Categorieën
Fictie

Derde kerstdag

Godsamme. Ik schiet omhoog en zoek met trillende hand het knopje van m’n nachtlampje. Er is iets mis. Goed mis. Er staat iemand vol overgave op de deurbel te drukken. Het is 4.00 uur en wie het ook is, er is haast bij. Bloedspoed, zo te horen. Terwijl ik met m’n blote voeten nerveus m’n slippers onder het bed vandaan probeer te vissen, kijk ik kwaad naar Joost, die altijd overal doorheen snurkt. Een krolse kat in de tuin, beginnende weeën bij mij, huilende kinderen naast ons bed. Waarom ben ik dan toch verbaasd dat hij hier dwars doorheen slaapt? Hem uit z’n coma schudden heeft geen zin, dat kost te veel tijd.
Terwijl ik m’n ochtendjas aanschiet en m’n telefoon van de vliegtuigstand haal, begint de persoon op de stoep ook nog eens op de voordeur te bonzen. Ik voel m’n hartslag nu achter in mijn keel. Geen gemiste oproepen. Gelukkig, dan is er niets met m’n ouders. Die zouden eerst bellen. De ouders van Joost ook, maar die hebben we een paar uur geleden nog uit staan zwaaien. De langste Tweede Kerstdag ooit. Volgend jaar boek ik een huisje. Dan zijn we er gewoon een keer niet. Of misschien is het Maurice van de overkant. Misschien wil hij de kinderen hier stallen om naar het ziekenhuis te kunnen. Achter de ambulance aan, misschien is er weer iets met z’n vriendin. Ze werd een paar maanden geleden ook al met gillende sirenes afgevoerd. Godsamme, de sleutels. Waar liggen m’n sleutels?
Het bellen en bonzen neemt toe, agressiever nu. Ik zak op m’n knieën en graai naar de knuppel onder ons bed, dat grote, zware ding waar ik Joost ooit zo over uitgelachen heb. Dat ding dat altijd in de weg ligt als ik onder het bed moet stofzuigen. En dat is altijd al zo’n rotklus. Gehaast loop ik er de trap mee af, ik voel me er toch veiliger door. Stel dat het een inbreker is? Nee, het is vast Maurice. Of de buurvrouw, al zou die nooit zo hard kunnen bonzen. O shit, mijn sleutels hangen nog in de voordeur. Nooit meer doen, Suus! Nooit meer doen! Ik luister nog heel even of de kinderen niet wakker zijn geworden, klem dan de knuppel tussen m’n benen en draai de sleutel van het slot. Als het moet, zou ik dan snel genoeg zijn?
‘Mevrouw Winalda?’
Winalda? Twee politieagenten staan me strak aan te kijken. Maar Joost en de kinderen liggen veilig in bed. Mijn ouders en schoonouders ook. De verwarring moet van m’n gezicht af te lezen zijn, toch wordt me nauwelijks tijd gegund.
‘U bent?’ vraagt de voorste man me.
‘Wat? Eh… Suzanne.’
‘Achternaam?’
‘Pieterson.’
De man lijkt in de verste verte niet bezorgd, eerder kwaad en opgefokt. ‘Waar is Winalda?’
‘Wie?’ Terwijl ik de man verbaasd aankijk, doet hij een stap naar voren om langs me heen de gang in te kijken.
‘Winalda, waar is-ie?’
‘Er woont hier geen Winalda.’
‘Er hangen meer jassen, mevrouw. Wie zijn uw huisgenoten?’
‘Eh… Mijn man en mijn kinderen.’
‘De naam van uw man?’
De politieagent lijkt m’n reactie te traag te vinden. Met een zaklamp schijnt hij op een briefje in zijn hand, terwijl hij luistert naar de portofoon aan zijn riem. Ik hoor een hoop geruis, maar vaag lijkt iemand het over ‘Winalda’ en ‘noodmelding’ te hebben.
‘Mevrouw,’ zegt hij harder, ‘voor de laatste keer: waar is Winalda?’
‘Maar die ken ik helemaal niet,’ antwoord ik met trillende stem. De man negeert me en wijst naar de knuppel terwijl hij iets onhoorbaars fluistert tegen de collega schuin achter hem. Waarom heb ik dat kloteding ook mee naar de deur genomen? De agent doet nog een stap naar voren en houdt z’n gezicht vlak bij het mijne. Dan grijpt de tweede politieman in. Hij trekt zijn collega zachtjes naar achteren en nu pas valt de politieauto achter hen me op. Die staat met zwaaiende lichten en de motor nog aan dwars op de stoep, de voorste deuren wagenwijd open. Hij kleurt de struiken blauw.
‘U bent de bewoner van Kloosterstraat 36?’ vraagt hij op vriendelijke toon.
Zo doen ze dat dus: good cop, bad cop. Ik voel de adrenaline een klein beetje zakken, maar dat is maar van korte duur, want weer duurt mijn antwoord de voorste agent te lang. Hij zet een dreigende stap naar voren. Op de portofoon hoor ik iemand ruisend en krakend zeggen dat het inderdaad om de Kloosterstraat gaat, dat ze vol moeten houden.
Pas dan voel ik hoeveel spanning er op mijn kuiten staat. Hoe hard ik al mijn spieren in mijn armen heb aangespannen. ‘Nee, dit is de Kloostersingel. Kloostersingel 36!’
De mannen kijken elkaar verbaasd aan. ‘Oké, waar is de Kloosterstraat dan?’ vraagt de achterste agent.
‘Daar de hoek om,’ wijs ik hem aan, trillerig enthousiast en opgelucht.
‘Oh, oké, excuses voor het storen mevrouw,’ krijg ik terug, terwijl ze zich zonder blikken of blozen omdraaien en snel de politiewagen in stappen. Ik kijk de auto na tot de blauwe lichten de hoek om zijn gescheurd en draai de voordeur weer op slot. Ik controleer het slot twee keer en blijf heel even met m’n rug tegen de deur aan leunen. Wat een hufter, die voorste. Ik ril over mijn hele lichaam. Zou het zin hebben om hier een klacht over in te dienen? Ik neem m’n sleutelbos mee naar boven en leg de knuppel terug onder het bed. Ik doe mijn best de slaap te vatten, maar ik krijg het niet meer warm en Joost ligt te hard te snurken. Vanmiddag moet ik maar eens door de Kloosterstraat lopen. Ik ken iemand op nummer 3. En volgens mij ook op nummer 42.
Na een half uur stap ik uit bed om toch nog even bij de kinderen te kijken. Ze liggen gelukkig nog rustig te slapen. Daarin lijken ze op Joost. Het duurt nog een paar uur voordat op hun wekker het zonnetje weer tevoorschijn komt. Ik loop naar beneden om de ontbijttafel alvast te dekken. We hebben nog wat kerstservetjes, waxinelichtjes en een restje stol. Ik maak er wel wat van.
Als ik in de keuken kom, staat het aanrecht nog vol vuile vaat. Zelfs de gootsteen staat vol met aangekoekte ovenschalen. Ik klem m’n handen om de rand van het aanrecht en zie mijn knokkels wit worden. Met mijn hoofd bonk ik zachtjes tegen het keukenkastje op ooghoogte. Het liefst zou ik met één armzwaai het hele aanrecht leegvegen, maar ik weet wie degene is die de troep mag opruimen. Wat een klotezooi. Ik pak de aangekoekte schalen een voor een uit de gootsteen en smijt ze vol overgave in de lege oudpapierbak achter me. Het barstende aardewerk klinkt geruststellend gecontroleerd.
Als de gootsteen leeg is, laat ik me moedeloos en met plakkerige handen op het lage keukenkrukje zakken. Wat een waardeloze start van derde kerstdag.