Categorieën
Fictie

Dirk

Aan de andere kant werd een sleutel omgedraaid. De deur bleef op een kier en daarachter was het behoorlijk donker. Automatisch deed ik een stap naar voren en rook een geur die me deed denken aan de jurken van mijn oma. Toen een schrapend geluid.
‘Goedemorgen meneer,’ zei ik. Dat was een gokje, er stond dhr. P. Vos op het etiket.
‘Hallo,’ klonk het afgemeten. De deur ging wat verder open. Hij moest wel, als hij z’n pakketje wilde. Hij keek naar de grond zodat ik enkel vettige grijze krullen boven een donkerblauwe badjas zag.
Ik kuchte.
Hij richtte zich op. ‘Voor mij?’ Zijn ogen waren dik en roodomrand. Zijn mond trilde.
Drie, vier seconden gingen voorbij terwijl ik daar stond en niets wist te zeggen.
Hij deed een poging zich te vermannen, spande zijn kaken en stak zijn kin vooruit.
‘Meneer, hoe gaat het? Gaat het wel met u?’
‘Mijn vogel is gestorven. Jij hebt zijn kistje.’ Hij beet de woorden z’n mond uit.
Routineus keek ik op het label van het pakketje en daar stond het: animalaftercare.nl. ‘Sorry meneer, ik bedoel, het spijt me om dat te horen. Gecondoleerd, denk ik.’ Ik voelde de rode vlekken omhoog kruipen in mijn nek.
Hij knikte en strekte zijn arm uit.
Haastig reikte ik hem het pakket aan. Maar ik liet te vroeg los. Ik stak een voet naar voren. De doos landde op mijn tenen en stuiterde richting zijn pantoffels. Bruine ribfluwelen instappers met daarin dunne witte enkels. We bukten tegelijkertijd en ineens was ik met mijn hoofd vlakbij het zijne. Zijn adem rook zurig, een beetje naar kots. Ik trok mezelf omhoog en steunde hijgend tegen de deurpost.
‘Sorry meneer.’
‘Het geeft niet.’
‘Is het nog heel?’
‘Ik hoorde niks breken.’
‘Ik regel natuurlijk dat het vergoed wordt, als ie kapot is.’
‘Ach, het gaat toch de grond in hè.’ Het klonk gelaten.
‘Precies.’
Hij maakte aanstalten zich om te draaien.
‘Nou. Als ik nog iets voor u kan doen…’
Alsof plots zijn batterij op was, bleef hij hangen in zijn draai en keek me recht aan. ‘Ja, ik denk wel… er is wel iets.’
Opgelucht dat ik niet hoefde af te druipen nadat ik een doodskist voor z’n voeten had gegooid, keek ik hem verwachtingsvol aan.
‘Kijk, ik zie er al twee dagen tegenop om hem uit zijn kooi te halen. Ik ben bang dat hij hard voelt… Koud. Snap je?’
Ik knikte.
‘Maar ik kan ’t ook niet aan jou vragen.’
‘Geen probleem,’ zei ik, terwijl ik me afvroeg of ik het vies of eng of allebei vond. Onder de borstelige wenkbrauwen kregen zijn bruine ogen iets zachts.
‘Nou, dat is fijn jongen, kom binnen.’ Hij trok de deur nu helemaal open en met een handgebaar wees hij naar een deur links in de hal. Met een stap over de drempel waande ik me ver in de vorige eeuw. Een fluwelen bankstel, leverkleurig met rozerode bloemen, dat zijn glans verloren had. Dwars over de ene leuning was met touw een tak bevestigd en daaronder lag een handdoek met zwart-witte smurrie die veel weg had van vogelpoep. Op de salontafel met z’n hoge krullerige poten stond een blik goulash met een vork erin, op een viltje. De tv stond aan, een lange rij pinguïns wandelde in de sneeuw. Boven de tv hingen twee grote natuurfoto’s achter glas, geribbeld door ouderdom. En een familieportret waarop een man, een vrouw en een blond jongetje lachend de lens in keken.
Hij zei: ‘Kom, naar Dirk.’
Dat moest de vogel zijn.
Ik volgde hem in zijn haastige tred, die niet paste bij zijn gekromde rug en afhangende schouders. Op een tafel met uitzicht op de achtertuin stond een vierkante vogelkooi met dunne houten spijlen, handgemaakt zo te zien. Op de bodem van de kooi lag Dirk, een papegaai. Hij had een lapje stof als dekentje.
‘Hij ligt er mooi bij,’ zei ik.
De man knikte en probeerde nieuwe tranen te verbergen terwijl hij het pakketje opende met een aardappelschilmesje. Hij deed het deurtje van de kooi open en keek me aan. Nu knikte ik, stak mijn handen naar binnen en schoof mijn ene hand onder het lijfje, mijn andere onder het kopje. Voorzichtig manoeuvreerde ik hem door het deurtje, maar ik kon niet voorkomen dat het lapje stof van hem af gleed.
‘Hij voelt zacht,’ zei ik. Ik hield de papegaai zo recht mogelijk in het kommetje van mijn handen en ging vlak voor de man staan.
Met zijn wijsvinger aaide hij voorzichtig over het kopje van Dirk.
Ik legde hem in het kistje en het dekentje weer over hem heen. Ik boorde mijn duimnagel in het topje van mijn wijsvinger. Toen durfde ik hem aan te kijken. Daar stonden we. Naast elkaar, onze ogen gericht op Dirk.
Hij zei: ‘Dag Dirk.’
‘Dag,’ zei ik, ‘dag Dirk.’