Categorieën
Fictie

Door de pui

‘Houd je gore rotsmoel en verdwijn!’
Het was weer hommeles beneden. Ma schreeuwde tegen pa. Benieuwd naar waar ze dit keer over kibbelden, stond ik met gespitste oren bovenaan de trap. Ik hoorde de stem van pa: ‘En dit is nou precies waarom ik liever bij Bonnie ben! Zodra ik eerlijk vertel hoe rottig ik het thuis soms vind, wil jij dat ik m’n bek houd en verdwijn; Bonnie luistert tenminste!’
Ma gilde terug: ‘Het is een hoer! Ongelooflijk dat jij daar zonder schaamte overheen gaat. Weet dat ze alleen op sneue types aast!’
Bonnie… Ik dacht na, maar kende alleen Bonnie St. Claire – van het buitenspelen en dokter Bernard. Die bedoelde zij vast niet; ma was immers dol op haar liedjes.

Ik zette mijn tenen zo geruisloos mogelijk op de bovenste tree, hield m’n adem in. Op die manier sloop ik tot halverwege de trap. Daar luisterde ik verder.
‘Waarom vreet ik jou gore klotezooi nog?’ vroeg pa driftig. Meteen daarna hoorde ik hem zijn bord op de grond gooien en het kletteren van bestek op laminaat. Zo te horen was het bord aan diggelen, want ma krijste uitzinnig. Doet ze altijd wanneer er borden of glazen sneuvelen. Maakt haar geen reet uit of ’t per ongeluk ging.
‘Je bent een wijf van niks! Je kookt niet, je schrobt niet en fatsoenlijk vreten koken voor mij en je zoon kan je ook niet,’ riep pa.
‘Míjn zoon!? Helaas is het ook jóú zoon!’
‘Inderdaad. En jammer genoeg ben jij z’n moeder… Waarom denk je dat Luuk zo mager is? Dat komt door jou! Je verwaarloost hem.’
Dit leek mij een goed moment om binnen te komen. Met luide stappen daalde ik de laatste treden af, opende het vechthok. ‘Een goedemiddag samen!’ Toen ma mij zag, schrok ze. En ik van haar; van die rode kras onder haar linkeroog. Ze drukte er gauw een natte vaatdoek tegenaan. Toen ik naar pa keek, draaide hij zijn hoofd naar de muur. Er hing daar een spiegel, maar daar keek hij nooit in.
‘Ben je al klaar met geschiedenis?’ vroeg ma onnozel. Ze had grote, angstige ogen en hield de vaatdoek nog steeds tegen haar kras.
‘Ik kon me niet concentreren,’ zei ik, terwijl pa zwijgend de hal in liep. Daar rolde hij zijn shag in een dik toetertje. Toen hij in de tuin aan de picknicktafel plaatsnam, zag ik zijn schouders zakken terwijl hij de rook uitblies. Door het glas van de schuifpui keek ik naar de man die mijn vader was, maar die voor mijn part Jopie de melkboer was, want ik voelde meestal niets dan minachting voor die vent.
‘Heeft hij dat gedaan?’ vroeg ik fluisterend aan ma.
Zij wilde eerst ‘wat bedoel je?’ vragen – dat zag ik – maar gelukkig besloot ze niet het gansje uit te hangen.
‘Je vader moet een moeilijke beslissing nemen.’
‘Tussen jou en Bonnie zeker?’
‘Bonnie?’ vroeg ze verschrikt. ‘Wat weet jij over Bonnie?’
Zonder op die vraag te reageren, liep ik terug naar boven. Ik had door mijn binnenkomst doodslag verhinderd, dus mijn taak was weer gedaan. Verder had ik geen zin om over Bonnie te praten, ‘de hoer die op sneue types aast’.

Op mijn kamer lag het geschiedenisboek nog altijd ongeopend op een hoek van mijn bureau. Als je zo’n thuissituatie hebt als de mijne, dan boeit het je geen zak dat er vier eeuwen geleden duizenden doden vielen bij Nieuwpoort. Ik heb mijn handen en hoofd al vol. Dat zorgt voor stress. Toen ik laatst op school tegen een lijpo zei dat ik die stress weleens wilde uitbannen door een overdosis van een of ander goedje te nemen, ritste hij warempel zijn schooltas open en zei: ‘De keuze is reuze.’ Hij toonde mij zijn magazijntje en raadde mij een klein buisje aan, met daarin een transparant shot. Toen hield ik voor het eerst GHB in mijn handen. En ’t is werkelijk: superspul. Alsof het leven een pauze neemt; je even niet meer hoeft mee te doen in die krankzinnige wereld. Sinds ik voor het eerst de werking ervoer, was ik meteen een liefhebber. Ik kwam uit school en was alleen thuis, goot het buisje leeg in een longdrinkglas, deed er wat sinas overheen, walste het door elkaar en sloeg het in één keer achterover. Zoutig en chemisch. Na een halfuur lag ik in een slaperige roes onder m’n dekens. Mijn ademhalen werd normaal, mijn hoge hartslag nam godzijdank een keer gas terug; en de spierpijn van het kromlopen en slapen op een halve lattenbodem was volledig verdwenen.
Ik gebruikte nu drie maanden en pa en ma merkten niets. Dat vond ik best jammer. Ik liep met vermoeide ogen onderstreept door dikke, paarse wallen rond, maar nog steeds niet de vraag of alles goed met me ging.

Omdat ik daarnet trilde en zweette en een gruwelijk visioen zag vol gebroken glas, geschreeuw en bloed, dronk ik mijn laatste buisje van vijf milliliter op en ging onder de wol. Ik voelde hoe de roes op een vliegend tapijt mijn geest binnen zweefde. Toen de totale ontspanning mij bijna in slaap bracht, hoorde ik pa beneden: ‘Ga dan naar je nest, zwijn dat je bent! Enkel vreten en nesten, meer doet mijn wijf niet! Ik zal juichen als ik van je af ben, dan organiseer ik een groot feest. En dat advocaatje, die schlemiel met zijn knijpbril, komt dan ook. Ik omhels die vent als ’t rond is.’
Flits.
Glasgerinkel.
Scherven – door huid heen.
Bloed – overal bloed.
Ik was uit bed gekomen en stond beneden. Pa en ma ruzieden nog steeds, ze stopten niet; merkten mij niet eens op. Wezenloos staarde ik naar de pui. Er zaten vieze vegen aan zowel de binnen- als de buitenkant van het glas. De zon oogde een beetje dof en onaangenaam door zo’n vuile ruit. Ik verlangde ernaar om buiten te zijn. De acht meter die ik moest afleggen om met mijn neus tegen de ruit te komen, werd geblokkeerd door de bank die voor de pui stond. Ik schoof de harde bank voor het raam weg – pa en ma vroegen niks, ruzieden door.
‘Je bent een smerig klerewijf!’
‘En jij een vuile schoft!’
Terwijl die twee nog wat bommetjes afgooiden, ging ik zo ver mogelijk van de pui af staan, in de keuken. Ik hoorde niet meer wat ze zeiden. Ik focuste mij op glas, glas en glas.
De baan was vrij; geen obstakels meer die mijn sprint verhinderden. Ik bekeek nog eens het vuile vlakglas. Ik dacht aan die Chineesjes die op hun vijfde al blokken hout in tweeën trappen. Daarna gilde ik uitzinnig; zoals ik vroeger Tarzan imiteerde en over de sloot sprong; zo sprintte ik nu ook naar het andere eind van de kamer. En daar rinkelde het glas en vloog ik door de pui. Ik meende een hoge gil te horen – dwars door het daverende geluid van de versplinterde ruit. Ma? Of toch pa? Met een klap belandde ik buiten op de tegels, in de scherven. Waarom ben ik niet bewusteloos, dacht ik direct. Ik lag naast de picknicktafel. Ik voelde me prinsheerlijk; hoe er kleine stukjes glas in de huid van mijn buik prikten. Mijn benen voelde ik niet meer. Maar des te heviger was de pijn van een snijwond in mijn hals. Vanuit mijn ooghoek zag ik een korte, dikke scherf in mijn schouder steken. En volgens mij zat er een jaap in mijn onderlip; ik proefde aldoor nieuwe golfjes bloed. Ook mijn pols lag open.

Eigenlijk moest je erbij zijn. Dan zag je het ongelooflijke gebeuren: ze hielden allebei hun bek dicht, pa en ma. Ze renden op mij af.
‘Pak theedoeken uit het kastje, dan knijp ik z’n pols dicht,’ hoorde ik pa. ‘En bel een ambulance, snel!’
Ik zag weinig door het bloed in mijn ogen.
Ik rook de shaglucht van pa’s hand die hij vlak boven mijn gezicht hield. ‘Waarom deed je dit, jongen? Blijf erbij, alsjeblieft, blijf erbij,’ smeekte hij.
Hoe zacht mijn ouders vervolgens tegen elkaar spraken; dat was roerend. Vooral nadat ma door de telefoon riep: ‘Eh, op welk nummer wonen wij ook weer? O Ja! Godverdomme! Nummer 3! Spinaziestraat 3!’
Toen zei pa: ‘Rustig maar, rustig maar.’
In de ambulance opende ik mijn ogen en zag, heel wazig, de gestalten van pa en ma op het bankje. Pa had een arm om ma heen, zij huilde.
Droog je tranen Pierrot, oh Pierrot…
Dat lied kwam zomaar in mij op.
Ik voelde mij grandioos.