Categorieën
Fictie

Drift

Drift.
She’s got a smile that it seems to me
Reminds me of childhood memories
Where everything was as fresh as the bright blue sky
Now and then when I see her face
She takes me away to that special place
And if I stare too long, I’d probably break down and cry
Oh, Sweet child o’ mine
Oh, Sweet love of mine – Guns ‘n Roses

Ik had het aan zien komen, want ik voelde na al die jaren ineens de behoefte om hem te spreken, ondanks het wantrouwen van mijn man. ‘Waarom wil je ineens in contact komen met een jeugdliefde?’ Hij was van mening dat mijn ex nog gevoelens voor mij zou hebben, omdat alle mannen hetzelfde zijn. ‘Maar daarmee suggereer je dat je zelf ook onbetrouwbaar bent’, grapte ik dan.
Ik ben altijd de loyaalste geweest van ons twee. Ik kon met mijn hoofd in de wolken zijn, in het verleden wonen of in de toekomst leven, maar uiteindelijk landde ik altijd weer bij hem. Na vijfentwintig jaar huwelijk weet je hoe je jezelf kunt wegcijferen, hoe je kunt glimlachen terwijl je hart huilt. Het is een gave, die alleen vrouwen zich eigen weten te maken.

*
‘Zenuwachtig geeft hij mij zijn bos sleutels. Een sleutelhanger met een foto van zijn gezin trekt mijn aandacht. “Zorg dat niemand je ziet, ik kom over tien minuten.” Zijn stem klinkt opgewonden en verdrietig tegelijk.’
*
“Liefste Reza. Als je dit leest, dan ben ik er niet meer. Vergeef me.” schreef hij. Deze zin, deze aaneenschakeling van woorden, schoten als een pijl recht mijn ziel binnen. Ik verloor mijn evenwicht en greep me vast aan een stoel. Mijn hart bonkte zo hevig, dat ik bang was dat het plotseling zou stoppen. Ik griste mijn tas van de vloer op zoek naar een plastic zakje om in te kunnen blazen. Ik hield het stukje plastic tegen mijn mond en ademde diep in en uit. Langzaam kwam er weer ritme in mijn ademhaling.
Ik zat op de koude tegelvloer en de uren tikten voorbij. Nu begreep ik waarom hij de afgelopen periode in mijn gedachte was geweest. Ik balde mijn vuist en drukte mijn nagels steeds dieper in mijn huid, net zo lang tot het bloedde.
*
‘Soms denken wildvreemden dat ik zijn dochter ben. Ze kijken vertederd, maar zouden eens moeten weten wat wij allemaal doen met elkaar als het licht gedoofd is. Dan is er niks meer over van dit meisje, slechts vijftien lentes jong, maar met de ziel van een oude vrouw.’
*
Die nacht sliep ik slecht. Ik zag zijn huis weer voor me, zijn tuin, de buurt waar wij elkaar ontdekten. De duinen van Zandvoort, de natuur, de meertjes waar we in zwommen en de weg naar huis achteraf. Samen douchen, vrijen, wakker worden. De ruzies die we maakten. De eeuwige strijd om alles, altijd. De hete zomer die volgde, de kleffe nachten waar we de slaap niet konden vatten en buiten naar de sterren keken. De simpele maaltijden die ik voor hem kookte, omdat je op je vijftiende nog geen idee hebt van haute cuisine. De goedkope wijntjes in de tuin, de vogels die zongen alsof hun leven er vanaf hing, het luisteren naar muziek en af en toe huilen, omdat het geluk zo dichtbij ons was. Het vluchten in het moment, terwijl ik nu, na al die jaren, juist altijd vlucht naar de toekomst of het verleden. Maar toen niet, toen wilde ik bevriezen in de tijd. Genieten, samen zijn, de rest kwam wel. Alles was ik nu belangrijk vind, was toen onbelangrijk.
*
‘Ergens weet ik, diep vanbinnen, dat wat wij doen, deze liefde, niet zou mogen bestaan. Maar toen ik vijftien jaar werd in de lente, wist ik al dat ik veel volwassener was dan al die meisjes op het schoolplein bij elkaar. Ze loeren allemaal naar me. Ik hoor ze denken: ‘Slet!’ Het kan me weinig schelen, ik heb andere pijn die overheerst.’
*
‘s Nachts droom ik over mijn gezin. Ik wil naar ze toe, maar het lukt niet. Ik ben verloren. Ik wil bij mijn man zijn, zijn warme lichaam beminnen, de pijn vergeten. Ik zit gevangen in mijn droom en ik vind de weg naar ons huis niet meer. Ik loop, ik strompel, kijk schichtig om me heen, maar nergens zie ik mijn huis. Het huis waar mijn man en kinderen spelletjes spelen aan tafel en de kaarsen branden. Waar het altijd warm is, waar iedereen welkom is. Ik kijk ernaar, steek mijn hand uit, maar alles wat ik aanraak, verdwijnt in het niets. Ik wil iets zeggen, maar weet niet hoe. Mijn kinderen lachen, mijn man kietelt ze en ik kijk ernaar. Missen ze mij niet? Ik zie nergens iets wat hen aan mij doet herinneren. Geen jas aan de kapstok, geen foto’s meer, mijn boeken staan niet meer in de boekenkast. Alles is weg. En zij lachen maar, genieten, zijn gelukkiger dan ooit.
‘Schatje, wat is er met je?’ ik schrik van zijn stem en ben ineens weer terug in onze slaapkamer, waar het raam op een kier staat en waar ik buiten nog wat mensen hoor praten. ‘Ik kan niet slapen, mijn borst doet pijn, ik voel zo veel verdriet dat het voelt alsof ik stik.’ Ik leg mijn hoofd op zijn borst. De vertrouwde borst die ik al zo lang ken. Elk haartje, elke moedervlek, elke millimeter van zijn huid.
‘Als je dit leest, dan ben ik er niet meer. Vergeef me’ het blijft maar malen in mijn hoofd.
De volgende dag rijd ik naar zijn huis, omdat ik met eigen ogen wil zien dat hij er niet meer is. Het adres heb ik van internet, een straat waar ik het bestaan niet van wist, maar toch voelt als thuiskomen. Ik stap uit en loop via een grindpad naar een huis, verscholen tussen de bomen en struiken. Ik klop aan en een vrouw die ik niet ken doet open. Ze bekijkt me van top tot teen en strijkt zenuwachtig een pluk haar achter haar oor. ‘Ah, dus jij bent Reza. Ik dacht dat je veel ouder was.’
*
‘Mensen zullen dit nooit begrijpen. Maar ik ben zijn engelenkind en dat zal voor eeuwig zo zijn. Zelfs als hij zou besluiten met een vrouw te trouwen van zijn eigen leeftijd. In dat geval ga ik gewoon met hem mee.’
*
Ik loop door het huis waar hij alle jaren heeft doorgebracht, in volledige eenzaamheid. Ik probeer me voor te stellen hoe dat is, dat je elke dag probeert er iets van te maken en dat je telkens moet concluderen dat het weer niet is gelukt. Ik heb me altijd schuldig gevoeld, omdat het mij ogenschijnlijk wel gelukt is. Ookal zijn we diep vanbinnen misschien wel even eenzaam en ontheemd. Ik kan soms naar mijn gezin kijken en me afvragen wat mijn rol is. Ik kijk naar ze en zie een eenheid waar ik me niet altijd onderdeel van voel. In mijn hoofd en hart ben ik altijd kind gebleven, ik weet niet hoe andere mensen dat doen. Als ik andere vrouwen van mijn leeftijd zie lopen, dan kijk ik tegen ze op. Ze zijn sierlijk, praten over belangrijke dingen en hebben alles wat ze willen. Het is grappig hoe mensen naar mij kijken. Met mijn maat tweeënveertig ben ik lang niet zo skinny als al die botoxvrouwtjes. Toch heb ik altijd de meeste aandacht van mannen gehad. Vollere vrouwen stralen blijkbaar een wulpsheid uit, een vreugde voor het leven. Al vond hij mij het mooist toen ik die rondingen nog niet had…

*
‘Welterusten, mijn lief. Morgen zal alles anders zijn.’ Hij kuste mijn voorhoofd en ik wist dat het goed was.’
*

Mijn grootste angst was altijd dat hij zou overlijden en dat ik te laat zou zijn. Ik zag dan voor me hoe zijn huis werd leeggehaald en dat er in elke hoek wel iets te vinden was, wat hem aan mij deed denken. Foto’s, kleding, cadeautjes die ik ooit voor hem kocht. Zijn notitieboekjes met obsessieve verhaaltjes over mij. Gek genoeg gaf het me een comfortabel gevoel, dat alles, alle ellende, alle verdriet uit die tijd, niet voor niets was geweest. Dat er iemand op de wereld was die mij zag in mijn slechtste periode en bij wie het lukte om zelfs toen nog het beste in mij te zien.
*
‘We nemen afscheid, hij zegt dat het beter is. Hij loopt weg, draait zich nieteens om. Met grote passen op weg naar de horizon. Ik ren naar huis en voor het eerst in al die jaren weet ik wat het is om iets kwijt te raken, wat nooit van mij had kunnen zijn.’
*
Ik ga op zijn bed zitten, streel zachtjes de lakens, het dekbed, de kussens. Ik kijk om me heen en zie de schilderijen, de boeken, zijn kleding. Het oogt triest, leeg, eenzaam. Ik hoor het hem nog zeggen: ‘Je had het toch voorspeld engelenkind; ik zou uiteindelijk eenzaam en alleen sterven.’ Hij had gelijk.

.