slaap komt niet. Het plafond is interessanter dan eventueel nog komende dromen, de vlekken die in het donker niet zichtbaar zijn maar in mijn hoofd verwrongen en bewolkte vormen aannemen, overheersen mijn gedachten.
Dit huis ademt vocht, als de reutelende longen van mijn hartfalenpatiënten – happend en snakkend naar lucht. Geen raam of deur op een kier die hier tegenop kan luchten. Nu is het de lekkende kraan van een kapotte douche, gisteren was het de overvolle en door drek geblokkeerde regenpijp die doorlekte tot in de nieuwe verduisterende gordijnen. De zwarte gordijnen zijn godzijdank nog zwart, het vocht is keurig opgedroogd en heeft zijn sporen deze keer niet permanent achtergelaten. Niettemin slaap ik nog steeds niet.
Dit huis, of beter, huisje, mijn trots. Een plek in het centrum en dat op het salaris van een verpleegkundige. De Nederlandse vlag die luid wapperend aan de gevel hing, had me op het spoor van rode vlaggen moeten brengen. Niemand die zich afvroeg of ik wel viermaal de kale huur verdiende, of überhaupt verdienpotentieel had. Een borg van een paar honderd euro. Nu zie ik er niet uit als een mogelijk destructieve factor in dit appartement, dus dat er minder vragen werden gesteld: soit.
De bezichtiging duurde in totaal een kwartier, waarvan ik minstens vijf minuten aan het bijkomen was van het langer dan gepland durende fietstochtje van het treinstation en de bijbehorende zoektocht naar waar in vredesnaam Barbarasteeg 5 zich bevond. Na drie rondjes over de hoofdstraat, waar volgens het blauwe icoontje mijn toekomstige huis zich zeer dicht in de buurt moest bevinden, vond ik het adres. Niet de makelaar, maar de huurbaas zelf begroette me. Het type dat iets te veel vrije tijd in de FitforFree doorbrengt om daar meisjes als ik met succes uit de gewichtenhoek weg te intimideren.
‘Eva?’ Ik knikte. ‘Ok lets go, ik heb meer te doen. Dit is de badkamer’, zei hij terwijl in de keuken stonden. In de keuken bevond zich de gebruikelijke apparatuur, maar pontificaal op de plek waar in de woonbladen een keukeneiland staat, stond een douchecabine. Aan de lage balken stootte ik, toch wel één meter zevenenzestig, mijn hoofd. De keuken was echter goed geoutilleerd, met zelfs een vaatwasser waar ik mijn studentenhok met luie huisgenoten alleen maar van kon dromen.
De woonkamer keek uit op het pleintje in de binnenstad en de naburige Albert Heijn en de slaapkamer had zelfs een inloopkast. De lichte kringen op de muur: geen idee wat het was, ik zou toch alles opnieuw gaan verven. Of ik direct kon tekenen, vroeg de huurbaas zich af. Er waren meer gegadigden en dan kon hij die afbellen, hij had wel wat beters te doen dan een stel woningzoekers rond te leiden. Ik kon alleen maar denken: dit is het. Dit is mijn ticket naar Amsterdam. Wat tijdens mijn studie niet mogelijk was, kon ik nu waarmaken. En ik tekende.
In de trein naar huis belde ik mijn ouders. ‘Mam, het is gelukt, ik heb een huis!’ De vrouw van middelbare leeftijd die in de Privé verzonken tegenover mij zat, de leesbril afkeurend op het puntje van haar neus, keek verstoord op. Ik mompelde excuses, waarop geen reactie kwam. Aan de andere kant van de lijn was het stil. ‘Wat fijn liefje, en zo snel al’, klonk het uiteindelijk. ‘Wanneer ga je verhuizen?’
De maandag erop – de bezichtiging was op vrijdag – stond ik met mijn broer en ouders de kringen over te schilderen. Meubels werden in busjes geladen, kleding uitgezocht en in dozen verpakt en de kringloopwinkel werd afgespeurd naar goede vondsten voor mijn precies ingerichte eerste, eigen plekje.

En nu staar ik op één van die prachtige vondsten, een antiek eikenhouten bed, naar het plafond. Langzaam kruipt het licht onder de zware gordijnen vandaan. Vijf minuten voor de wekker gaat. Veertig minuten voor ik mij op de fiets naar het ziekenhuis zal snellen, altijd bijna te laat. Acht uur en vijfenveertig minuten voor ik weer onderweg naar huis ben, dit huis, waar het vocht me de adem beneemt en slaap slechts een illusie is.
Drie maanden leefde ik mijn droom. Toen begon het druppelen, het langzaam gekmakende tik-tik-tik – gekmakend alsof de straaltjes water op steeds exact dezelfde plaats op mijn hoofd terecht kwamen. De leidingen raakten verstopt, het doucheputje liep niet meer door, net als de wasbak in mijn slaapkamer en de afvoer in de keuken. Ik kon mijn eigen plassen niet meer aanhoren naast de kakofonie van neervallend water in de rest van het huis. Geen oordopjes die deze herrie meer tegenhouden. Stadse geluiden – dronken studenten die brallerig over straat schreeuwen, toeristen die kotsen tegen je voordeur, de diepe bas van de favoriete muziek van de overbuurman – ik zou ze met liefde ongefilterd binnen laten, als ik af was van deze waterhel.
Het gekletter heeft een ritme, de ene druppel valt sneller, korter, dan de andere. Kort-kort-lang volgt op lang-kort-kort volgt op kort-kort-kort. Zo onregelmatig dat mijn hoofd er niet aan wennen kan, maar niet in slaap kan vallen, geen rust kan pakken, niet meer uit gezet kan worden, gedachten die over elkaar heen buitelen, schreeuwend en krijsend om het hoogste woord, is het morsecode, is het echt, praten ze tegen mij? Wat zeggen ze? Wat willen ze? Moet ik luisteren, is het goed, is het slecht, wat is dit?
De wekker onderbreekt de stroom. Versuft stap ik uit bed. Douchen durf ik niet. Water drinken, of koffie, ook niet. Als ik de kastjes open trek, tref ik geen ontbijt aan. Er ligt een half beschimmeld kontje van een brood dat twee weken geleden over de datum was. Wanneer heb ik voor het laatst boodschappen gedaan? Hongerig stap ik op de fiets. Regen.
In dit huis ben ik bang voor de druppels. Ik lig op bed, en ik hoor ze vallen. Tik-tik-tik, op de steriel witte tegels in de badkamer. De lakens moeten verhullen dat ik op makkelijk wasbaar plastic lig, met nergens een scherp randje waar ik mij god verhoede aan open zou kunnen halen. De wekker is een klopje op de deur om zeven uur ’s ochtends.
‘Goedemorgen Eva. Heb je goed geslapen?’ Geslapen? Wat denk je zelf, wil ik hem toeschreeuwen maar mijn mond weigert. Gemurmel en gebral vormen een woordeloos antwoord. Opstaan uit bed lijkt een onoverkomelijke drempel, merk ik als mijn lege maag mij richting eten wil dirigeren. ‘Misschien voel je je nog wat duf van de medicatie.’ Medicatie? Wat is dit voor een plek? ‘Kom, dan stel ik je voor aan de rest bij het ontbijt.’ Welkom in de GGZ.