Categorieën
Fictie

donker morgenrood

Donker morgenrood

‘Ik dacht het niet.’
‘Wat zeg je?’
‘Dat ik het niet doe.’
‘Je zal wel moeten. Ik laat het niet door jouw wispelturig ge……’

Het geluid doet pijn aan mijn oren. De mensen praten door elkaar en het staat veel te hard.
‘De ka-u-tee tee-vee gaat uit.’ Ik voeg de daad bij het woord en loop terug naar de keuken.
‘En nu?’ de woorden zijn verweven in een zucht.
Ik kijk om me heen en zucht opnieuw. Deze komt van heel diep.

Staand, midden in de kleine open keuken, mijn handen aan mijn slapen, bevochtig ik onbewust mijn uitgedroogde lippen met mijn tong. Ik moet oppassen dat dit geen tik wordt.

‘Oké, ontbijten,’ mompel ik dapper. Tegelijkertijd valt me het ochtendgloren op. Het wordt een grijze dag. Alle dagen zijn grijs, soms eerder zwart. Zaterdag een week geleden stond ik op dit tijdstip ook in de keuken. Het was toen nog donker.
‘Een goed teken, de winter vordert.’
Heel even voel ik een vonk in mijn lichaam. Een vonkje die via zenuwbanen mijn hersenen bereikt en me in beweging zet. Net voldoende om een kom uit de keukenkast te grijpen. Het fruit en de yoghurt pakken is eigenlijk al een brug te ver. Toch lukt het me. Ik ben wel wat gewend en weet dat ik dit moet doen.
Vanochtend half zeven ging de wekker zoals elke ochtend, ook in de weekenden. Op zaterdag en zondag als dwangmiddel, omdat ik anders mijn bed niet uit kom en blijf liggen totdat iemand me eruit haalt.
‘Waarom ben ik vandaag uit bed gestapt? Het is zaterdag.’ Ik wil het van me afschreeuwen, maar het galmt alleen door mijn hoofd. Mijn schouders zakken, mijn houding verandert. Ik sta niet meer rechtop en houd me vast aan het aanrecht.
‘Voor wie ben ik opgestaan? Ik wil vandaag niemand zien. Dat gezeik.’
‘Ik ga terug naar bed.’
‘Maandag, als ik naar mijn werk moet, zie ik wel weer. Dan ben ik vast uitgerust.’
Waar ik net nog een vonk voelde, loopt mijn lichaam nu leeg. Het is alsof er een gaatje is geboord en mijn energie, mijn kracht, mijn levenslust weglekt. Eerst langzaam als het stroompje zeewater uit de plastic gieter van een kind spelend in het strandzand. Zo dadelijk de snelstromende, oevers afkalvende, verwoester. Ik ken hem. De neerwaartse spiraal. De val in het diepe. Ik heb hem al zo vaak meegemaakt dat ik hem tegenwoordig voel aankomen. Ik noem hem Henk.
‘Henk ik voel dat je achter me staat en op je kans wacht. Ik laat het niet gebeuren.’ De woorden hardop met agressie. Uit mijn eigen mond.
‘Lisa klauter hieruit nu het nog kan. Laat je niet meetrekken.’ Ik spreek mezelf moed in.

Staand in de keuken, schuin leunend met twee handen aan het aanrecht, mijn hoofd omlaag tussen mijn schouders. Alsof ik me opdruk tegen het keukenkastje.

Mijn hoofd zit vol.
Voelt leeg.
Het is ondragelijk zwaar.
Ik heb hier geen zin in.
Nergens zin in.
Laat ik naar bed gaan.
Slapen.

‘Lisa ademen!’
Ik trek mezelf omhoog uit de diepten van mijn donkere wereld. Met gesloten ogen concentreer ik me op de cadans van mijn ademhaling. Langzaam in- en weer uitademend. Na enkele minuten voel ik mijn lichaam ontspannen en word ik rustiger. Ik leun met mijn billen tegen het keukenkastje. Nu moet ik handelen, doorpakken.

‘Hoe staat het met het ontbijt?’ zeg ik heel kordaat tegen mezelf. Ik kijk om me heen en zie de appel en de kiwi als een stilleven op het aanrecht liggen.
‘Schillen die handel.’ Al pratend doe ik het. Ondertussen denk ik: ‘fo-cus-sen. Blijf je focussen op wat je aan het doen bent Lisa. Niet loslaten meid.’
‘Hup, de stukjes fruit in de kom en de yoghurt er bovenop schenken. Scheutje diksap voor de snelle suikers en met een dessertlepel door elkaar roeren.’
De anderhalve meter van het aanrecht naar de tafel steek ik in twee passen over. Ik ga op mijn gebruikelijke plek zitten, waar ik uitzicht op het plantsoen heb. Een vogel vliegt aan en land voorzichtig op het boord met zaden achter op het balkon.
‘Een grijze mus,’ mompel ik traag.
‘Stop! Of het GVD om een doffe mus of een bonte specht gaat, het is mooi, het is zuiver. Kraak het leven niet af. Geniet er juist van.’
Ik schrik van mezelf en neem de eerste hap yoghurt. Het smaakt me wel. Ik wens de mus en de twee kameraadjes die hem nu vergezellen, smakelijk eten en neem nog een hap.

Het wordt nu echt licht buiten. De grijze donkere lucht kan de dageraad niet meer tegenhouden en ook de nu nog onzichtbare zon draagt zijn steentje hieraan bij. Langs de horizon wordt de lucht oranjerood. Verder omhoog eerst rozerood en daarboven nog gewoon donker. Van donkerblauw via paars naar zwart. Het geheel is adembenemend mooi. Ik krijg een sprankeltje hoop en concentreer me op wat ik zie.
‘Vasthouden.’
De kleurenrijkdom wordt versterkt door de opeenstapeling van wolken. Schapenwolken en wolken waarvan ik de naam niet ken, nemen de kleuren in zich op. Andere, door vocht verzadigde wolken, kleuren in grijstinten. Het is net mijn wereld: het kleurengevecht tussen het kleurrijke en het grijszwarte.

Naar de voorgrond toe zijn de silhouetten van de bomen en de beplanting in het park nog in de nacht gewikkeld. Hier geeft alleen de weerspiegeling in de ruiten van het naastgelegen appartementsgebouw, de dag prijs.

Na de yoghurt volgt, één van de dagelijks terugkerende rituelen, het koffiezetten. Het gaat nu beter met me. Ik voel een vorm van opluchting en kan zelfs genieten van de geur van de versgemalen bonen.
‘Henk belde aan maar ik deed niet open. Ik hield de gordijnen dicht en negeerde de bel,’ spreek ik mezelf stoer toe. ‘Houden zo Lisa.’

Ik moet voor afleiding zorgen en bel mijn nicht Thea.
‘Hee Thea, ben je wakker?’
‘Ja nu wel Lisa. Je bent wel de laatste die ik verwacht had aan de lijn te krijgen.’ Thea geeuwt luid en langdurig.
‘Fijn om je stem te horen.’
‘Kijk eens naar buiten Thea. Naar de lucht, helemaal rood. Het ziet er supergaaf uit. Het wordt mooi weer vandaag.’
‘Nou dat weet ik niet Lisa heb je ooit gehoord van morgenrood water in de sloot?’
‘Ja dus?’ antwoord ik.
‘Alles goed met jou Lisa?
‘Niet echt, maar ik heb er nu wel zin in vanochtend. Vandaar dat ik met jou bel.’
‘Vertel?’ zegt Thea.
‘Niet nu Thea, dat komt wel. Ik bel om te vragen of je met de hond mee naar het strand wil. Gaan we een stuk wandelen en lekker uitwaaien. In de regen als het niet anders is.’
‘Ja, tuurlijk, leuk. Ik kleed me aan, zoek m’n regenjas en kom naar je toe.’

Ik leg mijn mobiel op tafel en leun achterover in de stoel. Buiten worden de rode kleuren langzaam valer. Een oranje streep aan de horizon verraadt de zon, die al gauw een groeiende schijf zoete cantaloupe wordt. De donkere kleuren boven aan de hemel verdwijnen en het land ontwaakt in een helder daglicht.

‘Ik heb je bij de ballen Henk,’ zeg ik met een grote glimlach op mijn gezicht.